De jaren dertig zijn terug

Den Haag en de crisis

Afgelopen dinsdag refereerde premier Balkenende aan de grote crisis van de jaren dertig om de ernst van de huidige situatie te benadrukken. Wat kan Balkenende leren van Colijn

Medium 04694060 1

EEN OUD-KAMERLID weet één ding zeker: overeenstemming over ingrijpende maatregelen van de omvang die het kabinet nu te wachten staan, is alleen te bereiken aan het begin van een kabinetsperiode, niet halverwege. Kijk hoe de coalitiepartijen elkaar al in de haren vliegen. Wat hem betreft komen er meteen verkiezingen. Duidelijk een lid van een oppositiepartij.
Want ondanks de aanvaringen over de hypotheekrenteaftrek, de AOW-leeftijd en de aanrechtsubsidie zullen coalitiepartijen CDA, PVDA en ChristenUnie zich er veel aan gelegen laten liggen eruit te komen. Zij weten dat de kiezer, nu de economische crisis om zich heen begint te grijpen, niet zit te wachten op ruziënde politici. Als het kabinet valt, vrezen zij de rekening gepresenteerd te krijgen in de vorm van zetelverlies.
Het kabinet-Balkenende IV staat voor een ingewikkelde taak. Moet het de inzakkende economie stimuleren, wat is dan effectief en wie betaalt dat? Daarnaast zit het kabinet nu al met een dreigend tekort van twaalf miljard euro door een combinatie van minder inkomsten aan onder meer belasting en meer uitgaven aan onder meer werkloosheidsuitkeringen. Moet het dat tekort voor lief nemen en de rekening naar de toekomst schuiven, omdat de economie een bezuiniging van die omvang er niet bij kan hebben? Indien daar geheel of gedeeltelijk voor wordt gekozen, doemt de vraag op hoe die rekeningen moeten worden betaald. Gaan we leven op kosten van onze kleinkinderen?

DE HUIDIGE crisis wordt nu ook door minister-president Balkenende vergeleken met die na de beurskrach van 1929. Als die vergelijking opgaat, staan we nog maar aan het begin van de neergang. Destijds duurde het jaren voordat er sprake was van herstel. In 1935, zes jaar na de krach, was de werkloosheid in Nederland gestegen tot 35 procent van de beroepsbevolking. Een jaar eerder was het tekort van de staat opgelopen tot het toen gigantische bedrag van 190 miljoen gulden. Net als nu worstelde het kabinet, dat in 1929 net was aangetreden, met de vraag welke maatregelen het kon nemen om de economie te stimuleren en hoe het daarnaast toch ook kon bezuinigen op de uitgaven.
Het kabinet-Ruijs de Beerenbrouck nam drie wetten aan die boeren moesten steunen: de crisis-tarwewet, de crisis-zuivelwet en de crisis-pachtwet. De eerste garandeerde een minimumprijs voor tarwe, de tweede een vergoeding aan boeren voor hun melk, hetgeen toen neerkwam op vijf gulden per koe per jaar, met de derde kon de pachtsom naar beneden. Daarnaast beschermde het kabinet de eigen handel door de invoer uit het buitenland aan banden te leggen.
Volop protectionisme dus. Formeel is dat nu taboe, hoewel menig politicus zich er op de een of andere manier aan bezondigt: de Franse president Sarkozy met zijn miljardensteun aan de Franse automobielindustrie, de Amerikaanse president Obama met zijn ‘eigen’ staal eerst en Nederlandse ministers met hun voorstel de Europese aanbestedingsplicht buiten werking te stellen.
Voor het pakket bezuinigingen stelde het toenmalige kabinet een commissie in onder leiding van de katholieke politicus Charles Welter. Die stelde voor de regelingen voor werklozen te versoberen. Dat schoot in het verkeerde keelgat van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, voorloper van de PVDA en destijds oppositiepartij. De afdelingsnotulen uit september 1932 van SDAP-Roosendaal melden: ‘Voorzitter memoreert de aangekondigde troonrede en het daarin verwerkte rapport van de Commissie Welter, waartegen de moderne arbeidersbeweging een grote actie ontwikkeld heeft en nog ontwikkelt. Alhoewel de steunverlaging nog niet is ingevoerd, zegt spreker, toch dient stelling genomen te worden tegen iedere verslechtering die de arbeidersklasse opgelegd wordt.’
Ook nu wordt gelonkt naar de uitkeringen. VVD-leider Mark Rutte wil de duur van de WW-uitkering inkorten, in ruil voor een hoger uitkeringsbedrag. Dat zou niet alleen geld besparen, het past volgens Rutte ook beter bij de moderne arbeidsmarkt, waar van baan naar baan wordt gehopt. Het zou bovendien beter aansluiten bij een toekomstige arbeidsmarkt waar een tekort aan personeel dreigt, hoe tegenstrijdig dat ook klinkt in deze tijd van massaontslagen. Lang van een uitkering kunnen genieten, bevordert niet het accepteren van een nieuwe baan. Nu is het de SP die zich het felst verzet tegen de aantasting van de WW.
Als een vergelijking met de crisis uit de jaren dertig opgaat, zijn het ook de ambtenaren die moeten opletten. Op advies van Welter is destijds gekort op hun salarissen. Zo’n ingreep zou ook nu geld in het laatje brengen. Ambtenarensalarissen zijn nog steeds een grote uitgavenpost.
Maatregelen om de economie te stimuleren waren er destijds ook. Net als nu werd gekeken naar de bouw en infrastructurele projecten. Nederland heeft er de Noordoostpolder aan te danken. Bij de keuze hiervoor viel een duurder project juist af: de Markerwaardpolder. Het werd de polder aan de oostkant van het IJsselmeer, niet alleen omdat deze goedkoper in aanleg was, maar ook omdat het achterland van die nieuwe polder een grotere toestroom van boeren zou garanderen. Bovendien werd niet alleen gekozen voor de goedkoopste polder, maar is bij de aanleg ook nog beknibbeld op de kosten: daardoor kreeg de polder geen randmeer aan de noordelijke zijde. Nu gaan er stemmen op om dat meer alsnog aan te leggen. Goed voor de werkgelegenheid.
Maatregelen om spaarders te ontzien nam het toenmalige kabinet eveneens. Destijds was dat door de gulden niet te devalueren, hoewel omringende landen dat met hun munt wel deden. Het kabinet verzette zich ertegen omdat het spaargeld daardoor minder waard zou worden. Afgelopen najaar hielp het kabinet spaarders door hogere spaarbedragen te garanderen als een bank omvalt. Ook gaf het voorrang aan particuliere spaarders boven provincies en gemeentes bij het terugvorderen van spaargeld bij de failliete IJslandse bank Icesave. Het tegenhouden van de devaluatie bleek destijds overigens niet vol te houden. In 1936 moest een nieuw kabinet dat alsnog doen.

