Essay: De wil van het volk

Democratie kan slecht voor u zijn

Alle regeringen bewijzen lippendienst aan het vertegenwoordigend bestuur. Maar kan de «wil van het volk» de oplossingen bieden voor de 21ste eeuw?

Er zijn woorden waarmee niemand graag in het openbaar wordt vereenzelvigd, zoals racisme en imperialisme. Er zijn ook woorden waarvoor iedereen graag zijn enthousiasme toont, zoals moeders en het milieu. Democratie is ook een van die woorden. In de tijd van het «werkelijk bestaande socialisme» maken zelfs de meest ongeloofwaardige regimes er aanspraak op in hun officiële titels, zoals Noord-Korea, het Cambodja van Pol Pot en Jemen. Dezer dagen is het onmogelijk een regime te vinden, afgezien van een paar islamitische theocratieën en overgeërfde koninkrijken en emiraten in het Midden-Oosten, dat niet eer bewijst aan de idee van competitief gekozen regeringen of presidenten. Ongeacht hun geschiedenis en cultuur plaatsen de constitutionele kenmerken die Zweden, Papoea-Nieuw-Guinea en Sierra Leone gemeenschappelijk hebben (wanneer we daar gekozen presidenten kunnen vinden) die landen officieel in de ene groep en Pakistan en Cuba in de andere. Dat is waarom een publiek debat over democratie zowel noodzakelijk als ongewoon moeilijk is.

Er is geen noodzakelijke of logische connectie tussen de verschillende componenten die tezamen uitmaken wat wij «liberale democratie» noemen. Niet-democratische staten kunnen zijn gebouwd op het principe van de rechtsstaat, of het recht van de wet, zoals Pruisen en het imperiale Duitsland zonder twijfel waren. We weten, sinds de Tocqueville en John Stuart Mill, dat vrijheid en tolerantie jegens minderheden vaak meer worden bedreigd dan beschermd door democratie. We weten ook, sinds Napoleon III, dat regimes die aan de macht komen door een coup d’Etat een échte meerderheid kunnen verkrijgen door successieve beroepen op universeel (mannelijk) stemrecht. En noch Zuid-Korea noch Chili in de jaren 1970 en 1980 wijst op een organisch verband tussen kapitalisme en democratie.

Maar toch, het sterke punt van vrije verkiezingen is niet dat die rechten garanderen, maar dat ze het volk (in theorie) in staat stellen van onpopulaire regeringen af te komen. En op dit punt moeten we drie kritische kanttekeningen maken.

Ten eerste: liberale democratie vereist, net als elke andere vorm van politiek bestuur, een politieke eenheid waarbinnen ze kan worden uitgeoefend, normaal gesproken een «natiestaat». Ze is niet uitvoerbaar waar zo’n eenheid niet bestaat. De politiek van de Verenigde Naties past niet in het kader van liberale democratie, behalve als metafoor. Of die van de Europese Unie als geheel dat kan, moeten we nog zien.

De tweede kanttekening trekt de stelling in twijfel dat een liberaal-democratische regering altijd superieur of tenminste te prefereren is boven een niet-democratische regering. Dit is ongetwijfeld waar wanneer alle andere omstandigheden hetzelfde zijn, maar alle andere omstandigheden zijn dat soms niet. Oekraïne heeft een democratisch bestuur verkregen (min of meer), maar ten koste van het verlies van tweederde van het bruto nationaal product dat het in sovjettijden had. Colombia is nooit langer dan korte periodes onder het gezag van het leger of van populistische caudillos geweest; het heeft vrijwel voortdurend een constitutionele, representatieve, democratische regering gehad, met twee electorale partijen, de Liberalen en de Conservatieven, die elkaar bestreden, zoals de theorie vereist. Desondanks loopt het aantal mensen dat in de loop van de laatste halve eeuw in Colombia werd vermoord, verminkt en uit hun huizen verdreven, in de miljoenen en overtreft ruim dat van enig Latijns-Amerikaans land dat zucht onder een militaire dictatuur.

