Rome versus Carthago in de film

Delenda Carthago Est

‘Carthago moet verwoest’ is in Italië een populair gezegde. In de cinema wordt de strijd verbeeld als die van de beschaving tegen de wilden.

De Romeinse consul Marcus Porcius Cato (234-149 voor Christus) bleef de boodschap erin hameren. Iedere redevoering voor de senaat besloot hij met: ‘Ceterum censeo Carthaginem esse delendam’, oftewel: ‘Overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden.’ De eerste keer dat hij het zei trok Cato een mand met verse vijgen onder zijn toga vandaan en hield hem op voor de senaat. Verse vijgen uit de haven van Carthago, de gevaarlijkste handelsconcurrent van het Romeinse Rijk aan de Middellandse Zee. De onbeschadigde, kakelverse vijgen, het kwetsbaarste product uit de oudheid, waren het definitieve bewijs van de bedreiging aan gene zijde van de Mare Nostrum, ‘Onze Zee’, zoals alles nostrum was voor de Romeinen. Als Carthago niet vernietigd zou worden, zou Rome vernietigd worden, zo eenvoudig lag het.

De geniale Carthaagse legercommandant Hannibal stond al zowat aan de poorten van Rome na de verpletterende nederlaag van het Romeinse leger bij Cannae in Apuglië (216 v. Chr.), waar Hannibal ‘in de val’ zou worden gelokt. Maar Hannibals strategisch inzicht was zoveel groter dat hij het Romeinse leger op eigen bodem de afgrond in had gedreven, met als gevolg dat een deel van de provincies ten zuiden van Rome de oren al liet hangen naar de charismatische veroveraar uit Carthago. Het was of zíj of wíj, wilde consul Cato maar zeggen.

Medium marcello

Cato was de grootste mierenneuker uit de Romeinse oudheid, of, als je er op een andere manier tegenaan kijkt, de grondlegger van de huidige Italiaanse politiek. In Italiaanse heldenepossen over de verovering van het Romeinse Rijk op Carthago speelt hij de rol van de slechterik, de verstierder. In de film Scipione l’Africano uit 1937 is Cato een vervelende bureaucraat, die de heldhaftige missie naar Carthago in de senaat probeert te dwarsbomen met vormfoutjes, omdat hij bang is dat een ander met de eer gaat strijken. Maar de lieveling van het volk Publius Cornelius Scipio weet ondanks de jaloerse Cato toch de stemming in de senaat te winnen en vertrekt onmiddellijk energiek naar Carthago, fascistisch nagezwaaid door duizenden gestrekte armen. De Romeinse groet was de beste pr-stunt van de Duce, gretig overgenomen door Hitler, die een groot bewonderaar van Mussolini’s enscenering was, tot hij er in de Tweede Wereldoorlog al snel achter kwam dat het bij enscenering zou blijven.

In 1935 bestelde Mussolini de regimefilm Scipione l’Africano op kosten van de staat, om het Italiaanse volk te overtuigen van het historische geboorterecht van Ons Romeinen om Ethiopië onder de voet te lopen. Had de glorieuze voorvader Publius Cornelius Scipio Africanus, Romeins veldheer en senator, in 202 voor Christus, immers niet hetzelfde gedaan? Scipione l’Africano (zoals hij in het Italiaans heet) had de macht van Carthago gebroken in de veldslag van Zama, toen hij de verschrikkelijke Hannibal met zijn leger van tachtig olifanten op eigen bodem had verslagen. Dat was de redding van het Romeinse Rijk geweest, en Mussolini zag voor zichzelf ook zo’n soort rol weggelegd in Afrika. Dat de anachronistische ‘kolonisatie’ van het straatarme Ethiopië in 1935 helemaal niets te maken had met de tijden van de Punische Oorlogen (264-146 v. Chr.) waarin het machtige Rome en het machtige Carthago vochten om de heerschappij over de Middellandse Zee, was een detail voor kniesoren.

Mussolini had de kracht van het nieuwe medium film, net als zijn Oostenrijkse collega-dictator, direct in de smiezen. Aan Leni Riefenstahls Triumph des Willens (1935) kan Scipione l’Africano (1937) niet tippen, maar de boodschap is dezelfde: superieure volkeren hebben niet alleen het recht om de wereld te onderwerpen, ze hebben zelfs die plicht.

