De verwerking van de Tweede Wereldoorlog volgens Géraldine Schwarz

‘Democratie zonder geheugen functioneert niet’

Het boek De geheugenlozen van de Frans-Duitse journaliste Géraldine Schwarz ontstond uit bezorgdheid over het populisme en het toenemende wantrouwen in de democratie. Ze wisselt het grote Europese verhaal af met dat van de meelopers binnen haar eigen familie tijdens en na de oorlog. ‘Mijn opa had zonder gevaar andere keuzes kunnen maken.’

Verkeerscontrole door Duitse en Nederlandse politie. Bij lichte overtredingen bestaat de straf uit ventielen inleveren die de volgende dag kunnen worden opgehaald op het bureau. Zwolle, 5 december 1940 © Foto’s Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad / Fotograaf onbekend

‘Op geen van de tentoonstellingen over de Tweede Wereldoorlog die ik in Nederland bezocht, wordt de houding van de bevolking, en met name ook van de ambtenaren, in de deportatie van de joden kritisch gethematiseerd’, zegt Géraldine Schwarz.

De Frans-Duitse journaliste is voor haar boek De geheugenlozen, dat gaat over de verwerking van de Tweede Wereldoorlog in Europa, bekroond met de Prix du livre européen, de literaire prijs van het Europees Parlement die eerder onder anderen Luuk van Middelaar ten deel viel. De titel De geheugenlozen is een waarschuwing. En Duitsland is het lichtende voorbeeld – anders dan Frankrijk en Nederland. Voor de Nederlandse versie voegde ze een hoofdstuk toe over de verwerking van de oorlog in ons land.

Schwarz (1974) toont zich, in haar woonplaats Berlijn, nog steeds geshockeerd over de Nederlandse oorlogstentoonstellingen: ‘Dat zou in het Frankrijk van nu onmogelijk zijn, en in Duitsland al helemaal.’ Met een Franse moeder en een Duitse vader groeide ze vlak bij Parijs op. Ze werkt sinds vele jaren in Duitsland als correspondent en filmmaker voor Franse media. De geheugenlozen is haar eerste boek.

‘Het boek’, vertelt ze, ‘is ontstaan uit mijn bezorgdheid over het populisme en het toenemende wantrouwen in de democratie. Democratie zonder geheugen functioneert niet. Ik wissel het grote Europese verhaal af met dat van de meelopers binnen mijn eigen familie tijdens en na de oorlog. Wat kan en wat wil men zich herinneren? Ik laat zien dat je altijd keuzes kunt maken, en daarbij het verleden nodig hebt.’

In het Verzetsmuseum in Amsterdam staat precies die vraag centraal, zegt ze: ‘Wat zou jij doen: je aanpassen, meedoen met de Duitsers of je verzetten? Dus de houding van de bevolking wordt daar wel aangekaart. Maar kritisch geëvalueerd wordt die niet.’ Neem de bekende ‘Stippenkaart’ uit 1941, die daar te zien is. De verspreiding van de joden over Amsterdam is er nauwgezet geregistreerd. ‘Elke stip stond voor tien joden. Die kaart hebben ijverige Amsterdamse ambtenaren opgesteld. Ik vroeg twee medewerkers van het museum, historici, waarom dit niet wordt geproblematiseerd, ook niet in de film die de tentoonstelling inleidt. Ze antwoordden me dat die registratie in opdracht van de Duitsers was gebeurd. Die ambtenaren wisten niet precies wat ze deden, zeiden ze, en hadden niet anders gekund.’

Uw ervaringen op de andere tentoonstellingen waren vergelijkbaar, schrijft u.

‘Inderdaad. De man die ons in Westerbork rondleidde zei ongeveer hetzelfde. Ik las er de getuigenissen van een Nederlandse treinbestuurder en een kampbewaarder, die erg met de joden begaan waren. Maar over de rol van de Spoorwegen of de politie ervoer ik niets. Zeker met de wetenschap van nu bevreemdt dat.’

De gedenkplaats de Hollandsche Schouwburg beperkt zich tot één sneer naar ijverige ambtenaren, vervolgt ze, bij diezelfde Stippenkaart. ‘En ook in het kleine Holocaust-museum in oprichting ontbreekt kritiek op de Nederlandse overheid en samenleving.’

