Gesloten geesten brengen Nederland niet verde

Democratie als redelijke hartstocht

De VVD heeft haar steun aan de apologiewetgeving van het kabinet ingetrokken. Maar er is meer aan de hand dan alleen vrijheid van meningsuiting in formele zin. Gesloten geesten brengen Nederland niet verder. Democratie is rationele passie. Ze is maakbaar dus ook afbreekbaar.

Wanneer een zeer bekend Tweede-Kamerlid een provocerende uitspraak doet over ons rechtsbestel die de democratie in haar kern aantast («Maar ik ben er wel voor om de strafrechter te omzeilen als het gaat om potentiële terroristen») zou je verwachten dat er meteen tumult losbreekt. Alle democraten aan dek! Niets van dat alles. Doodse stilte. Hoe komt dat? Leest nog iemand HP/De Tijd? Wegen de woorden van dat bekende kamerlid, Geert Wilders, tegenwoordig minder zwaar omdat hij allang niet meer kan bogen op vijftien virtuele zetels? Of is Nederland na de moord op Theo van Gogh weer slap en sloom geworden en is het fel opgelaaide debat al weer uitgedoofd? Een land dat onverschillig staat tegenover welke bedreiging dan ook van onze open samenleving en de vrijheid van meningsuiting, die zo moeizaam bevochten zijn, moet goed blijven opletten.

Gelukkig dat er andere kamerleden zijn die, na eerst lippendienst te hebben bewezen aan een drastische aanscherping van de antiterreurwetgeving, te elfder ure tot inkeer zijn gekomen. VVD-leider Van Aartsen verzet zich nu ook tegen Donners wet tegen apologie, dat wil zeggen propaganda voor terrorisme. De minister zei dat die wet «alleen personen treft die met hun uitlatingen doelbewust een gevaar vormen voor de openbare orde». (NRC Handelsblad, 26 oktober) Dat is gevaarlijk ruim geformuleerd, de politie kan er te veel verkeerde kanten mee op. In Donners memorie van toelichting staat dat het strafrecht het sluitstuk vormt van het zelfreinigende vermogen in de samenleving om het openbare debat op orde en binnen aanvaardbare perken te houden. Blijkbaar heeft de regering, door repressieve middelen te verzinnen, weinig vertrouwen in die «zelfreiniging». En wat betekent «op orde» en «binnen aanvaardbare perken»? Is Theodor Holman te weinig zelfreinigend bezig wanneer hij, als rijpere puber tijdens een tam debat ter nagedachtenis van Theo van Gogh, vragenderwijs uitroept dat de koran een kutboek is? Belediging, smaad, of een flauwe Van Gogh-imitatie? Ben ik ook al buiten de orde en de perken als ik hem slechts citeer?

Alleen al het stellen van deze vragen geeft aan dat de sfeer in Nederland verre van open en ontspannen is. Generaliserende uitspraken («de westerse cultuur is superieur») of scherpe persoonlijke aanvallen (Job Cohen is «onverschillig en incompetent») kweken eerder wederzijds wantrouwen en ondermijnen elk serieus gesprek. Het debat moet niet gaan over de literaire kwaliteit van de koran, over westerse hoogmoed en arrogantie van de macht, over het karakter van Cohen of over een voortdurend blunderende AIVD (de geheime dienst doet het de laatste tijd trouwens zo slecht nog niet). Urgent is het gesprek over de tolerantie potentie en de flexibiliteit van de islam in Holland, die hopelijk tijdelijk is gegijzeld door een handvol Hofstad-fanaten die meer dan koketteren met (antisemitische) terreur- of zelfmoordacties.

Geert Mak schreef geen onzin toen hij (onder meer in De Groene Amsterdammer van 13 mei) de handelaren in angst kritiseerde, handelaren die schijnbaar baat hebben bij een permanente crisis situatie zodat ze om «drastische maatregelen» kunnen roepen die op gespannen voet staan met de vrijheid van meningsuiting. Wie de veerkracht van de democratie negeert of wantrouwt, neigt al snel tot overdrijvingen, die lardeert zijn betogen met bedenkelijke hyperbolen en een dubieuze denktrant.