Het pronkstuk van de Italiaanse stomme film Cabiria (1914) had deze ideologische bijbedoelingen niet, of althans niet zo expliciet. Het is een sandalenfilm avant la lettre, waarbij vooral de uitvinding van de dolly, de rijdende camera op rails, een sensatie was. In Cabiria bewegen grote groepen mensen zich ineens vloeiend over het scherm, een doorbraak in vergelijking met de hortende, statische beelden van de stomme film tot dat moment. Over de ingewikkelde verhaallijn van Cabiria die fantasievol dwars door de drie Punische Oorlogen buitelt, maakte niemand zich druk, want daar ging het niet om. Het ging om de sensatie van de tempel van het monster Moloch in Carthago, met de wijd opengesperde muil als entree, de gigantische klauwen waartussen nietige mensjes verdwijnen. De tempel van Moloch staat vandaag, exact nagebouwd door drievoudig Oscarwinnaar Dante Ferretti, de tovenaar van de filmscenografie, in Cinecittà World, het gloednieuwe pretpark aan de kust bij Rome. Het is het symbool van de Italiaanse filmindustrie, van de sandalenfilms, van toen Rome het middelpunt van de wereld was.

Medium affiche scipione 2

Een vleug Blut-und-Boden-_ideologie kringelt toch ook op uit _Cabiria, dankzij de begeleidende teksten van de hofschrijver van het fascistische regime Gabriele D’Annunzio. Er was in 1914 nog geen regime, maar het terrein was vruchtbaar. En D’Annunzio voelde dat perfect aan. Tussen de hysterische piano-akkoorden van Cabiria verschijnen zijn uitleggende tekstbordjes in krullerige lijstjes. Een groot onheil over het Romeinse Volk wordt afgewend. De beestachtige heidenrituelen van Carthago, waar onschuldige Romeinse kinderen in de muil van de god Moloch verdwijnen om de overwinning op Rome af te dwingen, worden steeds op het nippertje verijdeld door dappere Romeinen die zich tussen de met pantervellen en neusbotten uitgedoste Carthagiërs verstoppen. Het is de beschaving tegen de wilden, is ook in Cabiria de boodschap, en uiteindelijk zegeviert goddank de beschaving met de slag bij Zama, onder dramatisch olifantengetrompetter, met een woeste Hannibal die eruitziet als een bosjesman. ‘Afrika’ stond voor oerwoud en negers, en alhoewel Carthago in de derde eeuw voor Christus qua beschaving zeker niet onderdeed voor Rome en Hannibal er eerder als Lawrence of Arabia moet hebben uitgezien, was dat toch het beeld waar het om ging: de wilden tegen de beschaving.

Waar was consul Cato gebleven? In Cabiria komt hij niet van pas, omdat de stomme film zich voor dat soort verbale nuances in de Romeinse senaat slecht leende. Cato’s exemplarische figuur voor de hedendaagse Italiaanse politiek duikt pas op in Scipione detto anche l’Africano (1970) van regisseur Luigi Magni. Een typische commedia all’italiana met een knipoog (zie de ironische titel: ‘Scipione ook wel De Afrikaan genoemd’), die op weinig enthousiasme kon rekenen toen hij uitkwam en inmiddels al lang is vergeten. Dit ondanks de absolute topcast: Marcello Mastroianni als legerheer Publius Cornelius Scipio ‘de Afrikaan’, Silvana Mangano als zijn vrouw Emilia Terza, en een geweldige Vittorio Gassman als Cato, die eindelijk zijn wraak op de irritant vereerde Scipione kan voltrekken.

Dappere Romeinen verstoppen zich tussen de met pantervellen en neusbotten uitgedoste Carthagiërs

Het is inmiddels 187 voor Christus, vijftien jaar na de slag bij Zama en de redding van het Romeinse Rijk. Alles gaat weer z’n gangetje, Carthago is onder curatele van Rome gesteld, alhoewel nog niet definitief tot de grond toe verwoest, want dat zal pas in 146 voor Christus gebeuren. Cato blijft zijn ‘Ceterum censeo Carthaginem esse delendam’ dagelijks als een drilboor in de senaat herhalen, maar hij heeft een nog veel belangrijker punt op zijn agenda staan: de ontmythologisering van de irritant vereerde Scipione de Afrikaan, die na de slag bij Zama niet meer stuk kan. Cato was op dat moment ‘censorius’ van de Romeinse republiek, een felbegeerde, gekozen functie die gold als de bekroning op een integere politieke carrière en onberispelijke persoonlijke levenswandel. De censor was de morele opperscheidsrechter van Rome en ging ook over het openbare gedrag van burgers, bestuurders en militairen. Hij kon een rode kaart uitdelen in de vorm van een ‘nota censoria’. Die maakte je tot schande van de gemeenschap en betekende voor senatoren levenslange onverkiesbaarheid en degradatie naar een lagere sociale klasse zonder stemrecht. De censor was gevreesd, en Cato was extra gevreesd vanwege zijn rigide morele criteria.

