Spraakmakende Dreigroschenoper uit Berlijn

Demonische driestuiversspelonken

Beeldend kunstenaar en regisseur Robert Wilson heeft zich op de Dreigroschenoper van Bertolt Brecht gestort. Hij had er zichtbaar plezier in. Het Berlijnse resultaat staat als een huis. Komende week te gast in het Amsterdamse Muziektheater.

THEATER am Schiffbauerdamm heet het Berlijnse toneelhuis dat Bertolt Brecht en zijn toneeltroep Berliner Ensemble in 1954 betrokken. In datzelfde theater vond op 31 augustus 1928 de scandaleuze, door coulissenroddels omkringelde, zeer omstreden en uiteindelijk bejubelde wereldpremière plaats van Die Dreigroschenoper, libretto: Brecht, muziek: Kurt Weill. Het stuk speelt zich af in de Londense wijk Soho ten tijde van de kroningsfeesten voor een nieuwe monarch. De gangsterbaas Macheath (bijgenaamd Mackie Messer) trouwt in het geniep Polly, de dochter van de bedelaarskoning Peachum. Hij jaagt daarbij behalve genoemde Peachum ook een stoet krijsende exen tegen zich in het harnas, belandt door verraad in het gevang, waar hij telkens weer uit ontsnapt, en wordt uiteindelijk tot de strop veroordeeld, die hij ook weer op het nippertje ontloopt middels gratieverlening door de koning. Het aan alle kanten krakende en hinkepotende libretto kreeg schwung door de prachtige liedteksten van Brecht en de muziek van Weill. In de tachtig jaar sinds de wereldpremière haalde het stuk overal ter wereld gemiddeld zo’n 125 versies per jaar. De erven Brecht & Weill zijn er schathemelrijk van geworden.
Bij het Berliner Ensemble stond het werk al sinds 1986 niet meer op het repertoire. Robert Wilson (Waco, Texas 1941) is sinds 2003 huisregisseur van dit toneelhuis. Hij regisseerde er al Büchner en Shakespeare – deze maand gaat zijn voorstelling op basis van diens sonnetten in première – maar nog nooit een avondvullende Brecht. De Driestuiversopera stond gepland voor 2006, het vijftigste sterfjaar van de auteur. Maar Barbara Brecht, dochter en enige rechthebbende, zag haar kans schoon om het sinds de val van de Muur door haar intens gehate toneelgezelschap van haar vader – sinds 2000 geleid door de ‘parvenu en salonrevolutionair Claus Peymann’ – de voet dwars te zetten. De auteursrechten van Die Dreigroschenoper gingen in het stervensjubeljaar 2006 derhalve niet naar Robert Wilson maar naar steracteur en gelegenheidsregisseur Klaus Maria Brandauer. Die in het op een steenworp van de Schiffbauerdamm gelegen Admiralenpalast van het stuk een loodzware mausoleumproductie maakte. Pophelden en filmsterren in dragende rollen, een volumineus orkest, een publicitaire orkaan in een glas Schnapps, ja zelfs de herinvoering van het ‘halve Brecht-gordijntje’ – niks kon deze theatrale misgeboorte redden en de voorstelling stierf een voortijdige dood in de kolommen van de feuilletonisten. Wilson had geduld en verwierf de uitvoeringsrechten in 2007 alsnog. Het Berliner Ensemble haalde er een theaterhit en een kaskraker mee in huis.
Hoewel Robert Wilson in het programmaboek een paar bezwerend bedoelde Brecht-formules bij elkaar zwatelt (‘Er hat eine eigene Welt erschaffen, eine eigene Theatersprache, die universell war’) moet-ie bij zichzelf gedacht hebben: op uitsluitend de verondersteld sterke inhoud van het stuk, vol opengetrapte open deuren over de onrechtvaardigheid van deze wereld en geroeptoeter over de veranderbaarheid van maatschappelijke verhoudingen, en nog wat episch bij elkaar gewinkelde jaren-dertigcrisiskitsch, is dit grote werk niet meer vooruit te branden. Dus beloofde hij zijn broodheer en het Berlijnse publiek braaf absolute Werktreue, om vervolgens alle anekdotische ruis, onder- en bovenwereldfolklore én Untergang des Abendlandes-nostalgie uit de vertelling, de personages, ja zelfs uit de bravourige uitvoeringspraktijk van Weills muziek te slopen. Dat moet enorm hebben opgelucht. Want onder ons gezegd en gezwegen, hét probleem dat Die Dreigroschenoper nu al decennialang als een bajesbal achter zich aan sleurt is dat je het kreng al zó vaak hebt gezien en vooral gehoord dat zelfs die altijd veel te hard gespeelde ketelmuziek van Kurt Weill een mens op den duur de strot uit komt. Robert Wilson heeft derhalve vooral de formalist en stilist in zichzelf wakker gehouden, het grote en diepe toneel van Theater am Schiffbauerdamm zo goed als leeggeruimd, de steun gezocht van de allerbeste licht- en geluidstechnici die het gezelschap in huis heeft, en zijn ruim twintig toneelspelers als een marionettenspeler (die hij per slot van rekening ook is) fors beteugeld, strak in het korset gehesen en achter geschminkte clownsmaskers en spookgrime opgeborgen. Ook in de muziek is nagenoeg niets meer te horen van de praalzucht die veel uitvoeringen kenmerkte. ‘Niks is hier zwaar, en alles heeft gewicht’, was het commentaar van een radioreporter van Sender Freies Berlin na de première, najaar 2007.
Het begint al met de spooky uitgevoerde personageparade in het begin, een kraaienmars met kerstboomverlichting voor het gesloten voordoek. Terwijl de gangsterbaas Macheath (Mackie Messer), rechts vooraan, rug zaal het beroemde openingslied (‘Und der Haifisch der hat Zähne’) zingt, waar een krakerige jaren-dertigruis doorheen is gemixt, trekken alle demonische halvegaren die de driestuiversspelonken bewonen aan hem voorbij. Vlak voordat de toneelspeler Stefan Kurt zich omdraait, ontbloot hij een fraaie schouderpartij. Met zijn blonde haren en zwaar aangezette plakwimpers ziet ‘Mackie’ Macheath eruit als een kruising tussen Mister (‘Are you free?’) Humphries en de toneelspelende nazilieveling Gustav Gründgens, de androgyne Verführer in dienst van de bruinzwarte horden en het chique theaterpubliek tussen 1933 en 1944. Het eerste optreden van het echtpaar Jonathan en Celia Peachum in hun winkel van bedelaarsattributen oogt als een strak gechoreografeerde dressuur van twee witgeschminkte griezels uit de eerste Duitse vampierfilm Nosferatu – eine Symphonie des Grauens. Het meubilair in hun toko bestaat uit aanhoudend in en langs elkaar geschoven neonverlichte constructies; het verplaatsen van knaapjes en bedelaarsprothesen, het aanzwengelen van de kassa, en ook het pesterig open en dicht schuiven van onzichtbare Brecht-gordijntjes, dat alles is hier toneelspelersmime van een hoge kwaliteit, ondersteund door een perfect geluidsdecor waarin het gerausch en de stemmen steeds net iets te luid en altijd net één slag té krakerig worden vervormd. Vervorming is ook het sleutelwoord voor de kostuums (veel verdikkingen en insnoeringen) van Jacques Reynaud, de frommelkapsels, hoerakuiven en vet opgelegde schmink van Ulrike Heinemann. Ensemblebewegingen zijn strak vastgelegde dansante mises-en-scène, ook de individuele bewegingen zijn in opzet groteske drilpassen, als hadden we hier van doen met duracelrobots die regelmatig moeten worden opgewonden, halve poppen, marionetten zonder touwtjes.
De grote spelers in dit bizarre spel hebben – na het ondergaan van de Wilson-dressuur – hun vrijheid herpakt, lijken een lange neus te maken naar de estheet en de formalist die hun regisseur is, en boetseren hun eigen, hoogst individuele tics en trucs in hun personage. Wilson laat ze breed grijnzend hun gang gaan. In zijn werk in Duitsland, zoals het muziektheater in Hamburg met Tom Waits (The Black Rider, wereldwijd gespeeld) en Lou Reed (POEtry, over Edgar Allan Poe), heeft hij zijn eigen humor (her)ontdekt in het speelplezier van zijn toneelspelers. En daar waar goeie toneelspelers zijn gedisciplineerde vormvastheid lijken te ontglippen, daar bereiken ze juist de toppen van hun kunnen. Dat is in deze voorstelling van Die Dreigroschenoper goed te merken aan een toneelspeler als Jürgen Holtz, die de cynische materialist, bedelaarskoning Jonathan Jeremia Peachum speelt. Holtz (1932) is een in de samenwerking met leerlingen van Brecht (Heiner Müller, Benno Besson, Ruth Berlau) doortimmerde en afgetrainde ex-DDR-toneelspeler bij wie de toneelgeest van Brecht als het ware door zijn bloedbanen stroomt en in zijn beenmerg ruist. Je hoort en ziet in zijn spel nog het verlangen naar denkend toneelspelen en vertellende aanwezigheid op de speelvloer, inclusief de prachtige dictie en de loepzuivere gestiek die daarbij horen. En die Robert Wilson wellicht bedoelt als hij in het programmaboek zijn bewondering uitspreekt voor ‘der Raum dahinter’ in het brechtiaanse toneel: ‘Achter de tekst staat een fijnzinnige vorm van ironie, achter het verhaal staat een idee, achter de personages staan verhalen, en achter de toneelruimte heerst spanning.’
Een ander speelwonder in deze Dreigroschenoper is de toneelspeelster Angela Winkler, hier vooral bekend als filmactrice (Die verlorene Ehre der Katharina Blum, Die Blechtrommel, Benny’s Video) en voor het laatst in Nederland op het toneel te zien geweest als de landgoedeigenares Ranjevskaja in Tsjechovs Kirschgarten (Burgtheater Wenen, regie Peter Zadek, Holland Festival 1997). Angela Winkler (1944) speelt op dit moment bijna alleen nog maar toneel en vrijwel uitsluitend in Berlijn. In deze Dreigroschenoper speelt ze ‘Spelunken-Jenny’, een afgedankte vroegere vlam van Macheath, nu tophoer in het bordeel te Turnbridge. Van deze relatief kleine rol maakt Winkler een juweel. Eerst zingt ze samen met Macheath/Mackie Messer de Zuhälterballade, de Ballade van de Souteneur (‘In jener Zeit die nun vergangen ist’), geweldig moment in de prachtig vormgegeven bordeelscène. Het ware hoogtepunt moet dan nog komen, een paar scènes later, in een hartbrekend mooie solo, de Salomo Song, net nadat Jenny haar oude liefde voor de tweede keer aan de politie heeft verraden. Dit lied over de wijsheid, de macht en de hartstocht die in hoge torens klom en dus wel diep moest vallen (‘Die Leidenschaft hat uns so weit gebracht/ Beneidenswert wer frei davon!’), werd toen ik de voorstelling zag zo breekbaar, zo teer gebracht, dat het luidruchtig auditorium volledig stilviel en na afloop ook enkele seconden stil bleef, voordat het ovationele open-doekapplaus losbarstte. Een criticus schreef: ‘Für wenige Minuten schafft die Winkler eine Traumwelt wie aus zerspringenden Glas.’

Die Dreigroschenoper door het Berliner Ensemble is te zien in het Amsterdamse Muziektheater op 21, 22, 24 en 25 april om 20.00 uur. De voorstelling duurt ongeveer drie uur. Reserveren: 020-6255455. Op alle avonden wordt drie kwartier voor aanvang een inleiding verzorgd. Deze is gratis toegankelijk