Een voorbeeld. Mohammed Benzakour gaat zo (HP/De Tijd, 28 oktober) tekeer: «Ach, wat is je nek uitsteken? Gaan brullen dat iedere orthodoxe moslim een vrouwenbeukende potentiële bommendrager is en vervolgens stiekem hopen dat je staatsbekostigde persoonsbeveiliging krijgt? Dat heet geen dapperheid. Dapperheid is het diepere inzicht dat we er met zijn allen een geweldige teringzooi van gemaakt hebben op deze aardkloot en dat het internationale terrorisme een (in)directe reactie daarop is.» Hij zegt met zoveel woorden (en hij mag het) dat het de schuld van het Westen zelf is dat al-Qaeda en Hofstad dreigen of toeslaan. Hadden «we» maar niet zo decadent, materialistisch, enzovoort moeten zijn. Wat mij niet bevalt, is de agressieve toon waaruit begrip spreekt voor terroristen. Al scheldend vergoelijkt hij hun daden en plannen.

Een ander, en nog ernstiger, voorbeeld. Voorzitter Bart Jan Spruyt van de neoconservatieve Edmund Burke Stichting ontpopte zich in een geheime voorjaarsnotitie als een pikzwarte romanticus en nihilist. De stichting moest volgens Spruyt, die dicht bij Wilders staat, alert zijn op een «ultieme provocatie of een crisis» die voor de neoconservatieven een geweldige politieke speelruimte zou scheppen. Voor het hopelijk zo ver kwam, moest er een «leger» en veel geld komen. De Burke Stichting werd al gesponsord door de farmaceutische multinational Pfizer (De Groene Amsterdammer, 14 en 21 oktober).

Op het eerste gezicht een kwajongensgedachte van Spruyt, bij nader inzien een gevaarlijke denkexercitie van een ongeleid politiek projectiel. Ik moest denken aan een opmerking in The New York Review of Books (3 november) over de overeenkomst tussen Komintern-activisten uit de jaren dertig en enkele neoconservatieven van nu. Kunnen de laatsten «ideologische afstammelingen» van die politieke radicalen zijn? Sommigen onder hen, schrijft Sam Tanenhaus in de inleiding op Stephen Kochs Double Lives: Stalin, Willi Munzenberg and the Seduction of the Intellectuals, «zetten vol zelfvertrouwen theorieën over ‹islamitisch fascisme› uiteen op een toon die doet denken aan de verbale te wapen-oproepen van Willi Munzenberg», een Komintern-spion die zich langzaam wist los te weken van Moskou. Voor de goede orde: Spruyt kwalificeer ik niet als zodanig. Ik wil alleen maar zeggen dat hij in zijn geheime notitie met vuur heeft gespeeld en als onhandige politieke maagd in gevaarlijk vaarwater terecht dreigt te komen.

Gelukkig zijn er in Nederland meer verstandige, en behoedzamere, deelnemers aan het debat. Tijdens een discussieavond in de Amsterdamse Rode Hoed (waar De terugkeer van de geschiedenis ten doop werd gehouden, een bundel Trouw-stukken over migratie en moeizame integratie in de moderne maatschappij) stelde Paul Scheffer de cruciale vraag: kan de islam met onze democratie verzoend worden? Bestaat er zoiets als een Europese islam? Hij voegde eraan toe dat het onvergeeflijk zou zijn als we over een mogelijke, en zeker moeizame, verzoening geen hoop wilden koesteren, ons niet met een vrijzinnige Europese vorm van de islam wilden bemoeien en geen antwoorden wilden zoeken op die twee kernvragen. Scheffer constateerde «terugtrekkende bewegingen», een «benauwd afwachten» en een «diepe impasse» in het debat over terrorisme, islam en democratie.