De derde kanttekening komt tot uitdrukking in Winston Churchills uitspraak: «Democratie is de slechtste regeringsvorm, afgezien van al die andere vormen die van tijd tot tijd zijn geprobeerd.» Het pleidooi ten gunste van democratie is wezenlijk negatief. Zelfs als een alternatief voor andere systemen kan het slechts met moeite worden verdedigd. Dat deed er gedurende het grootste deel van de twintigste eeuw niet echt veel toe, omdat de politieke systemen die de democratie betwistten zo overduidelijk verschrikkelijk waren. Tot het moment dat ze deze uitdagingen aannam, waren de ingebakken tekortkomingen van de liberale vertegenwoordigende democratie als vorm van landsbestuur zonneklaar voor de meeste serieuze denkers én voor satirici. Ze werden op brede schaal en open bediscussieerd, ook onder politici, tot het onverstandig werd om in het openbaar te zeggen wat ze werkelijk dachten van de massa kiezers van wie hun verkiezing afhing.

Toch is tegenwoordig «het volk» de basis en het gemeenschappelijke referentiepunt van alle regeringen behalve de theocratische. Dat is niet alleen onvermijdelijk, het is ook goed; want als regeren een doel heeft, moet dat zijn: spreken uit naam en ten bate van het welzijn van alle burgers. In het tijdperk van de gewone man is elke regering een regering van het volk en voor het volk, hoewel het in praktische zin nooit een regering door het volk kan zijn. Dat was een gemeenschappelijk punt voor liberaal-democraten, communisten, fascisten en nationalisten, ook al verschilden hun ideeën over hoe de «wil van het volk» moest worden geformuleerd, uitgedrukt en beïnvloed. Massapropaganda was een essentieel onderdeel van zelfs die regimes die bereid zijn onbeperkte dwang uit te oefenen. Zelfs dictaturen kunnen niet lang overleven als ze de bereidheid van hun onderdanen om het regime te accepteren, verliezen. Dat is de reden waarom, toen het zo ver kwam, de «totalitaire» regimes van Oost-Europa — hun staatsapparaat loyaal, hun onderdrukkingsmachinerie in goed werkende staat — snel en geluidloos verdwenen.

De regeringen van moderne territoriale of natiestaten steunen op drie veronderstellingen: ten eerste hebben ze meer macht dan andere eenheden die op hun grondgebied opereren; ten tweede aanvaarden de bewoners van hun gebied hun gezag min of meer uit vrije wil; en ten derde kunnen regeringen hun diensten leveren die op een andere manier niet zo effectief of helemaal niet zouden kunnen worden verleend — diensten als het spreekwoordelijke «law and order». In de laatste dertig of veertig jaar zijn deze veronderstellingen steeds meer van hun geldigheid verloren.

Allereerst, zoals Noord-Ierland laat zien, zijn zelfs de sterkste, meest stabiele en meest effectieve staten het monopolie op geweld kwijtgeraakt, niet in de laatste plaats dankzij de overvloed van nieuwe, kleine, draagbare wapens en door de extreme kwetsbaarheid van het moderne leven voor plotselinge ontwrichting, hoe gering dan ook.

Ten tweede zijn mensen niet meer zo snel bereid om ofwel vrijwillig loyaliteit en steun te geven aan een door het volk gewettigde regering, ofwel om de overweldigende en gevestigde macht van een onwettige regering te gehoorzamen.