MINDER INGRIJPEND was de crisis in de jaren zeventig. Aan die crisis heeft Nederland behalve de les dat noodlijdende bedrijven geen subsidie moeten krijgen en de lonen gematigd moeten worden de VUT overgehouden, het stoppen met werken vóór je 65ste. Waarschijnlijk is daaraan nu ook, relatief kort nadat de VUT is afgeschaft, de weerstand te danken tegen het verhogen van de AOW-gerechtigde leeftijd naar 67 jaar. Toch werd bij de invoering van de VUT al gewaarschuwd voor de vergrijzingsgolf en de kosten en het gebrek aan arbeidskrachten die deze met zich mee zou brengen.
Halverwege de jaren zeventig werd de VUT echter gezien als een eerlijk middel om de last tussen generaties te verdelen: de ouderen eerder eruit met een iets lager inkomen om zo op de arbeidsmarkt plaats te maken voor de jongeren, die anders langdurig werkloos zouden zijn. Het was toen een, wat ze nu zouden noemen, onorthodoxe maatregel. Pas na vijf jaar praten en experimenteren werd de VUT overigens bij wet geregeld.
Onorthodox was begin jaren negentig ook het idee dat de overheid zou ingrijpen in de WAO. In tijden van teruglopende economie, zoals eind jaren tachtig, bleek de WAO de manier te zijn geworden om minder productieve werknemers ‘te lozen’. Daardoor dreigde het aantal WAO’ers op den duur de miljoen te gaan halen, hetgeen toenmalig minister-president Ruud Lubbers deed verzuchten dat Nederland ziek was. Zonder slag of stoot ging dat ingrijpen overigens niet, waardoor de stijging van het aantal WAO’ers nog doorliep tot 2003. In polderend Nederland gaan maatregelen die verworvenheden aantasten nooit snel.
Dat blijkt ook nu weer. De zogenaamd onorthodoxe maatregelen waar het kabinet over steggelt, zijn als idee niet nieuw, er wordt al jaren over geruzied. Volgens degenen die die maatregelen promoten, zijn ze in de nabije toekomst nodig voor het dekken van miljardentekorten die het gevolg zijn van de vergrijzing, maar zijn ze helemaal noodzakelijk nu het overheidstekort al dit jaar oploopt.
Wat we nu meer uitgeven, kan dan straks worden terugbetaald. Omdat de uitgaven aan de AOW omlaag gaan als de AOW-leeftijd geleidelijk omhoog gaat. Omdat er meer belastinggeld binnenkomt als de hypotheekrenteaftrek versobert. Omdat er geld in het laatje blijft als de aanrechtsubsidie voor nieuwe generaties verdwijnt. Omdat de zorgkosten omlaag gaan als de AWBZ minder riant vergoedt. Omdat werkloosheidsuitkeringen goedkoper zijn als een werkloze er minder lang recht op heeft.
Het huidige kabinet heeft al dit soort maatregelen twee jaar geleden voor zich uit geschoven. Vanwege onderlinge onenigheid. Want aan elke maatregel kleven nadelen of principiële bezwaren. Onorthodox zijn de ingrepen dus alleen als er nu overeenstemming over zou worden bereikt.
Maar in polderend Nederland valt dat niet mee. SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan mag dan roepen dat werkgevers en werknemers het erover eens zijn dat de overheid vaart moet maken, hij heeft het dan alleen over de stimuleringsmaatregelen. Niet over de manier waarop het miljardentekort betaald moet worden. Dan kruipt iedereen weer in zijn eigen loopgraaf. Niet alleen politici, ook het middenveld.

HOE VERGING het dat eerste kabinet na de krach? Het sneuvelde in 1933. Aan de verkiezingen deden vervolgens maar liefst 54 partijen mee, twaalf meer dan daarvoor. Van de drie regerende christelijke partijen won alleen de Anti-Revolutionaire Partij, dankzij sterke man Hendrik Colijn. Ook oppositiepartijen als de SDAP en de Vrijheidsbond, voorloper van de VVD, verloren.
SDAP-afdeling Roosendaal waarschuwde overigens nog. Vooral moest aandacht worden geschonken ‘aan hen die dreigen tot het pauperisme te vervallen en ook aan de middenstand, daar deze groepen anders zouden overgeleverd worden zoals in Duitschland aan de zgn. Nat. Socialisten’. De zetelwinst ging naar nieuwe splinterpartijen. Maar niet naar de meest extreme, de Fascistenbond.

foto : Paul van Riel /HH