Met zijn pleidooi voor de terugkeer van de hoop en de hartstocht in het Holland van na 2 november 2004 reageerde hij op Ayaan Hirsi Ali’s enigszins geringschattende opmerkingen over de onmogelijkheid van een «homeopathische islam», dat wil zeggen een islam die dankzij het toedienen van heel weinig tegengif «beter» zou kunnen worden. Hirsi Ali staat zeer sceptisch tegenover de mogelijkheid van een sterk verdunde islam die strookt met de binnendijkse samenleving. Het geloof waarvan zij afscheid heeft genomen steunt immers op principes die haaks staan op de democratische grondbeginselen: verstikkend paternalisme, vrouwvijandigheid, primitief-letterlijke uitleg van soera’s, vermenging van kerk en staat. Natuurlijk heeft ze gelijk als ze zegt dat islam en moderniteit op zeer gespannen voet met elkaar staan, en zeker heeft deze godsdienst vol «verduistering» (Afshin Ellian) een verlichte ketter als Voltaire nodig zoals het christendom door Nietzsche is gegeseld (God is dood, en wij hebben hem doodgemaakt).

De islam uit het oeroude bastion van de clan halen en individualiseren, zodat iedere gelovige zelf kan en mag bepalen wat «zuiver geloven» betekent: dat is een mooi maar moeizaam streven. In haar bijdrage aan De terugkeer van de geschiedenis, van eind 2001 toen ze nog PvdA-lid was, schrijft Hirsi Ali: «Voor- en tegenspoed komen niet van God, maar zijn de uitkomst van menselijk handelen. De samenleving is maakbaar, je kunt de omgeving naar je hand zetten. En het hiernamaals doet er weinig toe.»

Is een individualistische, Europese islam mogelijk of een hersenschim? «Ook de islam zal onherroepelijk de moderniteit in moeten. want ook de islam staat er al met een been in. Net als de communistische zullen ook de islamitische massa’s ooit door de tralies van de heilstaat heen breken, om te bezwijken voor de beloften van de consumptiemaatschappij» (Luuk van Middelaar in De terugkeer van de geschiedenis). Wie gelooft in de maakbaarheid van de samenleving kan niet ontkennend op die vraag antwoorden en dient streng, rechtvaardig en zonder superieur gedrag de dialoog aan te gaan. Duidelijk is wel dat er met de democratie niet gesjoemeld kan worden en dat de scheiding tussen kerk en staat alleen ter discussie mag staan als die niet consequent door gevoerd wordt, bijvoorbeeld door de staatssubsidies aan bijzondere (lees: christelijke en islamitische) scholen. Hier ligt een uitdagende taak voor een nieuwe regering van PvdA, VVD en GroenLinks, met gedoogsteun van de SP, een combinatie die momenteel een zeer ruime meerderheid heeft. Ik kan me voorstellen dat Scheffer en Hirsi Ali in zo’n politieke samenstelling elkaar en anderen homeopathisch kunnen helen.

De maatschappij is kapot te maken, jazeker, maar niet door de kleine Hofstad-clan. Diezelfde samenleving, bij elkaar gehouden door wetten die mensen hebben geschreven, blijft ook maakbaar. Wie de geschiedenis van menselijk ingrijpen in de historie negeert of ontkent en al te gretig terugvalt op het natuurrechtdenken van Plato, Socrates en Thucydides (De Peloponnesische oorlog), hoort zichzelf al snel pseudo-moedige kreten slaken als «weg met het cultuurrelativisme» of «onze cultuur is de beste» (Rutenfrans en Cliteur in De terugkeer van de geschiedenis). Wie redeneert dat er, buiten of boven de historie, een natuurlijke orde der dingen bestaat waarin deugden en recht liggen besloten die «superieur» zouden zijn aan tijd- en plaatsgebonden conventies (zoals de goeroe voor neoconservatieven Leo Strauss doet), speelt zelf voor God en keert zich af van de moderne tijd waarin de mens steeds nadrukkelijker ingrijpt in het bestaan. Wat gebeurt er als de mens zelf wil bepalen wat goed en kwaad is en die keuze niet wil over laten aan een of ander goddelijk natuurrecht? «Dan verliest hij zijn natuurlijke deugden uit het oog, bekommert zich alleen nog maar om vrijheid en welvaart, en wordt overmeesterd door doelloosheid en nihilisme» (Strauss, geparafraseerd door Arend Jan Boekesteijn in De terugkeer van de geschiedenis). Dat is een forse uitspraak, en let op de woorden «alleen nog maar». Wie als Strauss-aanhanger het goddelijke boven het menselijke wenst te plaatsen, zit binnen de kortste keren op dezelfde golflengte als rigide islamieten: anti-modern, Allah is groter dan de mens, mijn geloof is superieur. Wie profileren zich als nihilisten: de zogenaamde cultuur relativisten of de straussiaanse neoconservatieven?

