Pleidooi voor een districtenstelsel

Democratisch deficit

Vorige week maakte Rita Verdonk bekend dat ze per direct haar politieke loopbaan beëindigt. Trots op Nederland wordt misschien opgeheven, Rita zelf stapt in ieder geval op als partijleider en voorzitter van het bestuur. Het is snel gegaan. Vier jaar geleden, in oktober 2007, stond Trots op Nederland nog op 29 zetels in een peiling van TNS/NIPO en was Verdonk misschien wel in de race om de eerste vrouwelijke premier te worden. Bij de verkiezingen vorig jaar was van die steun echter niets meer over.

Ook andere partijen hebben te maken met hevige schommelingen. D66 haalde in 2009 bij de verkiezingen voor het Europees Parlement 3 zetels, omgerekend naar Tweede-Kamerzetels maar liefst 15, het hoogste aantal sinds 1994. Voor een partij die op sterven na dood was en in 2007 bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten nog in vier provincies compleet van de kaart werd geveegd een indrukwekkend resultaat. Ook de PvdA heeft zag haar aanhang in vier jaar tijd groeien en weer verdampen. De PvdA haalde in 2006 tijdens de gemeenteraadsverkiezingen virtueel 60 zetels, maar daar bleven een aantal maanden later bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer nog maar 33 van over. Inmiddels schommelt de PvdA rond de 15 zetels, een verlies van 75 procent in nog geen vijf jaar tijd. Ook het CDA zit nadat het van 2001 tot 2010 steeds de grootste was geweest diep in de problemen, en we zouden bijna vergeten dat Mark Rutte een aantal jaar geleden nog helemaal niet zo populair was. De VVD haalde lange tijd nauwelijks meer dan 15 zetels in de peilingen, en de wederopstanding is een zeer recent verschijnsel. Elke verkiezing is tegenwoordig een politieke aardverschuiving: het feit dat D66 in 1967 zeven zetels wist te halen was in die tijd bijna ondenkbaar - het haalde zelfs de voorpagina van The New York Times - maar nu zouden we er niet meer van opkijken.

Clichématig wordt in analyses, kijkend naar deze trend, vaak gezegd dat het electoraat ‘op drift’ is. Welja. Alsof het om een troep losgeslagen jongvolwassenen gaat die tijdens de studie uitvliegt naar exotische oorden als Groningen, waar dan zes jaar lang alle grenzen worden verlegd, om vervolgens in de moederschoot van het geboortedorp terug te keren. 'Laat ze maar even, ze komen vanzelf wel weer terug’, zie je sommige partijen denken.

Het is echter maar de vraag of het electoraat op drift is (waarmee overigens impliciet de kiezer de schuld krijgt van de huidige aanblik van het politieke landschap), of dat er sprake is van een structureel en meer fundamenteel probleem bij de politieke partijen zelf. Het laatste is waarschijnlijker.

Tussen de oprichting in 1946 en 2008 halveerde het ledenaantal van de Partij van de Arbeid, en tussen 1980 en 2011 daalde het aantal leden van alle politieke partijen samen van 413.000 naar 320.000, een daling van 22,5 procent, blijkt uit cijfers van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP). De lichte stijging van het aantal partijleden in de afgelopen twee jaar verklaart het DNPP door de verkiezingen, maar de algemene trend kenmerkt zich onmiskenbaar door onhoudbare krimp. Dat is geen electoraat op drift, dat is het failliet van oude partijen.

Nog maar 2,6 procent van de Nederlandse stemgerechtigden is lid van een politieke partij. Toch worden alle verkozen en door de Kroon benoemde bestuursfuncties in Nederland, van dijkgraaf tot minister, van deelraadslid tot senator vervuld door leden van politieke partijen. Dat is wat de legitimiteit van het bestuur betreft een groot probleem.

Toch is het probleem niet nieuw. In het Appèl dat aan de basis stond van de oprichting van Democraten '66 schreven de initiatiefnemers over ons systeem:

'Het komt de kiezer die zich persoonlijk vertegenwoordigd wil voelen (en dat is in onze tijd steeds meer het geval) geenszins tegemoet. In het stemhokje maakt u het bovenste vakje rood van de partij die u zint. Dat is het vakje van de lijstaanvoerder. Kent u hem? U kent misschien zijn gezicht uit de krant of van tv. En al die andere personen die onder hem op de lijst staan? En die ook in de Kamer komen? Wie zijn het? Waar wonen ze? Wat zijn hun opvattingen? Welke bijzondere kwaliteiten hebben ze die hun lidmaatschap van de Kamer rechtvaardigen? Men noemt ze volksvertegenwoordigers. Maar het volk kent ze niet. U en de parlementariër zijn vreemden voor elkaar. Voor beiden heeft dat gevolgen.’

