DeLillo zucht. En lacht ongemakkelijk

Onlangs verscheen Don DeLillo’s Zero K in het Nederlands als Nulpunt. Aanleiding voor een gesprek met de cultschrijver, die zichzelf in interviews moeilijk herkent. ‘Dan denk ik: wie is dat? Over wie hebben ze het?’

Medium hh 6398942

In Mao II treft Scott de fotografe Brita bij de Strand, de beroemde boekhandel vlak onder Union Square in New York. Scott is de assistent van de cultschrijver Bill Gray, die al jaren geen roman meer heeft gepubliceerd en nooit meer in de openbaarheid treedt. Dat wil Scott ook niet; Bill schrijft wel, maar Scott stimuleert dat niet. Hoe langer hij niet publiceert, hoe groter zijn ster wordt, hoe mystieker zijn imago: ‘When a writer doesn’t show his face, he becomes a local symptom of God’s famous reluctance to appear.’

Brita wil hem fotograferen, wat mag, op voorwaarde dat ze de foto niet exposeert zolang Bill leeft. Scott rijdt Brita richting Bill, ver weg van de stad, over steeds smaller wordende wegen, met steeds minder herkenningspunten. Ik heb het gevoel dat je me naar een terroristenleider brengt, zegt Brita. Dat moet je tegen Bill zeggen, zegt Scott, dat zou hij prachtig vinden.

Uiteindelijk verlaat Bill zijn zelfgekozen kluizenaarschap en werpt zich op om te onderhandelen over de vrijlating van een schrijver die wordt gegijzeld in het Midden-Oosten. Wie het werk van DeLillo kent, weet dat dit vanzelfsprekend in volkomen wanhoop en ongeluk eindigt. Met Mao II won Don DeLillo in 1992 de PEN/Faulkner Award, maar de reden dat de roman nog steeds veel in essays en artikelen opduikt, is de link tussen literatuur en terrorisme. DeLillo schreef de roman duidelijk met de Rushdie-affaire in zijn achterhoofd, toen een nieuw verschijnsel in de internationale politiek, nu een terugkerend gegeven. De bekendste oneliner in het boek komt van Bill: ik dacht dat het mogelijk was voor kunstenaars om het bewustzijn van een cultuur te veranderen, zegt hij tegen Brita. ‘Now bomb-makers and gunmen have taken that territory.’

DeLillo is niet Bill Gray, maar dat is een kwestie van gradaties, zou je denken. Hij woont niet in New York, doceert niet aan een universiteit, geeft zelden of nooit lezingen. Zijn interviews zijn zo schaars dat ze in een speciaal boek zijn bijeengebracht. En nu opeens, bij de verschijning van zijn nieuwe roman Zero K – bij Ambo|Anthos in het Nederlands vertaald als Nulpunt – is hij beschikbaar voor interviews. Het is wat regelwerk en je moet ervoor naar New York, maar daar is hij dan, in het huis van zijn agent, aan de Upper East Side van Manhattan.

‘Hi, I’m Don.’

Don DeLillo is klein. Hij heeft een hoog voorhoofd en bijna geen lippen. Hij kijkt continu schichtig om zich heen, een beetje als een kruimeldief die bang is om betrapt te worden. Dit jaar wordt hij tachtig.

Zijn agent brengt ijswater, haar hond komt aan onze voeten liggen. We nemen plaats op de bank die, zoals alle Amerikaanse banken, te zacht is. We zakken erin weg.

Ik heb nooit zoveel met Bill Gray gekund, zegt DeLillo: ‘Van al mijn personages was Bill Gray het moeilijkst om te creëren. Ik zag een foto in de krant van J.D. Salinger. Je kent de foto wel, genomen door een paparazzi. Salinger kijkt verschrikt op, alsof hij geëxecuteerd wordt, intens gekrenkt in zijn privacy. De wereld accepteerde niet dat hij zich terugtrok op z’n heuvel in New Hampshire en geen enkele publiciteit meer wilde, geen interviews meer gaf, geen boeken meer publiceerde. Daar lag voor mij de kiem van het boek. Mao II ging over het individu tegenover de massa. Hoe kun je je nog aan de massa onttrekken, want de massa wil een stempel op je duwen, wil je kunnen duiden.’