De derde veronderstelling is niet alleen ondermijnd door het verzwakken van de macht van de staat, maar sinds de jaren zeventig ook door een terugkeer onder politici en ideologen naar een ultra-radicale, laissez-faire-kritiek op de staat. Men stelt, met meer theologische overtuiging dan historische bewijskracht, dat alle diensten die onze openbare autoriteiten kunnen verlenen óf ongewenst zijn óf beter kunnen worden verricht door «de markt». Postkantoren, gevangenissen, scholen, watervoorzieningen en zelfs maatschappelijk werk zijn overgedragen aan of getransformeerd in zakenondernemingen, terwijl ambtenaren werden overgeplaatst naar onafhankelijke bureaus of vervangen door commerciële toeleveringsbedrijven. Zelfs delen van het oorlogsapparaat zijn in handen van zulke toeleveranciers gekomen. De modus operandi van de winstmaximaliserende privé-onderneming is het model geworden dat zelfs regeringen nastreven. En zo neigt de staat ertoe te vertrouwen op private economische mechanismen om de actieve en passieve mobilisatie van haar burgers te vervangen.

Marktsoevereiniteit is geen aanvulling op liberale democratie: het is er een alternatief voor. Het is zelfs een alternatief voor alle soorten van bestuur, omdat het de behoefte aan politieke besluiten ontkent, wat nu juist besluiten zijn over algemene belangen of groepsbelangen, en niet over de optelsom van keuzes, rationeel of anderszins, van individuen die persoonlijk voordeel nastreven. Deelnemen aan de markt vervangt deelnemen aan de politiek. De consument neemt de plaats in van de burger.

Er zijn twee dingen die compensatie bieden voor de afname van burgerparticipatie en van de effectiviteit van het traditionele proces van vertegenwoordigend bestuur. Krantenkoppen (of onweerstaanbare televisiebeelden) zijn het directe doel van alle politieke campagnes, omdat ze veel effectiever (en veel gemakkelijker) zijn dan het mobiliseren van tienduizenden mensen. De tijden zijn voorgoed voorbij dat al het werk in het kantoor van een minister werd stilgelegd om een kritische parlementaire vraag te beantwoor den. Het is het vooruitzicht van publicatie door een onderzoeksjournalist dat zelfs Downing Street nummer 10 in toom houdt. En noch het parlementaire debat noch het redactionele beleid brengt de publieke ontevredenheid zo helder aan het licht dat zelfs regeringen met de veiligste meerderheid haar moeten opmerken tussen verkiezingen in: zoals de afkeer van de ecotax, van accijnzen op benzine en van genetisch gemodificeerd voedsel. Als dat zich aandient, heeft het geen zin het af te doen als het werk van kleine, niet-gekozen en atypische minderheden, ook al is het dat over het algemeen wel.

Dankzij de massamedia is de publieke opinie machtiger dan ooit, wat de ononderbroken groei verklaart van de beroepen die zijn gespecialiseerd in het beïnvloeden ervan. Minder goed begrepen wordt de cruciale link tussen mediapolitiek en directe actie — actie van onderaf die de beleids makers aan de top direct beïnvloedt en de tussenliggende mechanismen van officiële vertegenwoordigende regeringen omzeilt. Dit is het meest duidelijk in transnationale aangelegenheden, waar dergelijke tussenliggende mechanismen niet bestaan. We kennen allemaal het zogenaamde CNN-effect — het politiek sterke maar volkomen ongestructureerde gevoel dat «er iets moet worden gedaan» aan Koerdistan, Oost-Timor of waar dan ook. Meer recent hebben de demonstraties in Seattle en Praag de effectiviteit aangetoond van goed gerichte directe actie door camera bewuste kleine groepen, zelfs tegen organisaties die zijn opgezet om immuun te zijn voor democratische politieke processen, zoals het IMF en de Wereldbank.

Dit alles stelt de liberale democratie voor misschien wel haar meest dringende en ernstige probleem. In een toenemend geglobaliseerde, transnationale wereld coëxisteren nationale regeringen met krachten die minstens net zoveel invloed op het dagelijks leven van hun onderdanen hebben als zijzelf, maar die in meer of mindere mate buiten hun controlegebied liggen. Maar ze hebben niet de politieke optie van troonsafstand voor zulke oncontroleerbare krachten. Wanneer, bijvoorbeeld, de olieprijzen stijgen, is het de overtuiging van burgers, inclusief bedrijfsmanagers, dat de regering daar iets aan kan en moet doen, zelfs in landen als Italië waar weinig of niets wordt verwacht van de staat, of in de Verenigde Staten, waar veel mensen niet in de staat geloven.

