Ger Groot

Democratie

De Palestijnen hebben gestemd, Hamas stevent af op een meerderheidsregering en het Midden-Oosten heeft er een probleem bij. Toch is bij deze verkiezingen alles volgens het boekje verlopen. Het Westen, dat zich opwerpt als de kam pioen van de democratie, zou dus niet mogen klagen – ook niet wanneer de uitkomst wat minder goed uitkomt, zo liet de Arabische wereld fijntjes weten.

Toch kent ook zij haar democratische paradoxen. In Algerije werden in 1991 de verkiezingen abrupt afgebroken en het Islamitisch Heilsfront (FIS) verboden, toen het de grootste partij geworden was. Uit naam van de democratie werd zij zelf door het leger onmogelijk gemaakt, waarna een lange en bloedige burgeroorlog volgde.

Zo ver is het in Palestina nog niet, maar ook daar blijkt de democratie plotseling gênant te zijn geworden. Dat stelt de westerse wereld als haar mondiale voorvechter voor pijnlijke vragen. Hoe universeel is de superioriteit van deze regeringsvorm werkelijk? Hoe onbeperkt is de geldingskracht en toepassing van dit panacee dat wereldwijd wordt aangeprezen als de oplossing voor alle politieke kwalen? Zo onaantastbaar is het prestige van de democratie geworden dat zij bijna tot een nieuw taboe heeft kunnen uitgroeien. Kritische vragen stellen over haar universele toepassing geldt op z’n minst als een teken van slechte politieke smaak.

De kracht van een taboe is recht evenredig aan de fragiliteit van wat het beschermt. En dat democratie een uiterst breekbaar bouwsel is, wordt door vrijwel niemand betwist. Hoe gemakkelijk zij ertoe kan overgaan haar eigen beginselen te loochenen wordt archetypisch aangetoond door de uitentreuren van stal gehaalde verkiezingsoverwinning van Hitler in 1933, waarna het met de politieke vrijheid snel gedaan was.

Toch kozen de Duitse burgers in dat jaar bij lange na niet in meerderheid voor de NSDAP. Haar relatieve meerderheid was zelfs nog een stuk kleiner dan die van het FIS in 1991. Evenmin was het de politieke misrekening van Hindenburg en Von Papen die nood zakelijkerwijs tot een catastrofe moest leiden. Hun vertrouwen dat regeringsverantwoordelijkheid Hitler wel tot matiging zou nopen, was op zich niet onzinnig. Inmiddels had de maatschappelijke situatie het politieke bestel echter zo ver ondermijnd dat er van politieke redelijkheid geen sprake meer was.

Hitler kon zijn slag slaan omdat straatterreur iedere evenwichtskunst had weggevaagd. Als staatsvorm kan de democratie niet bestaan zonder geworteld te zijn in een democratische cultuur. Zij veronderstelt een redelijk functionerende samenleving, waarin de burger zich als citoyen én bourgeois van zijn burgerschap bewust is – en zowel bereid als in staat is dit te ontplooien.

Democratie is dus niet alleen een politiek stelsel met formele regels van actief en passief kiesrecht, maar ook een cultuur die een zekere Bildung veronderstelt. Zonder de tweede raakt de eerste al snel uit balans, met catastrofale gevolgen. Een beetje democratie is – net als a little learning – een gevaarlijk ding, wanneer men vergeet dat zij ook een maatschappelijke geest en opvoeding daartoe veronderstelt, en daarenboven een minimale rust in de collectieve gemoedsgesteldheid.

Wanneer een formeel correct bestel slechts de huls vormt van een instabiele maatschappelijke situatie raakt het gemakkelijk explosief. Zelfs de landen die zichzelf door de eeuwen heen gaandeweg tot een democratisch bestel hebben weten op te voeden, zien zichzelf in noodsituaties genoopt de werking daarvan in te perken of op te schorten.

Daarmee krijgt de democratie iets van een luxeartikel. Ze is de uitkomst van een proces dat beschaving, bestaanszekerheid en welstand heeft gebracht – en is voor haar succes mede daarvan afhankelijk. Daarbinnen blijft zij het einddoel en het criterium van een geslaagd politiek bestel. Maar ze kan dat alleen zijn wanneer zij onder haar beide gedaanten, politiek én maatschappelijk, gerealiseerd is – en zoiets vraagt een lang proces van onderlinge wisselwerking. Is dat niet het geval, dan wordt zij op haar best het pronkgewaad van een autoritair of corrupt bestel, en op haar gevaarlijkst een ongeleid projectiel.

Een oplossing voor de Palestijnse situatie, waar de democratie onder te hoge druk moet functioneren om evenwichtig te blijven, is daarmee niet gegeven. Men wenst de leiders van de verschillende internationale partijen de grootst mogelijke wijsheid toe – waarvan hun eerste reacties in ieder geval niet getuigden. Vooralsnog ziet het Westen zich schaakmat gezet door verkiezingen die het zich formeel niet beter en politiek niet slechter had kunnen wensen.

De les die daaruit wel te trekken valt is dat de instelling van een formele democratie een van de slechtste criteria is voor de vraag of een internatio nale vredesinterventie aan haar opdracht heeft voldaan. De opgeklopte tevredenheid waarmee keer op keer naar het verkiezingssucces in Irak en Afghanistan wordt verwezen is hetzij naïef, hetzij oppor tunistisch – en naar men moet vrezen beide tegelijk.

Verkiezingen zijn sneller georganiseerd dan een democratie is ingericht. De bouw van een paar ziekenhuizen, scholen en emancipatiecentra voor onderdrukte bevolkingsgroepen vormt daarvan nog maar nauwelijks het begin. Nauw verholen ongeduld klinkt intussen door in het ware motto van deze interventies: burka uit, stemmen laten – en wegwezen.