Robert Kaplan kent de geschiedenis wel ruimte en waarde toe. Historisch gezien komen macht en veiligheid altijd op de eerste plaats en daarna pas de waarden. Dat is het aloude Romeinse adagium. Scheffer schrijft al te gemakkelijk dat de onderschatting van het terrorisme een grotere bedreiging vormt voor de open samenleving dan de huidige privacybeperkingen. Onveiligheid zou tot onvrijheid leiden. Maar diezelfde vrijheid (van meningsuiting) is de pijler onder de democratie. Wie die vrijheid aantast, tast de essentie van de open samenleving aan. Als de democratie overdreven reageert op terroristisch gevaar en de vrijheid opschort, brengt ze zichzelf in gevaar. Dat is precies wat nihilistische terroristen willen.

Misschien is het nuttig voor neoconservatieven om Edward Saids Orientalism: Western Conceptions of the Orient te (her)lezen, een nog immer formidabele studie over westerse projecties op het (Verre) Oosten die pas nu, na ruim een kwart eeuw, in het Nederlands is vertaald. Said vertegenwoordigt alles wat neoconservatieven verafschuwen: hij is de vleesgeworden cultuurvermenging, een Palestijn uit Egypte die in Amerika terechtkwam, multiculti, ingewikkelde mix. Wat hij schrijft over superioriteitsgevoelens is een verademing vergeleken bij de zelfingenomen non-empathie van enkele neoconservatieven. In navolging van de Italiaanse marxist Gramsci heeft Said het over hegemonie van de westerse cultuur. Die kleurt het oriëntalisme, wat geen empirische werkelijkheid is maar een «reeks wensen, verdrongen gevoelens, investeringen en projecties». Oriëntalisme en «de idee van Europa» liggen dicht bij elkaar: het collectieve beeld dat «ons» Europeanen identificeert en afzet tegen «die» niet-Europeanen. Het beeld van Europa is dan superieur als je een vergelijking maakt met alle niet-Europese volkeren en culturen. Terrorisme en islam één pot nat? Said plaatst daar een reeks kanttekeningen bij. Hij is «wij» en «zij» tegelijkertijd. Orientalism nuanceert en relativeert en probeert bruggen te bouwen tussen Oost en West, Europa en het Verre Oosten.

Gesloten geesten brengen het debat niet verder. Wie het terroristische kwaad wil bestrijden moet blijven zoeken naar «het kleinste kwaad» (Michael Ignatieff). Het oog om oog en tand om tand kan zich juist keren tegen de democratie die men in bescherming wil nemen. Het islamdebat is geen botsing van superieure (westerse) en inferieure (oosterse) culturen maar van botsende meningen die van overal komen, een woordenstrijd met hopelijk vruchtbare uitkomsten. Democratie is geen laissez-faire, geen desinteresse en onverschilligheid, een houding die nog maar kort geleden voor tolerantie werd aangezien. Democratie is rationele passie, redelijke hartstocht, ze is maakbaar dus ook veranderbaar.

Jaffe Vink & Chris Rutenfrans

De terugkeer van de geschiedenis

Augustus, 383 blz., € 25,-