Delicate aardverschuivingen

Patrick Modiano laat elke interpretatie aan de lezer © Nicola Lo Calzo / NYT / HH

Een boek van Patrick Modiano zou je eigenlijk twee keer moeten lezen. Iets is je ontgaan, een clou, een beslissende wending, een gebeurtenis net buiten beeld. Wat is er gebeurd? Waar komt toch steeds die sensatie vandaan dat je iets heel voornaams hebt beleefd, terwijl er objectief gezien zo goed als niets is gebeurd?

Ook nu weer. De straten van Parijs. Een man. Een verleden. Een zoektocht. Aan de hand van wat aantekeningen, een brief, wat gesprekken. Ditmaal gaat het om Noëlle Lefebvre, een jonge vrouw die ooit plotseling verdwenen is, en naar wie de verteller destijds onderzoek moest doen, toen hij kort in dienst was bij het detectivebureau van Hutte, die we nog kennen uit Rue des boutiques obscures (1978).

Het dossier is niet meer dan een steekkaart die verbleekt is, zoals het hier overal om verbleken gaat, maar ook om het omgekeerde proces, waarnaar de titel verwijst: Onzichtbare inkt, zinnen die ineens tevoorschijn kunnen komen als je ze met een speciale vloeistof bestrijkt, zoals een foto in een donkere kamer.

Noëlle is maar kort in Parijs geweest. De verteller dwingt zich zijn onderzoek te herinneren en hoe deze onopgeloste zaak hem in de jaren erna altijd is blijven bezighouden, hoe er telkens weer kleine snippers tevoorschijn kwamen. Maar wie aan een boek van Modiano begint doet dat niet omdat hij de illusie heeft dat er iets opgelost zal worden. Modiano geeft het gevoel heel dicht te blijven bij hoe het in de werkelijkheid gaat: halve herinneringen, het gebied ‘tussen herinneren en vergetelheid’ en hoe delicaat dat gebeurt, merk je pas goed bij dat herlezen – alsof je een goocheltruc opnieuw afspeelt, in slow motion.

Dan ga je ineens letten op het gebruik van werkwoordtijden. In dit boek is een subtiele rol voor de irrealis weggelegd. Bij een poging om zich een gesprek zo goed mogelijk te herinneren betreurt de verteller het dat hij geen bandrecorder had gebruikt, want dan zou hij het kunnen herluisteren: ‘Op de achtergrond zou je voorgoed het geroezemoes van een lentemiddag in de rue de la Convention hebben gehoord en zelfs af en toe geschreeuw en gelach van kinderen die van de nabije school naar huis liepen.’

Is dit dan de eerste Modiano-roman waarin alles wordt opgelost?

Stukje bij beetje, detail voor detail, wordt verspreid door het boek heen een ruimte opgebouwd die het midden houdt tussen herinnering en fantasie. Zo bluft hij tegen degenen die hij ondervraagt soms dat hij Noëlle gekend heeft. ‘Tegen mij zei ze dat ze het vervelend vond om elke dag ’s ochtends en ’s avonds de metro te moeten nemen…’ Zo hoopt hij de anderen informatie te ontfutselen. Maar zonder dat we het in de gaten hadden, hebben die leugentjes ineens meer autonomie en gewicht gekregen. ‘Twee jaar daarvoor, toen ik nog hoopte meer te weten te komen, had ik tegen Gérard Mourade gezegd dat ik Noëlle Lefebvre altijd na haar werk in dat café ontmoette. En terwijl ik zat te wachten, vroeg ik me af of dat wel een leugen was geweest.’

Heeft hij haar misschien toch gekend? En waren zijn spontane verzinsels dan eigenlijk herinneringen? Modiano zal de laatste zijn om daar uitsluitsel over te geven. Hij laat het aan ons om te interpreteren. En in dit boek is dat net weer een stapje sterker dan in voorgaande boeken.

Er zit namelijk een wending in. Op driekwart van het boek zitten we ineens, onaangekondigd, in Rome, dat we waarnemen via een vrouwelijk personage. Een eenvoudige perspectiefwisseling, een kleine stap voor de gemiddelde romanschrijver, maar binnen het oeuvre van Modiano niet minder dan een aardverschuiving. Is de vermiste Noëlle hier ineens zelf aan het woord? Is dit dan de eerste Modiano-roman waarin alles wordt opgelost, waarin het verlangen naar compleetheid, naar het sluitend krijgen van een mensenleven, plotseling wordt ingelost?

Natuurlijk niet. Natuurlijk roept die ingreep alleen maar meer vragen op. Is de man die zij ontmoet en die zij herkent van vroeger de verteller? Waarschijnlijk. Maar is dit de ‘werkelijkheid’ of is de episode in Rome een fantasie van de verteller? Ik denk dit laatste. Noëlle kreeg in de belevingswereld van de verteller vorm in een irrealis, een ambigue ruimte die zowel herinnering kon zijn als verbeelding – de ruimte die geschreven stond in onzichtbare inkt. Hij is die ruimte gaan koesteren, en was juist ‘euforisch’ over het feit dat hij het alléén moest oplossen, dat alle sporen doodliepen. Als hij ontdekt dat ook het internet niet helpt, zegt hij: ‘Des te beter, er zou anders niets overblijven om een boek over te schrijven.’

De passage in Rome is de onzichtbare inkt die ineens zichtbaar is. Niet toevallig ontmoeten de twee elkaar bij een fototentoonstelling. Op zijn vraag of ze al lang in Rome woont, antwoordt ze: ‘Al een eeuwigheid.’ Waardoor er een ander luik openklapt in dit raadselachtige universum: dat naar een meer allegorische lezing. Toch is dit geen magisch realisme, en is ook dit soort gepuzzel niet waarom dit werk zo blijft intrigeren.

Aan het einde herinnert zij zich hém ineens, haarscherp, en besluit dan: ‘Morgen zou zij als eerste beginnen te praten. Ze zou hem alles uitleggen.’ Opnieuw: een minimale wending die overkomt als een grote transformatie. Ineens is zíj het die een wereld oproept – in de irrealis! – niet in het verleden, maar in de toekomst. Om daarna een punt te zetten en het boek te laten eindigen getuigt van grote moed en elegantie.