Hofland, de essayist

Demasqué van de democratie

In zijn lange loopbaan als essayist heeft Hofland zich ontwikkeld van politiek betrokkene, via betrokken buitenstaander naar een koele observator. Zijn stilistisch meesterschap bleef altijd.

Medium hh 01232390

Hofland is altijd een groot lezer geweest. Niet in de laatste plaats, met name aan het begin van zijn carrière, van auteurs die het soort stukken schreven dat hijzelf ook wilde schrijven: ‘het literair-politieke stukje dat eventueel kan uitgroeien tot een essay’. George Orwell was een voorbeeld, zoals voor zoveel essayisten, misschien vooral door zijn kristalheldere en directe stijl, gespeend van elke dikdoenerij, handelsmerk van het beste uit de Angelsaksische essaytraditie. In zijn Memoires van een journalist (1989) schrijft Hofland dat in de periode van na de Tweede Wereldoorlog tot aan de jaren zestig de dagbladen als aandeelhouders moesten worden gezien van 'het Bestel’ en de journalisten als de bedienden van de aandeelhouders. Bijna iedereen zou volgens Hofland 'collaborateur in de halve waarheid’ zijn geweest en ook zichzelf ontziet hij niet, al zou hij er dan geen 'tweede natuur’ van hebben gemaakt. Maar zijn vroege stijl getuigt interessant genoeg juist van die tweede natuur die de journalistiek toen eigen was: een zekere plechtstatigheid, om niet te zeggen gezwollenheid, een neiging tot lange zinnen met veel onderschikkingen, met andere woorden: een onpersoonlijke stijl die de lezer wel als laatste zou associëren met de Hofland van nu of die van S. Montag.

De vroege Hofland onderscheidde zich in stijl nauwelijks van zijn vakbroeders (vakzusters waren er nog niet of nauwelijks), maar des te meer van de essayistische stijl van degene die hij altijd zozeer bewonderd heeft: W.F. Hermans, de stijl die we nog altijd als bij uitstek literair karakteriseren. Maar geïnspireerd door het voorbeeld van de Angelsaksische essaytraditie en ook die van het Nederlandstalige literaire essay zou Hofland zichzelf ook stilistisch als het ware uit het knellende Bestel schrijven, alsof hij als stilist deel uitmaakte van de democratiseringsprocessen van de jaren zestig en zeventig die hijzelf zou gaan beschrijven en becommentariëren.

In het moeilijk te overschatten Tegels lichten of ware verhalen over de Autoriteiten in het land van de voldongen feiten (1972) leek Hofland nog de hele wereld te willen verklaren en dat had zijn weerslag op de stijl. De inzet was hoog, eigenlijk is het ook een zeer serieus boek, ondanks de titel. De bevrijding van Hofland als stilist vindt plaats in de Haagse Post, in de jaren zeventig, waarvan veel is terug te vinden in Betrekkelijke kleinigheden (1976) en Twee helden uit de jaren zeventig (1979). En dan ook nog in het genre dat Hofland als een journalistieke uitwas zag van de democratisering, zij het niet in deze termen: de column.

Waar voor mindere goden de column een vrijplaats bleek voor veel onbenulligheid (K.L. Poll sprak ooit van een 'kermis van kleinspraak’) hebben Jan Blokker en Hofland eind jaren zeventig zelf gepleit voor de kwaliteitscolumn. Want zeker voor Hofland heeft de column louterend gewerkt: kortere zinnen, dat ten eerste, meer speelse beeldspraak en een grotere directheid. En dit gaat gepaard met een verschuiving van de blik van bovenaf naar de blik van onderop, of van verderaf naar dichterbij, van vooral redeneren naar ook goed kijken, van aandacht voor wat mensen zeggen of pretenderen te zijn, naar aandacht voor wat ze doen (vooral als het gaat over Van Agt zien we die verschuiving het mooist). Wie iets goed laat zien, wat nog niet zo makkelijk is, hoeft er eigenlijk geen commentaar meer bij te geven. Het primaat van de mening, wat de meeste columns in de kranten van nu nog steeds zo ongenietbaar kan maken, is bij Hofland al vanaf het begin bij de Haagse Post het primaat van de observatie geweest, en van de analyse natuurlijk, al zou je kunnen zeggen dat bij Hofland de nadruk op de laatste en bij Montag de nadruk op de eerste ligt.