Anders dan uw generatiegenoten schrijft u zelden of nooit autobiografisch. Zijn er wel personages met wie u zich persoonlijk verbonden voelt?

‘Het eerste personage dat bij me opkomt is gek genoeg Lee Harvey Oswald, de hoofdpersoon uit mijn roman Libra. Ik had nooit gedacht over hem een roman te schrijven, maar toen ik het officiële rapport las van de aanslag op Kennedy ontdekte ik allerlei parallellen. We hebben in dezelfde tijd in dezelfde wijk in New York gewoond. In de Bronx, hij woonde twee straten verderop, een paar jaar. Het kan niet anders dan dat we elkaars paden gekruist hebben. Ik weet naar wat voor winkels hij moet zijn gegaan, op welk veldje hij speelde, welke metro’s hij nam, hoe de mensen op straat om hem heen spraken. Ik had het gevoel dat ik over mezelf schreef toen ik over zijn jeugd schreef.’

Libra, uit 1988, was de doorbraak van DeLillo; het verscheen precies een kwart eeuw na de aanslag in Dallas. Voor die tijd was DeLillo wel bekend, en geliefd, bij de critici – voor zijn roman White Noise uit 1985 kreeg hij de National Book Award – maar Libra betekende zijn doorbraak naar het grote publiek. De roman valt samen met zijn magnum opus Underworld (1998), aan één kant van zijn oeuvre, de romans die grote gebeurtenissen in de Amerikaanse geschiedenis koppelen aan familieverhalen van outsiders die hun plek in de samenleving zoeken.

De andere kant van zijn oeuvre bestaat uit schijnbaar meer academische romans, waarin vaak kille personages met een baudrillardiaanse afstandelijkheid de moderne wereld om hen heen deconstrueren. Waar Libra en Underworld massa’s lezers vonden, werken die andere romans vooral door bij academici en collega-schrijvers: dit zijn de romans die zijn reputatie als visionair vestigden. DeLillo schreef al ver voor 9/11 over de aantrekkingskracht die de Twin Towers op terroristen moesten hebben, hij schreef ver voor de bankencrisis van 2008 over de abstractiegraad waarmee Wall Street-bankiers fortuinen verkwisten in seconden.

Dit academische perspectief is niet de beste toegang om DeLillo te interviewen, blijkt al snel. Hij weet zich niet heel goed raad met te analytische vragen over de beroemde oneliners uit zijn werk.

Ik heb me veel te goed voorbereid. Ik zie hem al kijken naar mijn A4’tjes vol citaten. Hij houdt Nulpunt in de lucht: ‘Ik schrijf een boek en zodra ik het af heb ben ik het kwijt, dan is het weg. Ik heb hier een exemplaar om terug te zoeken hoe de personages ook alweer heten.’

Op een gegeven moment zegt hij letterlijk: ‘Ik heb een woord in gedachten en daar begin ik dan mee. En na een aantal woorden staat er een zin. Met een punt erachter. En dan denk ik: zo, kijk eens wat ik nu heb geschreven.’

Hij voelt zelf ook dat dat een antwoord is waar je niets mee kunt, waardoor hij zich zichtbaar ongemakkelijk voelt tegenover jou. Hij is absoluut niet terughoudend, of hautain, maar hij voelt dat hij je niet kan geven wat je wilt. Zijn stem is hees, lijkt het elk moment te kunnen begeven.

‘Weet je: ik ga de laatste jaren steeds vaker met vrienden van vroeger om. Jongens met wie ik zestig jaar geleden opgroeide in de Bronx. We zijn allemaal volledig iets anders gaan doen, maar het contact is moeiteloos, vanzelfsprekend. We eten bij restaurants waar we vroeger al kwamen. Dat is wie ik ben.’

In tegenstelling tot?

‘Ik ga steeds vaker met vrienden van vroeger om, uit de Bronx. Het contact is moeiteloos. Dat is wie ik ben’

‘Wat ik bedoel te zeggen is: die man uit de kranten, die Don DeLillo, over wie al die essays en academische studies worden geschreven, dat is iemand anders. Ik lees soms dingen over mezelf en dan denk ik: wie is dat? Over wie hebben ze het?’