In de achteruitkijkspiegel zien woorden er wel vaker profetisch uit, maar de woorden van toen zijn nu alleen maar actueler geworden. Het door de eerste D66'ers voorgestelde districtenstelsel kan de beperkte legitimiteit van het huidige stelsel wellicht verhelpen. Politieke partijen zijn een erfenis uit de verzuilde samenleving die zo langzamerhand voor de samenleving evenveel zeggingskracht hebben als een cassettebandje voor iemand die tijdens Paars II werd geboren. Dat is zorgwekkend. De verzuiling is immers al weer een jaar of twintig morsdood, maar politieke partijen doen gewoon alsof de wereld nog hetzelfde is.

De recente heropleving van D66 heeft er bovendien niet toe geleid dat dit thema weer op de agenda is geplaatst. Alexander Pechtold verklaart desgevraagd dat de kroonjuwelen niet in de vitrine liggen, maar nog wel op aanvraag leverbaar zijn. D66 hoeft niet meer zo nodig, met die bestuurlijke vernieuwing. Teleurstellend, want juist nu is die meer dan ooit nodig om de democratie van bestaansrecht te voorzien.

Het astronomische democratische deficit vraagt om een andere manier van stemmen en een verbetering in de relatie tussen kiezer en gekozene. Puriteinse bezwaren dat zo'n nieuw systeem alle inhoud weg zou slaan zijn bovendien grondig onjuist, en degenen die dat het best weten zijn politici zelf. Toen de VVD onder Mark Rutte door een diep dal ging waren er maar weinigen die beweerden dat het gedachtegoed van die partij misschien incourant geworden was. Ook de PvdA weet zeker dat de partij bestaansrecht heeft. Het probleem is domweg dat Job Cohen 'onzichtbaar’ is als leider. De Lijst Pim Fortuyn ten slotte ging niet ten onder omdat de zorgen van veel mensen waren weggenomen, maar door interne ruzies en het gebrek aan leiderschap van een aansprekende en capabele partijleider. Het is in de eerste plaats de politicus die ertoe doet, pas daarna wordt gekeken naar zijn programma. Het is het gelijk van de Democraten uit '66, maar inmiddels lijkt er niemand meer te zijn om hun oplossing nu eindelijk te effectueren. Ook D66 houdt liever vast aan het oude systeem, zichtbaar bang voor het populisme.

De doordringende angst voor populisme houdt nu hervormingen tegen, terwijl de vlucht naar de flanken, naar zowel de Socialistische Partij als de PVV, juist verklaard kan worden door het gebrek aan charismatische leiders met een duidelijke koers in de traditionele grote partijen. Partijen hebben afgedaan en voldoen niet meer aan de vraag naar vertegenwoordiging.

Het is daarom cynisch dat democratische hervormingen zoals de gekozen burgemeester en de direct gekozen vertegenwoordiger in een districtenstelsel vaak van de hand worden gewezen met een verwijzing naar de 'verplatting’ van de democratie, of zorgen om de extremistische excessen van het populisme. Cynisch, omdat iemand die in Nederland een meerderheid van de stemmen zou willen veroveren nooit weg kan komen met radicale standpunten die te veel afwijken van de gulden middenweg. Extremisme heeft minder kans in een districtenstelsel. In de Verenigde Staten is dit de reden dat Sarah Palin bijvoorbeeld nooit president zal worden. Onder een kleine groep activistische en radicale stemmers doet ze het goed, maar het aantal kiezers dat haar als unfavorable ziet is veel groter dan het aantal kiezers dat haar favorable vindt. Kandidaten in een districtenstelsel daarentegen zullen altijd het midden in de gaten moeten houden: dat is doorslaggevend voor de uiteindelijke verkiezingswinst.

Nederland is, om een wijdverspreide misvatting te weerleggen, bovendien niet 'te klein’ voor een districtenstelsel. Die suggestie is onjuist om twee redenen. De eerste is dat een district nooit verplicht een bepaalde minimale afmeting moet hebben. Als het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden bijvoorbeeld niet 435 zetels, maar het dubbele zou hebben, zouden ook de districten kleiner worden. 150 Nederlandse Kamerzetels betekent 150 districten: de grootte daarvan wordt bepaald door het aantal inwoners, en als we er meer of minder nodig hebben is die aanpassing mogelijk. De tweede misvatting is dat een districtenstelsel alleen mogelijk is in een federale staat met grote regionale verschillen. Ook dat is een doelredenering. Het zijn immers niet in eerste instantie de regionale verschillen die tot uiting komen in het parlement, maar het feit dat een kandidaat de meerderheid van zijn kiesdistrict vertegenwoordigt.

Ook het argument dat lokale belangen te veel mee zullen spelen in een districtenstelsel houdt geen stand. Het zittende kabinet-Rutte rust nota bene op de hyperlokale belangen van één Zeeuwse volksvertegenwoordiger, die in ruil voor het behoud van de Hedwigepolder beloofde geen dissident meer te zijn.

Het democratisch deficit van het huidige systeem uit zich voorts in een tweede, met het eerste element samenhangend, probleem. Nederland zucht onder het gebrek aan aanpassingsvermogen van politieke partijen. De ruk naar de flanken en de opmars van de PVV worden niet veroorzaakt doordat 15 procent van de Nederlanders ineens borderline racistisch is geworden, maar doordat gevestigde partijen niet in staat bleken hun gedachtegoed te evalueren en te vernieuwen. Zelfkritiek heet in Nederland al snel zelfkastijding, en discussie wordt in krantenkoppen verbasterd tot heibel.