Hoflands stijl, de stijl dus waarmee we hem nu vereenzelvigen, heeft definitief gestalte gekregen in de jaren zeventig, in een tijd van de onstuitbare democratisering. Tegelijkertijd was die democratisering een van Hoflands terugkerende onderwerpen, soms direct, dan weer indirect. Hoflands stijl is onlosmakelijk verbonden met zijn visie op democratisering en democratie. Een interessante relatie tussen vorm en inhoud.

Hoflands stilistische bevrijding (of democratisering) uit het knellende Bestel gaat hand in hand met een positieverschuiving die zich als het ware in omgekeerde richting voltrekt. Aanvankelijk was hij, en vooral in Tegels lichten, de politieke participant, de politiek betrokkene. Hierin lijkt hij bovenal geïnspireerd door Bericht aan de rattenkoning (1966) van Harry Mulisch. De eerste zinnen uit Tegels lichten: 'Dit is de wordingsgeschiedenis van een verbazing; de verklaring waarom de meeste mensen, massa’s en bewindvoerders mij door brutale (onbeschaamde, naakte, grijnzende) domheid hoe langer hoe meer afschuw bezorgen’, lijken een directe, van eenzelfde emotionaliteit getuigende echo van het voorbericht uit Mulisch’ pamflet: 'Dit bericht behandelt de geschiedenis van Amsterdam in de periode 1965-1966. Het is geschreven in augustus 1966, in een drie weken durende woede- en lachaanval.’ Wat Tegels lichten en Bericht aan de rattenkoning hoe dan ook gemeen hebben, is dat ze 'niet alleen handelen over de gebeurtenissen, maar ook deel zijn van de gebeurtenissen’, in een karakteristiek die Mulisch zelf van zijn verslag heeft gegeven. Beide zijn dus zelf een uiting van de democratisering die erin beschreven wordt.

Voor de lezer van toen, in 1972, was het volstrekt duidelijk waar de sympathie van Hofland in die dagen lag. Dit blijkt alleen al uit de talloze manieren waarop hij de toenmalige elite, de 'regenten’, in de termen van Mulisch, de maat nam. Wat ze maatschappelijk gemeen hebben is dat ze ervan overtuigd waren het onvervreemdbare monopolie te hebben op het onderlinge bekokstoven, bedisselen en ondershands regelen. De door Hofland gelichte tegels laten een elite zien die langzamerhand dit monopolie aan het verliezen is, of het nu gaat om de politieke blunders rond de dekolonisatie van Nederlands-Indië, om burgemeesters die in de oorlog ronduit fout waren geweest, of, na de oorlog, om al die pogingen van de oude elite om het Bestel weer in oude glorie te herstellen, of beter gezegd: gewoon te continueren.

Maar wat Hofland nadrukkelijk niet doet in Tegels lichten, hoezeer hij ook op de hoogte was van de wetenschappelijke literatuur, vooral van de sociologische, is een geschiedenis schrijven van de jaren vijftig en zestig. Een journalistiek verslag is het ook niet. Wat hij wel doet, en zoiets was nog nooit vertoond in Nederland, is een precieze beschrijving geven van het idioom van de naoorlogse democratie. Het woord 'democratie’ zelf komt in het boek vrij weinig voor, maar het is wel duidelijk waar democratie op neerkomt. Voor Hofland is democratie (in de woorden van Menno ter Braak, die in veel van wat Hofland schrijft meeklinkt) een 'stuk atmosfeer’ dat men wil behouden, geen verzameling onwrikbare waarden. Voor het naoorlogse establishment werd zij al gauw een middel om zich af te zetten tegen het communisme. De kloof tussen democratie als idee en de democratische praktijk van alledag probeert Hofland op het spoor te komen door te kijken naar het taalgebruik.

Het karakter van de democratie van de naoorlogse jaren van ontzuiling en het einde van de ideologie, van restauratie en de opbouw van de welvaartstaat, wordt in de eerste plaats weerspiegeld in 'eufemistentaal’. Enerzijds laat deze eufemistentaal mensen in de waardigheid die ze dankzij de welvaartsdemocratie hebben verworven, anderzijds worden maatschappelijke conflicten verdoezeld. Belangen kunnen minder scherp worden waargenomen, standpunten worden verzwakt. De geoefende gebruikers van de eufemistentaal creëren hiermee een afstand die het gezag van de elite veiligstelt. Terwijl de propagandataal van de Koude Oorlog de tegenstellingen tussen het Westen en de buitenwereld scherper maakt, dekt de eufemistentaal elke interne tegenstelling toe: 'Arme ongeschoolde drommels werden niet meer tot levenslang in het pauperdom veroordeeld, maar als minder-draagkrachtigen taalkundig van een beter lot voorzien. Met behulp van de eufemistentaal kan ieder sociaal, lichamelijk of geestelijk gebrek in een betrekkelijk passabel kwaaltje worden omgezet.’