U schrijft veel over angst. In elk boek is angst een hoofdthema, voor kernwapens, voor techniek of voor terrorisme. Dat bent u met me eens?

Breed lachend: ‘Daar kan ik in meegaan.’

Waarom?

‘Waarom angst? Omdat we niets zo goed onthouden als trauma. Geluk, liefde, dat valt in het niet bij doodsangst. Angst bepaalt op een heel evidente manier onze identiteit. Waar een land bang voor is, zegt alles over dat land. De VS waarin ik opgroeide waren nergens bang voor; het was een land dat groeide, dat rijker werd, dat machtiger werd – niets kon ons gebeuren. Totdat het omsloeg; misschien wel juist omdat we halverwege de vorige eeuw zo succesvol waren, zijn we dubbel zo geschrokken hoe het mis kan gaan. Politici spelen vandaag de dag moeiteloos in op die angst.’

Wanneer sloeg het dan om en werd het een bang land?

‘Op 22 november 1963, om iets voor half een. Geen gebeurtenis heeft mij als schrijver zo beïnvloed. Ik weet nog dat ik me afvroeg wat voor fictie hieruit zou voortkomen. Toen ik begon met schrijven zat het altijd in mijn hoofd. Mijn debuutroman, Americana, eindigt er ook mee dat de hoofdpersoon in een gehuurde auto door Dallas rijdt, naar Elm Street en Daley Plaza. Die straatnamen kent elke Amerikaan. Ze zijn emblemen van ons nationaal geheugen.’

U noemde de aanslag op Kennedy ooit ‘the seven seconds that broke the back of the American Century.’

‘Ik schreef dat niet over de moord, maar over de video-opname van de moord; de zogenaamde Zapruder tape. Dat was een opname van een amateur, meneer Zapruder, die toevallig vastlegde hoe Kennedy werd geraakt. Jarenlang mochten die opnames niet publiek worden gemaakt. Het was verboden die film te bezitten. Toch had ik er een exemplaar van in die tijd – veel mensen hadden er een – via een vaag handelaartje uit Quebec, die de tapes verkocht vanuit zijn garage. Hij adverteerde in kranten met rare teksten. Alleen de goede verstaander begreep wat hij te koop aanbood.’

De beelden zijn vreselijk; enorm grafisch.

‘Ik heb op een filmfestival eens voorgesteld de beelden te vertonen. Dat hebben ze gedaan; de opnames zijn maar 26 seconden, maar met stop action, slowmotion en herhaling werd het tien minuten. Het was afschuwelijk. De zaal kon het niet aan. Het is het oorspronkelijke trauma, de gebeurtenis die onze nationale identiteit volledig veranderde.’

Medium hh 6398944

Elk boek van Don DeLillo lijkt een mantra te hebben. Meestal is het een zin waarmee het eerste hoofdstuk begint of afsluit. Door het boek heen duikt die zin, in verschillende gedaantes, herhaaldelijk op. ‘The future belongs to crowds’ is de slotzin van het eerste hoofdstuk van Mao II, een opmerking die als een onweerswolk boven de roman blijft hangen. ‘What comes after America?’ is een vraag die door Falling Man (2007) blijft echoën, terwijl een New Yorks gezin lamgeslagen is na de aanslagen van 11 september en geen weg vooruit of achteruit ziet. In White Noise aanschouwt professor Jack Gladney de techniek en moderniteit die het gevoel van vooruitgang en veiligheid moeten geven, maar daardoor het menselijk lichaam extra wijzen op zijn kwetsbaarheid, zijn onvoorspelbaarheid. Hoe veiliger en rijker hun levens lijken, hoe sterfelijker hij en zijn vrouw Babette zich voelen. Hun favoriete gespreksonderwerp: ‘Who will die first?’

De eerste zin van Nulpunt is: ‘Iedereen wil zich het einde van de wereld toe-eigenen.’ ‘Everybody wants to own the end of the World.’

Het gaat verder: ‘Dat zei mijn vader toen hij voor de gewelfde ramen van zijn kantoor in New York City stond – particulier vermogens- en trustbeheer, opkomende markten. We deelden een zeldzaam, contemplatief moment in de tijd met elkaar dat vervolmaakt werd door zijn vintage zonnebril die de avond binnenhaalde. Ik bekeek de kunst in het vertrek, divers abstract, en het begon tot me door te dringen dat de zich uitstrekkende stilte die op zijn opmerking volgde aan geen van ons beiden toebehoorde. Ik dacht aan zijn vrouw, de tweede, de archeologe, wier geest en aftakelende lichaam binnenkort, volgens de planning, de leegte in zouden zweven.’

Het leeuwendeel van Nulpunt speelt zich af in een ondergronds complex genaamd de Convergentie, ergens in de woestenij van het grensgebied van Oezbekistan, Kirgizië en Kazachstan. Jeff Lockhart bezoekt zijn vader, Ross, om afscheid te nemen van zijn stiefmoeder Artis, de archeologe, die MS heeft en zich laat invriezen, met de hoop later weer tot leven gewekt te worden. Jeff kan het invriezen net begrijpen, maar wat hij niet kan vatten is dat zijn vader, een kerngezonde miljardair van in de zestig, zegt dat hij een beslissing heeft genomen: hij wil zich ook laten invriezen. Tegelijk met Artis, zo snel mogelijk.

Hoe zouden Jack en Babette Gladney van White Noise naar Ross Lockhart kijken, denkt u?

DeLillo glimlacht pijnlijk. Hij heeft een blik alsof je hem voor iemand aanziet die hij niet is: ‘Voor mij is White Noise heel lang geleden.’

‘We onthouden niets zo goed als trauma. Geluk, liefde, dat valt in het niet bij doodsangst. Angst bepaalt onze identiteit’

Zo’n beetje het enige waar Jack en Babette over nadenken is hun angst om te sterven. Zouden ze denken dat Ross die angst heeft overwonnen, of er juist aan onderdoor gegaan is?

‘Everbody wants to own the end of the World. Je kunt het werkwoord “to own” op twee manieren uitleggen. “Ownen” als bezitten, alsof het een materieel iets is, dat je kunt verhandelen. Of je kunt het uitleggen als “de baas zijn”. Het is evident dat Ross zijn sterfelijkheid de baas is op een manier zoals Jack en Babette dat nooit zullen zijn. Maar toch kun je zijn wens om ingevroren te worden op verschillende wijzen interpreteren. Ross heeft het erover dat hij klaar is om zijn bewustzijn naar een plek te brengen die de geschiedenis ontstijgt, en weer bij te komen in een verre, posthumane toekomst. Je kunt het ook zien als een vlucht naar voren. Zijn vrouw overlijdt, hij wil niet zonder haar, dus volgt hij haar de dood in. Je kunt het ook als heel romantisch zien. Ik denk eerder dat dat het is: hij wil niet zonder haar, en dus probeert hij zijn zoon, en misschien ook zichzelf, wijs te maken dat al die andere, posthumane, toekomstvisioenen ertoe doen.’

Zit er ook een commerciële kant aan? Slavoj Zizek schreef: we kunnen ons eerder het einde van de wereld voorstellen dan het einde van het kapitalisme. Ross Lockhart heeft precies daarmee zijn fortuin verdiend. U schrijft dat hij is gevormd door zijn geld, ‘met zijn analyses van het winsteffect van natuurrampen’. Waar anderen dood en verderf zien, ziet hij winst.

‘Tsja’, zegt DeLillo. ‘Interessant.’ Weer zo’n ongemakkelijke blik.

Of moet je het zien als een oefening in persoonlijkheid? Een van de leden van de Convergentie houdt een gloedvolle speech dat het brein in ingevroren toestand een autonome vorm van bewustzijn volhoudt, maar dat dat een ‘eenzaamheid in extremis’ is. Het brengt de mens naar, schrijft u, ‘zijn waarachtigste betekenis. Al één. Het ik. Wat is het ik? Alles wat u bent, zonder anderen, zonder kennissen of bekenden of geliefden of kinderen of straten om doorheen te lopen of voedsel om te eten of spiegels waarin u zichzelf kunt zien. Maar bent u wel iemand zonder anderen?’