Ze is niet bang dat ze iets wezenlijks heeft gemist. Die tentoonstellingen zijn grotendeels tweetalig, en Schwarz liet zich bovendien begeleiden door haar zus, al lang Amsterdamse, en de Nederlandse schoonfamilie. ‘Is het bewust beleid, geen lastige vragen meer te stellen? Onwetendheid? Mijn indruk is dat de drang nu ontbreekt om een negatief nationaal verhaal te presenteren. Maar nergens in West-Europa hebben, zoals bekend, zo weinig joden overleefd als in Nederland. 75 procent werd gedeporteerd. Dan moet je er wel bij vertellen hoe dit kon gebeuren. In Frankrijk werd 25 procent van de joden weggevoerd en in Italië negen procent – nota bene twee met het Derde Rijk collaborerende staten.’

Zelfs in het Joods Historisch Museum wordt enkel aangestipt dat de Nederlandse samenleving haar joden heeft laten vallen, merkt ze op: ‘Er was ook een speciale tentoonstelling over jullie vorstenhuis. Bij een filmpje over Radio Oranje staat dat koningin Wilhelmina in haar toespraken vanuit Londen driemaal de joden heeft genoemd. Driemaal in vijf jaar – er staat niet eens “slechts” bij! Je komt uit die tentoonstelling en denkt: super, die koninklijke familie. Terwijl men in Londen nooit tot verzet tegen het – aldaar bekende – lot van de joden heeft opgeroepen.’

Het Anne Frank Huis is een soort Disneyland-attractie, verzucht ze, waar de bezoekers niet aan het denken worden gezet. ‘De vraag of de familie Frank mogelijk door Nederlanders is verraden wordt er zelfs niet opgeworpen. In het Monument Kamp Vught wordt daarentegen veel context gegeven, vooral over echt goede en echt foute Nederlanders. Het Rode Kruis wordt er met zijn giften gepresenteerd. Maar niet met zijn dubbelzinnige houding tijdens de bezetting. Ook in Vught blijven de instellingen en de vele meelopers buiten schot. Men was verbaasd over mijn vraag waarom bij de getoonde persoonsbewijzen voor de joden niet wordt verteld wie ze maakte.’

Voor het verstrekken van persoonsbewijzen werkt administratief personeel in verschillende kerkgebouwen in Utrecht, waarschijnlijk 1941 © Foto’s Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad / Fotograaf onbekend

Nee, dan Duitsland: de Vergangenheitsbewältigung in de Bondsrepubliek is de rode draad in haar boek. ‘Er bestaat een verband tussen de grondige manier waarop de Bondsrepubliek het verleden heeft verwerkt en de aldaar zo stevig verankerde democratie. Dat was een collectief proces waarop de Duitsers best trots mogen zijn. Maar ze zitten gevangen in hun schuldbewustzijn. Dit negatieve zelfbeeld maakt jongeren, denk ik, vatbaar voor rechtsextremisme. Want in die kringen grossiert men in positieve verhalen – zij het over de verkeerde tijd, “toen de Duitsers nog karakter hadden”.’

De Franse democratie is veel centralistischer georganiseerd dan de Duitse, schrijft u.

‘Ja, en de civil society functioneert er veel minder goed. Ik heb De geheugenlozen oorspronkelijk voor de Fransen geschreven, ik houd ze het Duitse model ten voorbeeld. De omgang met het pijnlijke oorlogsverleden was in Frankrijk tot voor kort vooral een zaak van de staat en de wetenschap. Het Franse parlement heeft in 1940 de macht aan maarschalk Pétain, held uit de Eerste Wereldoorlog, overgedragen. De mythe is dat Pétain er in de niet-bezette zuidelijke helft van Frankrijk, vanuit Vichy, het beste van maakte. Mijn Franse oom beweert dat nog steeds. Pas in 1995 erkende Jacques Chirac als éérste Franse staatshoofd dat de misdaden van Vichy die van Frankrijk zijn.’

De Fransen waren daar zelf begonnen met het vervolgen van joden en andere ongewensten.

‘Veelzeggend is dat mijn moeder veel minder over die Franse oorlogsmisdrijven weet dan mijn Duitse vader over het Derde Rijk. Over mijn Franse opa, die gendarme was, rouleren in de familie heldhaftige anekdotes. Hij zou een oogje hebben toegeknepen wanneer vluchtelingen op weg naar Spanje de grens naar het Vichy-gebied overstaken. Waarheid of mythe? Mijn moeder en oom hebben het zich nooit afgevraagd. En hun geschiedenisonderwijs hield op bij het jaar 1939.’