Men zou de eufemistentaal kunnen opvatten als een complot om de mensen in het gareel te houden, maar dat is niet Hoflands punt. De eufemistentaal maakt deel uit van een breder idioom waarin autoriteiten kunnen bekokstoven en waarin burgers in het tijdperk van het einde van de ideologie een nieuwe plek verwerven. Zo eindigt een analyse van de filosofie van het nieuwe management dat het einde van het tijdperk van de industriële samenleving afkondigt, met de stelling dat de teamworker weliswaar tot de laatste uitgave van de nieuwe mens is verklaard, maar dat deze nieuwe mens net zo weinig te vertellen heeft als de overleefde robot uit het industriële tijdperk.

Op de huidige lezer komt de massieve kritiek op de elite (het Bestel, de 'bananenmonarchie’) een beetje clichématig over, maar ze krijgt ook een nieuwe betekenis in de context van de manier waarop rechtse populisten de 'oude politiek’ of de 'linkse kerk’ op de korrel namen, van Pim Fortuyn tot Martin Bosma. Het leek ook wel of Hofland tijdens een radio-interview zelf verrast was door Bosma’s De schijn-élite van de valse munters (2010), dat hij niet zonder meer als onzin terzijde wilde schuiven. Bosma’s titel alleen al staat in een lange traditie van wat je de twintigste-eeuwse 'doemboeken’ zou kunnen noemen. Een van de eerste daarvan, Julien Benda’s Het verraad der klerken (1927), wordt nog regelmatig in Hoflands columns geciteerd. Maar dat Hofland in Tegels lichten niet in de val van een simplistisch populisme is gevallen, komt vooral door de manier waarop hij 'het volk’ beschrijft.

Terwijl de elite het in zijn ogen nooit goed kon doen, is Hofland in zijn beschouwingen over 'de massa’ veel genuanceerder, ook veel genuanceerder dan Mulisch trouwens. Aan de ene kant constateert hij dat de elite alles buiten de massa om wil doen, aan de andere kant is er sprake van een stijgende reserve tegenover de aanspraken van het volk. Door de welvaart, als gevolg waarvan de emancipatie- en democratiseringscultuur hoogtij viert, krijgen burgers steeds meer te zeggen. Maar wát ze vervolgens zeggen, staat Hofland steeds minder aan. De woede, afgunst en rancune die tegenwoordig overal de kop hebben opgestoken, lieten ook toen al diepe sporen na in het publieke debat.

Na Tegels lichten wordt Hofland, gedwongen ook door het kort bestek van de column én doordat hij als het ware zijn alter ego S. Montag mee laat lezen (en schrijven), van een analytische, een steeds meer observerende en afstandelijker commentator. Was hij eerst betrokkene, later wordt hij steeds meer betrokken buitenstaander. Misschien dat daarom een volgende poging tot een 'grote greep’ wel moest mislukken: De elite verongelukt (1994). Want hierin maakt hij geen speels gebruik van doemboeken als die van Benda, maar voegt hij zich bijna kritiekloos in deze traditie. De pijlen zijn ditmaal gericht op een andere elite, en wel de elite waartoe Hofland zelf is gaan behoren: de literair-culturele klasse die zich zou hebben laten verleiden door Schöngeisterei, de klasse ook die de universaliteit van haar eigen westerse waarden lijkt te hebben verraden. Opmerkelijk genoeg bleek De elite verongelukt (1994) eenmalig, hoe groot de inzet ervan ook was. Wellicht omdat van alle lezers van Hofland hijzelf altijd de meest kritische was.

Zijn definitieve vorm als betrokken buitenstaander vindt Hofland na de eeuwwisseling in zijn politieke commentaren in NRC Handelsblad en De Groene Amsterdammer. De grote greep blijft nu achterwege. Zijn politieke commentaren bestrijken een breed terrein van binnenlandse en buitenlandse politiek. Alleen al zijn columns over Bush (George W.) zouden een aparte bundeling rechtvaardigen. Hij is er snel bij om te wijzen op de rampzalige gevolgen van de interventie in Irak, en in het verlengde hiervan op de slaafse volgzaamheid van het kabinet-Balkenende op dit cruciale onderdeel van de buitenlandse politiek. In de binnenlandse politiek registreert hij met verbazing de enorme politieke en culturele omslag die we nu verbinden met de namen van Fortuyn en later Wilders. Het is duidelijk dat deze populisten niet op zijn sympathie hoeven te rekenen: Fortuyn is een kwibus en Wilders acht hij verantwoordelijk voor een 'gluipend racisme’, ook al wijst hij gemakzuchtige vergelijkingen met de NSB juist van de hand.

Keer op keer wijst hij op deze belangrijke les van zijn leermeesters Menno ter Braak en Jacques de Kadt: wie deze populisten wil bestrijden moet zich eerst afvragen waaraan zij hun succes te danken hebben. Voor het antwoord op deze vraag herneemt Hofland bekende thema’s uit Tegels lichten: enerzijds de falende elite van de middenpartijen die zich veel te lang hebben verschanst achter de dijken van het poldermodel. Op dit punt is er grote continuïteit met Tegels lichten: er valt werkelijk niets positiefs over de huidige politieke klasse te vertellen. Anderzijds het proces van democratisering dat ten opzichte van de jaren zestig en zeventig is geëvolueerd in een richting die hij in geconcentreerde mini-essays aan een welhaast klinisch onderzoek onderwerpt.

Deze democratisering heeft de mondige, geïndividualiseerde en 'gedekoloniseerde’ burgers vanaf de rijke jaren negentig gedepolitiseerd en opgesloten in een getto van het consumentisme. Het publieke domein is in de loop van de jaren negentig een grote evenementenhal geworden, terwijl de voor een levendige democratie zo vitale publieke meningsvorming is weggekwijnd. Niet omdat, zoals in Tegels lichten, de feiten aan het zicht onttrokken werden, maar omdat de feiten helemaal niet meer tellen en iedereen overal een mening over heeft. Met deze wildgroei van het columnisme - in iedereen schuilt een columnist - stuiten we ook op de grenzen van het genre. Het Ik-tijdperk van eind jaren zeventig, begin jaren tachtig heeft geleidelijk ruim baan gemaakt voor wat hij 'Het tijdperk van het Boven-Ik’ noemt.

Onderkoeld schrijft Hofland dat hij met alle respect voor de integriteit van ieder individu toch moet zeggen dat hij van de algemene mondigheid niet de hoogste dunk heeft. Ook hier grote continuïteit met Tegels lichten, maar er is ook een belangrijk verschil. In de jaren zeventig heeft democratie voor Hofland nog een januskop: aan de ene kant belooft democratie emancipatie en bevrijding, maar aan de andere kant brengt zij ook ressentiment en afgunst voort bij degenen die uiteindelijk niet mee kunnen komen. Het ressentiment is in het afgelopen decennium de boventoon gaan voeren. De politiek der gematigden is in alle opzichten mislukt, voor de publieke intellectueel is een requiem op zijn plaats en de opstandige burgers bewerkstelligen het definitieve demasqué van de democratie. Schelden, razen, tieren, beledigen, het is in de totaal gedemocratiseerde postfortuynistische samenleving de courante politieke omgangstaal geworden. Altijd zeggen wat je denkt - de bekende slogan van Fortuyn - komt in de ogen van Hofland neer op de vernietiging van de politiek. De wrok die Ter Braak in de jaren dertig al signaleerde is zeventig jaar later een nog veel wijder verbreide emotie. Door de digitalisering is de wrok bovendien mondiaal geëmancipeerd.

De democratische nood lijkt de afgelopen tien jaar dus groter dan ooit en lijkt zelfs een eindpunt te hebben bereikt. En paradoxaal genoeg is het buitenstaanderschap zozeer een tweede natuur geworden dat de grote emotionaliteit die Tegels lichten nog kenmerkte geheel op de achtergrond is geraakt. Maar je kunt ook zeggen dat die emotionaliteit van toen juist gemotiveerd werd door een ondanks alles hardnekkig geloof in de mogelijkheden van de democratie, een geloof dat nu lijkt verdwenen. Hofland heeft zich uiteindelijk ontwikkeld van politiek betrokkene, via betrokken buitenstaander naar een koele observator. Het stilistische meesterschap dat Hofland de P.C. Hooftprijs heeft opgeleverd, daarvoor lijkt hij met een andere prijs te hebben betaald: dat zijn schrijven uit ergernis en engagement, als deel van de gebeurtenissen, als behorend tot het democratisch krachtenveld zelf, is gaan verkeren in een wat gelaten verwondering.


Sjaak Koenis is universitair hoofddocent wijsbegeeerte aan de Universiteit Maastricht. Jan de Roder is Neerlandicus aan dezelfde universiteit

Beeld: Henk Hofland 1975 (steye raVIeZ / HH )