Maar in een open, democratische samenleving was de afspraak nu juist dat elke mening die de toets der kritiek kan doorstaan zijn weg naar het parlement kan vinden. Daarvoor moet discussie echter wel mogelijk zijn. Als de discussie wordt gesmoord, is de inhoud het eerste slachtoffer. Goede nieuwe ideeën worden soms geslachtofferd op het altaar van gevestigde belangen. Jan Willem Duyvendak en Mirjam de Rijk veegden in 1994 in De Groene Amsterdammer in een pleidooi tegen het districtenstelsel, de gekozen minister-president en referenda de vloer aan met D66, maar erkenden dat de partijpolitiek in een crisis verkeerde. Partijen hadden alleen nog bestaansrecht als ze 'in de eerste plaats zelf drastisch veranderen’. Duyvendak en De Rijk schrijven: 'Fractiediscipline en gebrek aan dualisme en partijdemocratie maken de partijpolitiek weinig aantrekkelijk voor onafhankelijke geesten, die zich nu eenmaal niet graag laten debiliseren.’

Duyvendak en De Rijk geloven dat dit mogelijk is binnen partijen zelf. Wellicht hebben zij daarin gelijk, maar in het huidige stelsel zal het niet gebeuren. De politieke partij is in Nederland niet los te zien van de representatieve democratie. Institutionele veranderingen zijn nodig om het inhoudelijke debat binnen die partijen opnieuw te revitaliseren. Door de nadruk die het Nederlandse systeem immers legt op de eenheid van een partij zijn partijen gesloten bolwerken die beter gedijen naarmate de kadaverdiscipline sterker is. De enige manier om die kadaverdiscipline te doorbreken is door parlementariërs een sterk eigen mandaat te geven. Nu zit geen enkele parlementariër, op de lijsttrekkers en een bekende enkeling na, op zijn eigen zetel. De macht van de eenvormigheid wordt daardoor bestendigd, en het debat de nek omgedraaid.

In de VS worden de noodzakelijke debatten wel op allerlei mogelijke manieren gevoerd, juist ook binnen partijen. Niet alleen door openbare voorverkiezingen, waar kandidaten elkaar op basis van argumenten bestrijden, maar ook in een indrukwekkende hoeveelheid boeken en publicaties, in tv-debatten en op internetfora. David Frum bijvoorbeeld, oud-speechschrijver voor president Bush junior, publiceert al sinds de jaren negentig politieke boeken met titels als Dead Right en Comeback: Conservatism that Can Win Again, bedoeld om de G.O.P voor radicale dwalingen te behoeden. Op zijn website, www.frumforum.com, houdt hij sinds 2008 de extreme vleugel van de Republikeinse Partij bij de les om te voorkomen dat de partij grote groepen Amerikaanse kiezers van zich vervreemdt. De Amerikaanse democratie is vitaler, gezonder, inhoudelijker en vertegenwoordigt meer mensen dan de Nederlandse. Het is bovendien zo dat de Amerikaanse democratie, ondanks bijvoorbeeld de excessen van de journalistieke 24-uursindustrie die Nederlanders vaak zo gretig verwerpen, nooit het spook van het totalitarisme heeft gebaard, zoals Europa wel is overkomen. De republikeinse regeringsvorm en het districtenstelsel dat erbij hoort is een rem op radicaliteit en extremisme, omdat het de almacht van politieke partijen en hun eenvormigheid breekt.

Het democratisch deficit, waarin politieke partijen nauwelijks nog binding hebben met de samenleving, en partijen de inhoudelijke debatten bemoeilijken en debiliseren, kan alleen worden opgelost door institutionele veranderingen. Het vertrouwen moet worden teruggewonnen. De hevige schommelingen in vrijwel alle recente verkiezingsuitslagen laten goed zien dat politieke partijen het vertrouwen niet of slechts zeer beperkt aan zich weten te binden, maar bewijzen tegelijkertijd dat dat individuele politieke leiders nog wel lukt. Pim Fortuyn, Rita Verdonk en Wouter Bos konden het. Alexander Pechtold, Mark Rutte, Geert Wilders en Emile Roemer kunnen het. Hun partijen doen er minder toe dan het vertrouwen dat ze persoonlijk bij kiezers weten te winnen. Zonder vertrouwen kan een gezonde democratie niet functioneren.

De democratie kan in de 21ste eeuw haar bestaansrecht alleen nog bestendigen als ze een grote transformatie ondergaat. In de woorden van Pechtold: hervormen om te behouden. De gekozen minister-president, de gekozen burgemeester en het districtenstelsel - op alle niveaus, van gemeente tot nationale overheid - zullen er daarom moeten komen. Zonder dat zal het democratisch deficit verder groeien, totdat het idee van democratie zelf op den duur onhoudbaar wordt. De catastrofe die dat mogelijk zal veroorzaken is niet te overzien. Zeer te vrezen is die wel.


Thijs Kleinpaste (1989) studeert Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam