H.J.A. Hofland

Demontage van de middenklasse

Bijna zestig jaar, drie generaties, hadden de volken van Midden-Europa ernaar verlangd dat ze weer volledig tot ons werelddeel zouden horen. Tijdens de conferentie van Jalta in 1945 waren ze door de Grote Twee van het Westen aan Stalin verkwanseld. Na de val van de Berlijnse Muur in 1989 werden ze als leerlingen op de school van de westelijke democratie toegelaten. En nu konden ze eindelijk als lidstaten in de Europese verkiezingen meestemmen over de koers van de Europese Unie. Gemiddeld een vijfde van de Oost-Europeanen is komen opdagen. Zijn die mensen hun bevrijding vergeten? Ondankbaarheid als Europees probleem? Hoe komt het?

«Al gauw zal men constateren dat in deze regio na de val van het communisme nauwelijks een nieuwe, democratisch gezinde middenklasse is ontstaan. De Oost-Europese samenlevingen hebben de structuur van een piramide. Die bestaat uit een kleine toplaag — vaak leden van de oude communistische nomenklatoera — die zich via privatiseringen heeft weten te verrijken, en een brede basis die onder het bestaansminimum leeft», schrijft Lászlo Marácz, docent opleiding Europese Studies aan de Universiteit van Amsterdam in NRC Handelsblad van 19 juni. Volgt een lange, verhelderende en troosteloze dia gnose van de toestand in Oost-Europa. Voor euforie over de «Terugkeer naar Europa» is geen reden, besluit Marácz.

Voor wie de «captive nations» kent van vóór 1989 en zich nog herinnert wat vervolgens in de jaren negentig is gebeurd, kan dat geen verrassing zijn. In veertig jaar commando-economie was het burgerlijk democratische systeem in alle sectoren al grondig verwoest. Op deze puinhoop heeft het Westen met ruime kredieten vervolgens de vrije markt geïmplanteerd. Dat de aanpassing langer zou duren dan de euforisten van «het gelijk van rechts» omstreeks 1990 dachten, was toen al duidelijk. De sceptici werden weggehoond. In de tweede helft van de jaren negentig is in de Verenigde Staten en West-Europa de Nieuwe Economie uitgebroken. De elites in Rusland en Midden-Europa profiteerden mee. En toen de zeepbel barstte, bleef de bovenlaag grotendeels buiten schot, net als hier. Alles daaronder werd veel zwaarder getroffen. Nu deze miljoenen nieuwe Europese kiezers een gebrek aan «democratische gezindheid» verwijten, is absurd. Die gezindheid is het saldo van, onder meer, vijftien jaar van misplaatst optimisme in West-Europa.

Er is een eigentijdse parallel. Met een weergaloos a-historisch onbenul heeft onder leiding van de Amerikaanse regering het Westen anderhalf jaar geleden dezelfde politieke vergissing gemaakt, zij het veel grover. Door de neoconservatieven heeft een doorslaggevende meerderheid van de westelijke parlementen zich laten wijsmaken dat de oorlog tegen het Irak van Saddam Hoessein, door de onvermijdelijke verandering van het bewind in Bagdad, het begin zou zijn van de democratisering van de regio. Je kon betogen dat de Arabische wereld nog iets heel anders is dan de geïndustrialiseerde maatschappijen van de voormalige communistische wereld, dat de hiërarchieke verhoudingen, de rol van de godsdienst, de plaats van de vrouw, onderwijs, communicatie — zo gek kon je het niet opnoemen — niet te vergelijken is met wat we in het Westen gewend zijn. Nee, als Irak eenmaal was bevrijd en tot een democratische staat vertimmerd, kwam de rest vanzelf. Je kon Wolfowitz, Kagan, Rumsfeld, Kristol, de fine fleur van het denken der neo’s op hun woord geloven. Allemaal quatsch, nog erger dan wat de filosofen van de vrije markt in 1990 aan de man hebben gebracht. Maar in het Westen ging het er bij de meerderheid van het denkend deel der politici moeiteloos in.

Democratie bestaat bij de gratie van een stabiele middenklasse, de in redelijke welstand verkerende dikke middenmoot van de westerse maatschappij. Dat is een grondwet van de politicologie. Zo’n middenklasse voelt zich klasseloos, is in staat de tegenstellingen te verzoenen tot constructieve compromissen, slaagt erin de vernieuwing te absorberen zonder de continuïteit aan te tasten. Deze middenklasse is het bolwerk van, zoals Jacques de Kadt het heeft genoemd, «de politiek der gematigden». Deze typisch westerse middenklasse wordt nu zelf van alle kanten belaagd. Ook die ontdekking is al geruime tijd geleden door tal van sociologen en politicologen gedaan. Zonder dat iemand dat bewust heeft gewild, wordt de traditionele middenklasse van het Westen langzaam gesloopt. Door de mondialisering, de nieuwe arbeidsverhoudingen, megaconcentraties in het bedrijfsleven, het oppermachtige info- en entertainment, en niet in het minst door de nieuwe angsten voor terrorisme en immigratie. Zienderogen verandert het zelfvertrouwen van de middenklasse, de eigenschap bij de gratie waarvan ze bestond, in de toestand van dagelijks een nieuwe labiliteit.

Het absurde is dat «wij», de politieke leiders van het Westen, een verworvenheid willen exporteren die bij ons in een staat van manifest verval is. Misschien hebben de Oost-Europeanen en de Arabieren dit, ieder op hun eigen manier natuurlijk, intuïtief begrepen. De politieke beschaving van de westerse middenklasse is geen voorbeeld meer. Het ergste is dat we dit zelf nog niet goed hebben begrepen.