Uw vaders zus in Mannheim viel op school midden in de denazificatie door de geallieerden. Zij leerde over de concentratiekampen en de andere misdaden van het Derde Rijk. Maar uw jongere vader, van 1943, leerde dat alles niet meer – verrassend.

‘Die heropvoeding door de Amerikanen duurde slechts tot 1949. Toen werd de Bondsrepubliek opgericht en verkondigde kanselier Adenauer: “Door de denazificatie is veel ellende en onheil aangericht.”’

Toe maar.

‘Adenauer erkende wel de Duitse schuld, maar pleitte de bevolking daarbij vrij. De echte Aufarbeitung liet inderdaad ook in de Bondsrepubliek op zich wachten. Toen de generatie van mijn vader eenmaal volwassen was, de ’68’ers, stelden ze de vraag centraal wat hun ouders en grootouders hadden uitgespookt.’

Frankrijk kende toch ook een protestgeneratie? Zelfs met een Frans-Duits-joodse aanvoerder, Daniel Cohn-Bendit. Waarom gebeurde daar niet hetzelfde?

‘Er verschenen kritische boeken, weliswaar van buitenlandse historici, en men nam de Frankfurtse Auschwitzprocessen van 1963 zeker waar. Informeel rommelde er wel wat. Maar het Derde Rijk was de oorlog begonnen, en zijn misdaden zijn natuurlijk van een onvergelijkbare dimensie. In de Bondsrepubliek had men een veel slechter geweten dan in Frankrijk. En dan in alle andere staten, ook in het Oostblok. Communisten konden geen nazi’s zijn geweest, hè. Wat in Frankrijk ook meespeelt, is dat president De Gaulle het sprookje levend wist te houden van de Fransen die eendrachtig in de Résistance tegen de Duitsers zaten. De langjarige oorlog om Algerije versterkte deze eenheidsmythe.’

‘Pas in 1995 erkende Jacques Chirac als éérste Franse staatshoofd dat de misdaden van Vichy die van Frankrijk zijn’

Uw grootvader Karl Schwarz uit Mannheim speelt een belangrijke rol in uw boek.

‘Opa’s houding is tekenend. Hij was een liberale zakenman, een levensgenieter die uit opportunisme lid van de nsdap werd. Heel anders dan oma: zij vereerde de Führer, terwijl zij geen partijlid was. Karl Schwarz was echter wel een van de vele meelopers die het Derde Rijk in stand hielden. Zijn achtergelaten documenten getuigen daarvan.’

Hij profiteerde diverse malen van het ariseringsproces – alles legaal. In 1938 kocht hij voor een prikje een joodse fabriek op, er waren plotseling te chique meubels in huis… U geeft sprekende details. Maar het allerpijnlijkst is toch wel het naoorlogse verhaal.

‘Zeker. Opa voert rond 1950 een jarenlange correspondentie met Julius Löbmann, de enige overlevende van die joodse fabrikantenfamilie. Löbmann, die dan in Chicago woont, wenst op grond van de nieuwe, geallieerde wetten een redelijke herstelbetaling voor zijn fabriek. Opa weigert eerst te betalen, blijft afdingen, zwelgt dan in de slachtofferrol.’

In het boek citeert ze uit brieven van Schwarz aan Löbmann: ‘Hoewel wij en vermoedelijk de meeste Duitsers het gruwelijke lot van uw geloofsgenoten niet hebben gewild, moeten we er nu allen onder lijden.’

‘In die brieven zet mijn grootvader Löbmann toenemend neer als profiteur, als schurk. Dat is een absurde kanteling van de werkelijkheid. Grootvader is ná de oorlog een antisemiet geworden.’

Géraldine Schwarz – ‘Misschien kan ik Hans Blom nog spreken’ © Astrid di Crollalanza / Flammarion

In haar hoofdstuk over Nederland bespreekt Géraldine Schwarz ook de verwerking van de oorlog in de geschiedwetenschap. Loe de Jongs opvolger bij het Riod/Niod, Hans Blom, ontbreekt daarin. Terwijl hij toch de man was die de geschiedschrijving wegleidde van de moraliserende goed-fout-clichés, meer in háár richting van de zich arrangerende en wegkijkende mensen en instanties (zie ook kader).

Waarom noemt u professor Blom niet, en wordt zijn bekende promovendus Chris van der Heijden in uw tekst enkel in diskrediet gebracht?

‘Ik heb me moeten baseren op de historici die ik heb geïnterviewd. Ik kan immers geen Nederlandse boeken lezen. De naam van Blom is niet gevallen. Maar misschien kan ik hem nog spreken. De negatieve beoordeling van Van der Heijden komt van meerdere historici: dat hij in zijn boek Grijs verleden de bevolking excuseerde, omdat louter het toeval bepaalde hoe je je gedroeg. Dit is een gevoelig punt voor me. Opa Karl Schwarz had bij de arisering, en ook bij zijn naoorlogse strijd met Julius Löbmann, wel tien keer een andere keuze kunnen maken dan hij deed – zonder gevaar. Ook later heeft opa nooit verantwoording afgelegd voor zijn keuzes.’

Nederland beleeft een comeback van ‘helden en schurken’-verhalen. Is deze teneur ook in Frankrijk te bespeuren, zeg maar een wederopleving van de Résistance-mythe van De Gaulle?

‘Frankrijk heeft dat oude, glorificerende perspectief, zoals gezegd, nog maar net van zich afgeschud. Begin jaren negentig had ik aan de Sorbonne college van een professor die maarschalk Pétain openlijk verheerlijkte en het kolonialisme met racistische argumenten rechtvaardigde. Op de universiteit zou dat nu niet meer kunnen. Maar in de Franse samenleving zijn de extremen nooit weggeweest. De gevaren van het nationalisme, met de oude heldenvereringen van dien, zie je ook in andere Europese staten. De toenemende geheugenloosheid is een groot probleem.’

De geheugenlozen verschijnt in april bij Atlas Contact. Oorspronkelijke titel Les Amnésiques. Vertaald uit het Frans door Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen

Hoe een buitenlandse journaliste om de tuin wordt geleid over de Nederlandse oorlogsgeschiedschrijving

Met haar commentaar op de tentoonstellingen over de oorlog heeft Géraldine Schwarz een punt, zegt Peter Romijn desgevraagd. Romijn is hoofd onderzoek van het Niod, het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. ‘De inzichten van de geschiedwetenschap zie je nooit direct in de publieke sfeer terug.’

Romijn behoort tot het tiental Nederlandse historici dat Schwarz heeft geraadpleegd voor haar toegevoegde hoofdstuk over Nederland in De geheugenlozen. Die gesprekspartners komen volgens haar uitgever Atlas Contact vooral uit Niod-kringen. Schwarz noemt ze lang niet allen, wel Romijn en bijvoorbeeld zijn oud-Niod-collega Evelien Gans. Alle historici hebben ook de concepttekst kunnen lezen – net als ik voor ons interview in januari. Schwarz stond open voor wijzigingen, maar wezenlijke hebben ze niet voorgesteld, blijkt uit de laatste tekstversie van half maart.

Is het Peter Romijn niet opgevallen dat aan de Frans-Duitse journaliste een, op z’n zachtst gezegd, eenzijdig beeld van de ontwikkelingen in de geschiedschrijving over de bezettingstijd lijkt opgedrongen? Niod-directeur Hans Blom, onder wie Romijn van 1996 tot diens vertrek in 2007 heeft gewerkt, is door geen van de historici genoemd. En van Romijns vakgenoot Chris van der Heijden en diens bekende boek Grijs verleden uit 2001 zijn karikaturen gemaakt. ‘Ik heb alleen mijn eigen interviewcitaten gecontroleerd’, antwoordt Romijn. ‘Ik vind het niet mijn taak om met een auteur in discussie te gaan, zeker niet bij zo’n persoonlijk boek.’ Hij kan zich evenwel niet goed voorstellen dat hij Hans Blom níet heeft genoemd.

Ver voor zijn Niod-tijd had C.J.H. (Hans) Blom een paradigmawisseling in de geschiedwetenschap ingeluid. In 1983 verscheen zijn oratie In de ban van goed en fout? Dat vraagteken zette Blom bij de moralistische geschiedschrijving van Loe de Jong. De meeste Nederlanders laveerden immers ergens tussen De Jongs extremen ‘collaboratie en verzet’.

‘Curieus’, zegt Hans Blom desgevraagd. ‘Ik kan mij niet voorstellen dat geen van die historici in dit kader mijn naam heeft genoemd.’ En met ironie: ‘Ik zou diep gegriefd zijn. En nee, die buitenlandse journaliste heeft mij niet benaderd.’

Met Chris van der Heijden heeft Schwarz niet willen spreken. Dat verbaast niet. Hij wordt door haar interviewpartner Evelien Gans als een antisemiet weggezet, die in zijn werk zijn foute ouders zou vrijpleiten. Hij zou het verleden willen verdoezelen. Een historicus! Van der Heijden wordt in haar tekst dan ook slechts als ‘journalist’ opgevoerd. Zijn werk zou wetenschappelijk niet serieus te nemen zijn. Gans’ verhaal wordt in haar tekst door de andere geraadpleegde historici bevestigd. Niemand heeft Schwarz verteld over Van der Heijdens latere promotie Dat nooit meer (bij Hans Blom), laat staan dat de huidige Niod-directeur Frank van Vree een heftig tegenstander van die promotie was. Evelien Gans pleegde enkele dagen na haar interview met Schwarz zelfmoord. Maar dit biedt geen goede verklaring voor de groteske weergave van Van der Heijdens werk en persoon.

Géraldine Schwarz is het Nederlands niet machtig. Dat was op de tentoonstellingen die ze bezocht geen probleem, evenmin als bij haar interviews. Hierop baseerde ze haar forse kritiek over de verwerking van de oorlog in ons land. Een negatieve voorstelling van Van der Heijdens werk, dat ze niet kon lezen, paste wonderwel in dit beeld.

Ik had Schwarz tijdens ons interview maar bijgepraat over de kleine Nederlandse Historikerstreit, die eenzijdig in haar tekst was beland. Deze oude strijd gaat uiteindelijk over het gedachtegoed van Hans Blom, zoals onder anderen de politicoloog en emeritus hoogleraar Meindert Fennema heeft uiteengezet. Maar Schwarz is bij haar tekst gebleven. Haar uitgever Atlas Contact zag blijkbaar evenmin een probleem in de aanval op hun gerenommeerde auteur. Van der Heijdens vele boeken zijn inderdaad door (Atlas) Contact op de markt gebracht, inclusief Grijs verleden: Nederland en de Tweede Wereldoorlog (2001) en Dat nooit meer: De nasleep van de Tweede Wereldoorlog in Nederland (2011). Ik had de uitgever er nog aan herinnerd dat Grijs verleden overwegend ‘welwillend’ is ontvangen, zoals Paul Scheffer, terugblikkend, in de Volkskrant schreef: ‘Het paste in een meer zelfkritische blik op de jaren van de bezetting.’

Zelfs koningin Beatrix erkende, tot in de Israëlische Knesset in 1995, dat haar meeste landgenoten niets hadden gedaan om de jodenvervolging te voorkomen. Helden waren de uitzonderingen geweest.

‘Haar toespraak was een mooi moment voor me’, zegt Hans Blom. Toen had hij het debat over de geschiedschrijving wel ‘gewonnen’, meent hij. ‘Nieuwe, ook controversiële inzichten, heb ik daarbij altijd omarmd. De promotie van Chris van der Heijden is inderdaad hoog opgelopen. Maar wist u dat ook Evelien Gans bij mij is gepromoveerd? Ook al was ze erg moraliserend? Ze heeft, zo te horen, die journaliste op sleeptouw genomen.’

Hans Blom is de blijmoedige genuanceerdheid zelve. De generatie na hem lijkt in haar maag te zitten met zijn genuanceerde perspectief. Moet ‘onze’ nationale identiteit weer worden gesterkt? Wat een hoop helden hebben die historici in de afgelopen tien jaar ontdekt. Wier bestaan overigens door Van der Heijden niet is ontkend, zoals zijn opponenten ook bij Schwarz beweren.

Blom antwoordt ontwijkend. ‘Ik ben zelf betrokken bij de lezingenserie Helden en schurken in het Verzetsmuseum. Ik houd er binnenkort zelfs eentje. Die titel is een beetje ironisch bedoeld. Toegegeven, dat wordt niet door iedereen begrepen.’