DeLillo zucht. En lacht: ‘Dat heb ik allemaal geschreven ja.’ Hij bladert door zijn exemplaar van Zero K, op zoek naar de passage, vindt hem niet, legt het boek weer weg.

Wat ik wil zeggen is: uw hoofdpersonen zijn vaak mannen die hun persoonlijkheid willen testen. Die een confrontatie met hun angsten opzoeken om te zien of ze zelf werkelijk zijn.

‘Dit boek begon voor mij met twee dingen. Het eerste was Ross. Hij heet Ross Lockhart, die naam had ik in mijn hoofd, hij moest Ross Lockhart heten – en daarna wist ik meteen: dat is niet zijn echte naam. Hij heeft zichzelf zo genoemd.’

Veel van uw romans hebben personages die iets met hun naam hebben, personages met valse namen, aliassen, of personages die hun naam hebben veranderd. Uw roman The Names gaat over een cult die mensen vermoordt gebaseerd op hun namen: hun initialen moeten overeenkomen met de plaats waar ze wonen.

‘Juist. Je naam is nogal iets. Misschien is het heel Amerikaans – het voelt voor mij in ieder geval heel Amerikaans om je naam te veranderen. Om je eigen identiteit in je handen te nemen en van jezelf te maken wat je wilt. Dat is de Amerikaanse droom, toegepast op het meest basale van wie je bent: hoe je heet. Denk aan The Great Gatsby, die eigenlijk geen Jay Gatsby heet, maar Jimmy Gatz.’

De kinderen van de hoofdpersonen in Falling Man hebben het steeds over ‘Bill Lawton’ – hun ouders begrijpen niet wie die man is die hun verbeelding zo getroffen heeft. Uiteindelijk blijken ze het over ‘Bin Laden’ te hebben.

‘Je haalt zijn naam weg, draait wat letters om en al het omineuze is dagelijks geworden, saai, ongevaarlijk.’

Jeff, de verteller van Nulpunt_, hoort op een gegeven moment iemand zich voorstellen als Ben Ezra, en bedenkt dan dat hij het jammer vindt dat hij zijn naam nu kent. Hij had liever zelf een naam bij hem bedacht._

DeLillo lacht, verlegen. ‘Inderdaad!’ Hij denkt even en zegt dan: ‘En Jeff gelooft hem niet. Hij denkt dat Ben Ezra een te goede naam is, voor de helft joods en voor de helft Arabisch. Die naam moet wel verzonnen zijn. Mijn personages zijn vaak selfmade constructies, dus ze zien die constructie ook in anderen.’

Wat is het tweede ding waarmee deze roman voor u in uw hoofd begon?

‘Ik zag een stad voor me aan de rand van de woestijn. Hoge gebouwen, flats, wolkenkrabbers, en naast die wolkenkrabbers helemaal niets. Die plek, dat helemaal niets, vond ik in Oezbekistan. Die hoge gebouwen verdwenen in mijn hoofd uiteindelijk onder de grond, letterlijk. Ik bedacht een ondergrondse stad. Wat die stad was wist ik niet, daar heb ik heel lang over nagedacht. Ik zag uiteindelijk iets voor me wat het midden hield tussen een ziekenhuis en een performance art-installatie. Er zijn deuren die niet open kunnen, kamers zonder ramen, grote schermen waarop terreuraanslagen en natuurrampen geprojecteerd worden, en er zijn artsen en cellen waarin menselijke lichamen voor millennia bewaard kunnen blijven. Dat is de Convergentie waar Jeff doorheen loopt. Hij weet niet of de plek een grote grap is of bloedserieus.’

En wat denkt u?

‘Een grap of serieus? Geen idee. Your guess is as good as mine.

Weer lacht hij heel verlegen, als een klein kind, opgelaten. Ik wil hem zowel omarmen als uit het raam gooien.


Beeld: (1) Don DeLillo (Sara Krulwich / The New York Times / HH); (2) Don DeLillo - ‘Dat heb ik allemaal geschreven ja’ (Sara Krulwich / The New York Times / HH)