Medium affiche scipione 3

De film uit 1970 van Luigi Magni is, met al deze wetenschap in het achterhoofd, eigenlijk helemaal niet zo onaardig. Hij focust op het moment dat Cato eindelijk zijn kans schoon ziet om Scipione de Afrikaan te grazen te nemen. Cato heeft daar zo zijn redenen voor, die kunnen worden samengevat onder één eenvoudige noemer: brandende jaloezie. Hij kan het niet uitstaan dat het briljante strategisch instinct van Scipione hem tot de meest geliefde leider van zijn tijd heeft gemaakt. Te meer omdat Scipione zijn credits niet eens wil cashen, en de spontane volksverkiezing tot Dittatore Perpetuo (Eeuwige Leider) lachend van de hand wijst. Scipione heeft het slechts gedaan in dienst van de republiek. Hij maakt zich nogmaals nuttig in Afrika met de campagne in Syrië, waar hij Hannibal voor de tweede keer terugdringt en waar hij van terugkeert met een enorme oorlogsbuit voor Rome, maar nee, zelf hoeft hij niets te hebben. Onuitstaanbaar, zo iemand.

Censor Cato klaagt Scipione dus aan in de senaat vanwege vijfhonderd gouden talenti (de Romeinse munteenheid) die na de campagne in Syrië verdwenen zouden zijn. En jawel, hij heeft het bonnetje. Dit zijn allemaal de historische feiten, waar de film zich nauwkeurig aan houdt. De vondst zit ’m in het psychologische spel tussen de jaloerse Cato en de verontwaardigde Scipione, die zich na Cato’s aantijgingen verbitterd zal terugtrekken in zijn villa in de kolonie Liternum, om op zijn 52ste te sterven onder de verzuchting: ‘Ingrata patria, ne ossa quidem mea habes’ (‘Ondankbaar vaderland, niet eens mijn botten zul je hebben’).

Medium affiche cabiria 1

Vittorio Gassman speelt een soort duivelse Giulio Andreotti, langdurig premier namens de Italiaanse christen-democraten. Het gaat hem niet om die vijfhonderd talenti. Het gaat hem om het tot menselijk formaat reduceren van een held. Want helden zijn gevaarlijk voor de democratie. Als we allemaal gelijk zijn, onze zwakheden hebben, een beetje corrupt zijn, kan het lafhartige evenwicht van het hedendaagse politieke spel in Italië zijn begin hebben. En het lukt hem schitterend, op het moment dat de goudeerlijke held Scipione, gespeeld door de als altijd onweerstaanbare Mastroianni, de schuld die hij niet heeft opbiecht voor de senaat: ‘Ja, ik ben een boef, ik heb me verrijkt met de oorlogsbuit, wat zeg ik, ik had me al lang verrijkt in Carthago, ik heb de mooiste vrouwen van de vijand verkracht als oorlogsbuit, ik heb de bloemetjes buiten gezet, ik…’

‘Hoho!’ onderbreekt censor Cato de uitzinnige Scipione, ‘dit is nu ook weer niet nodig, mijn vriend. Het ging me er alleen maar om dat we allemaal zo’n beetje hetzelfde zijn. Overdrijven dient de zaak niet.’ En hij slaat een beschermende arm om de gevallen held Scipione, die hij met zijn geraffineerde gekonkel en gestook tot de rand van de waanzin heeft gedreven. De Italiaanse politiek in een notendop: iedereen een beetje fout, geen helden, Do ut Des, geef, maar vooral: neem.


Anne Branbergen is correspondent in Italië voor De Groene

Beeld:
Affiches van de films
Cabiria (1914)
Scipione l’Africano (1937)
Scipione detto anche l’Africano (1970)

Foto: Marcello Mastroianni als legerheer Publius Cornelius Scipio ‘de Afrikaan’ in Scipione detto anche l’Africano (1970)