Maar wat kunnen en moeten regeringen doen? Meer dan vroeger staan ze onder niet-afnemende druk van een constant geregistreerde publieke opinie. Dit beperkt hun keuzemogelijkheden. Maar hoe dan ook, regeringen kunnen niet ophouden te regeren. Ze worden zelfs door hun pr-experts ertoe aangezet voortdurend te laten zien dat ze aan het regeren zijn, en dat, zoals we weten uit de Britse geschiedenis van de late twintigste eeuw, vermenigvuldigt gebaren, aankondigingen en soms onnodige wetgeving. En openbare autoriteiten worden in deze tijd voortdurend geconfronteerd met beslissingen over algemene belangen die zowel technisch als politiek zijn. Hier bieden democratische stemmen (of de keuzes van consumenten in de markt) geen enkele richtlijn. De gevolgen voor het milieu van de onbeperkte groei van gemotoriseerd verkeer en het beste beleid om daarmee om te gaan, kunnen niet simpel worden blootgelegd door referenda. Sterker nog, dat beleid zou onpopulair kunnen blijken, en in een democratie is het niet verstandig het electoraat dingen te vertellen die het niet wil horen. Hoe kunnen de staatsfinanciën verstandig worden georganiseerd als regeringen zichzelf ervan hebben overtuigd dat elk voorstel tot belastingverhoging neerkomt op electorale zelfmoord, wanneer verkiezingscampagnes dus wedstrijden in fiscale meineed zijn, en regeringsbegrotingen oefeningen in fiscale verduistering?

Het komt erop neer dat de «wil van het volk», hoe die dan ook wordt uitgedrukt, niet de specifieke taken van de regering kan bepalen. Zoals Sidney en Beatrice Webb obser veer den in het geval van vakbonden, kan de wil van het volk niet oordelen over projecten maar alleen over resultaten. De wil is oneindig veel beter in tegen stemmen dan vóór. Wanneer de wil een van zijn grote negatieve triomfen bereikt, zoals het afstraffen van vijftig jaar corrupt naoorlogs bestuur in Italië en Japan, is hij niet zelfstandig in staat een alternatief aan te dragen. We zullen zien of dat wel lukt in Servië.

En toch, de regering is voor het volk. Haar resultaten moeten worden beoordeeld aan de hand van de gevolgen voor mensen. Hoe ongeïnformeerd, onwetend of zelfs dom de «wil van het volk» ook is, hoe ontoereikend de methoden mogen zijn om hem te openbaren, hij is onmisbaar. Hoe kunnen we anders de manier beoordelen waarop techno-politieke oplossingen — deskundig en in andere opzichten technisch bevredigend als ze zijn — de levens van echte mensen beïnvloeden? Sovjetsystemen faalden omdat er geen tweerichtingsverkeer was tussen hen die beslissingen namen «in het belang van het volk» en hen die deze beslissingen kregen opgelegd. De laissez-faire-globalisering van de laatste twintig jaar heeft dezelfde fout gemaakt.

De ideale oplossing is in deze tijd voor regeringen bijna nooit voorhanden. Het is een oplossing waar artsen en piloten in het verleden op vertrouwden, en nu, in een steeds achterdochtiger wordende wereld, nog steeds op trachten te vertrouwen: de populaire overtuiging dat wij en zij dezelfde belangen deelden. We vertelden ze niet hoe ze ons moesten dienen — omdat wij, niet-experts, dat niet konden — maar zolang er niets misging, gaven we ze ons vertrouwen. Weinig regeringen (in tegenstelling tot politieke regimes) genieten tegenwoordig dit fundamentele a priori-vertrouwen. In liberale democratieën vertegenwoordigen ze zelden een meerderheid van stemmen, laat staan van het electoraat. De massapartijen en organisaties die eens «hun» regeringen juist dat vertrouwen en die langdurige steun gaven, zijn verbrokkeld. In de alomtegenwoordige media leveren stuurlui aan de wal, die pretenderen net zo vakkundig te zijn als de regering, voortdurend commentaar op haar daden.

Dus de prettigste, en soms de enige oplossing voor democratische regeringen is om zoveel mogelijk besluitvorming buiten het domein van publiciteit en politiek te houden, of ten minste het proces van representatieve vertegenwoor diging te omzeilen. In Groot-Brittannië is de centralisatie van een alreeds sterke besluitvormingsmacht hand in hand gegaan met afbraak van de Commons en een overgang van functies naar niet-gekozen instellingen, publiek of privé. Over een groot deel van de politiek zal achter de schermen worden onderhandeld en besloten. Dit zal het wantrouwen van de burgers jegens de regering doen toenemen en het respect van de publieke opinie voor politici verminderen.

Wat is in deze situatie dan de toekomst van de liberale democratie? Behalve de islamitische theocratie wijst geen enkele machtige politieke beweging in principe deze vorm van bestuur af. De tweede helft van de twintigste eeuw was de gouden eeuw voor militaire dictaturen. De 21ste eeuw lijkt hun niet zo goedgezind te zijn — geen enkele ex-communistische staat heeft die weg gekozen — en vrijwel al zulke regimes ontberen de moed om werkelijk anti- democratisch te zijn, en claimen slechts de redders van de constitutie te zijn tot de (niet gespecificeerde) dag dat het land terugkeert naar een burgerbestuur.

Nogmaals, hoe het er ook uitzag vóór de economische aardbevingen van 1997-1998, het is nu duidelijk dat het Utopia van een staatloze, globale laissez-faire-markt niet zal komen. Het grootste deel van de wereldbevolking, en zeker degenen onder liberaal-democratische regimes die die naam waardig zijn, zullen blijven leven in operationeel effectieve staten, ook al zijn in enkele ongelukkige gebieden staatsmacht en bestuur zo goed als gedesintegreerd. Politiek zal derhalve bedreven blijven worden. Democratische verkiezingen zullen blijven komen.

Kortom, we zullen de problemen van de 21ste eeuw tegemoet treden met een verzameling politieke instrumenten die daarvoor hopeloos ongeschikt zijn. Ze zijn ingeperkt binnen de grenzen van natiestaten, waarvan er steeds meer zijn, en zien zich tegenover een geglobaliseerde wereld geplaatst die buiten hun operationele gebied ligt. Het is niet eens duidelijk hoe ver zij kunnen reiken binnen een uitgestrekt en heterogeen territorium dat wél een gemeenschappelijk politiek kader bezit, zoals de Europese Unie. Ze staan tegenover en strijden met een wereldeconomie die opereert door middel van sterk verschillende eenheden waarop overwegingen van politieke legitimiteit en algemeen belang niet van toepassing zijn — transnationale bedrijven. En vooral staan ze tegenover een tijdperk waarin de invloed van menselijk handelen op de natuur en de aarde een kracht van geologische proporties is geworden. De oplossing ervan, of tenminste een afname, zal maatregelen vereisen waarvoor bijna zeker geen steun wordt gevonden door het tellen van stemmen of het meten van consumentenvoorkeuren. Dit is niet erg bemoedigend voor de lange-termijnvooruitzichten van zowel de democratie als de aarde.

Kortom, we staan tegenover het derde millennium zoals de apocriefe Ier die, gevraagd naar de weg naar Bally nahinch, even nadacht en zei: «Als ik u was, zou ik niet vanaf deze plek vertrekken.»

Maar dit is de plek waarvandaan we vertrekken.

© Eric Hobsbawm 2001

Eric Hobsbawm is emeritus hoogleraar economische en sociale geschiedenis aan London University.

Vertaling: Rob van Erkelens