Deling

Meestal begint het rond vier uur ’s nachts. Je wordt wakker van een nare, misselijkmakende hunkering die nauwelijks op honger lijkt – het is een vorm van pijn die zich niet meer laat negeren. Meestal sta je op, sluip je de trap af en eet, leunend tegen het aanrecht, een boterham, cracker of een dik stuk kaas. Op de ergste nachten bak je ook eieren, open je een zak kant-en-klare linzensoep of grabbel je, beschaamd, een frikadel uit het vriesvak.

Je bent een voertuig, onzichtbaar aangestuurd. In de gangbare boeken zoek je naar een adequate beschrijving van de situatie. Maar over de kleine oorlog die in je lichaam gaande is, tref je weinig aan. Er is veel aandacht voor Grote Emoties, er zijn handige lijstjes met aan te schaffen zaken, er zijn nogal knullige stukjes tekst speciaal voor de aanstaande vader (‘is je vrouw erg misselijk, neem haar dan wat werk uit handen en zorg voor het avondeten’).

Je houdt niet van de toon van veel tijdschriften. ‘Van moedermelk tot me-time, tien manieren om van borstvoeding een feestje te maken!’ Er zijn sowieso te veel woorden waar je je aan stoort, met als voorlopig dieptepunt de huiveringwekkende term ‘onderkantje’. Alle informatie lijkt te draaien om het samenzijn, de twee-eenheid. Je vraagt je af waarom de taal zo sturend is. Wat moet er precies bezworen worden, verborgen gehouden of verzacht? Je wil nu juist weten waar de grenzen lopen, waar jij ophoudt en de ander begint. Hoe je dit lichaam moet delen zonder elkaar in de weg te zitten. Hoe je je denken verdedigt, je woordenschat behoudt, je geheugen beschermt.

Er zijn andere boeken, wetenschappelijker van aard, waarin je de feiten aantreft. De strijd om het bloed, de touwtrekkende hormoonhuishouding, het kapen van voedingsstoffen en de talloze minuscule regelingen en wijzigingen – veelal ten gunste van het nieuwe leven, ten koste van het oude. Jij bent het oude. ‘Het is uiteindelijk natuurlijk wel een parasiet’, zegt je moeder opgewekt, wanneer je deze merkwaardige tweedeling in leesvoer ter sprake brengt. ‘Maar misschien willen ze niet dat je dat wéét, als het eenmaal zover is.’ Je vraagt je af wie ‘ze’ zijn. Je voelt je overrompeld door je eigen omvang. Je voelt je onvoorbereid wanneer je een winkel betreedt, tussen rompertjes met teksten als ‘Mijn mama is de liefste’ of ‘Stoere bink!’

Thuis hang je een gedicht van Ingmar Heytze op de koelkast. Het is geestig en droevig en eindigt gelaagd, met een magazijn waarover je je dingen af blijft vragen. Nu zou je het liefst een tijd lang alleen maar willen schrijven over de merkwaardige staat waarin je je bevindt, iets tussen Maagd Maria en marionet, maar het is ingewikkeld.

Je schrijft ‘je’ omdat het een afstand creëert die je mist. Je schrijft ‘je’ omdat het dan minder opvalt, hoe je scherpe blik overwoekerd is door bloeiende sentimenten. Je bedoelt natuurlijk ‘ik’. (Ik hoor het hartje kloppen, van je hop, hop, hop, paardje in galop. Ik aai mijn buik. Ik zeg dat het een voorrecht is, een wonder dat het groeit, dat het al kan duimen, dat het op onbegrijpelijke wijze ’s nachts om voedsel vraagt. Ik slaap tegenwoordig met een banaan naast mijn bed.)

PRENATAL

De verkoopster brengt een derde
van haar leven tussen babyspullen door.
Op trage dagen telt ze na hoever ze is.

Ze heeft geen man, soms
een verdwaalde vader op de toonbank
tussen pakken Nutrilon, rond sluitingstijd.

Eens per maand komt ze achter de kassa vandaan,
loopt naar het einde van de rij,
omhelst een bleke moeder, wijst vragend

naar de klapdeur van het magazijn.

Ingmar Heytze, 2018, niet eerder gepubliceerd