De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

De brandweermannen van de integratie

‘Denk alsjeblieft zelf na’

‘Mohammed is onze profeet, daar spot je niet mee.’ Eberhard van der Laan en Lodewijk Asscher stuiten in hun gesprekken met moslimjongeren op onbegrip en achterdocht. ‘Ik praat me helemaal SUF!’

Medium asschervdlaan3

De televisie staat aan bij de familie El Yakoubi, een nieuw toestel, nog groter en mooier dan het vorige. Het journaal gaat zo beginnen. De boekenkast vol religieuze, islamitische werken heeft een prominente plaats in de kamer, El Yakoubi zegt alle boeken te hebben gelezen. In de keuken zitten zijn twee dochters, ze maken huiswerk, in pyjama met een plaid over hun benen.

De gebeurtenissen van de afgelopen tijd, zoals de aanslagen in Parijs, bespreken ze thuis in Amsterdam zo min mogelijk. Vroeger, na de moord op Theo van Gogh, discussieerden ze heftig, maar al dat praten maakte iedereen alleen maar opgewonden en bang.

El Yakoubi is een imam van middelbare leeftijd. Jaren geleden werkte hij als liftmonteur, nu is hij tot zijn vreugde geestelijk verzorger in een groot ziekenhuis. Als hij thuis is kijkt hij zowel naar Arabische als naar Nederlandse zenders. Al moet hij eerlijk toegeven: Nederlandse nieuwsprogramma’s ziet hij met steeds minder plezier. Er zit te veel een wij-tegen-zij-onderstroom in de berichtgeving, de ‘dominante cultuur’ is te nadrukkelijk aanwezig. Om zijn woorden kracht bij te zetten steekt hij zijn armen naar voren en maakt een duwend gebaar. ‘Die aanslagen zijn vreselijk, maar wij moslims worden nu voortdurend in een hoek geduwd.’

De vijfkamerflat in Osdorp zit in een imposant gebouw waarin bijna alleen grote Marokkaanse gezinnen gehuisvest zijn. Ook onderling wordt nauwelijks over Parijs en de toegenomen spanningen gesproken, vertelt mevrouw Yakoubi, zelfs niet via de Whatsapp-groep die de vrouwen in de flat hebben aangemaakt. Na de moord op Van Gogh waren ze banger voor represailles van Nederlanders dan nu, dat was nóg dichterbij. De jongste dochter zit op de havo, op een zwarte school waar allerlei verhalen de ronde doen. Veel leerlingen ontkennen dat de aanslagen door moslims zijn gepleegd. De zionisten zitten erachter, is hun overtuiging, het is hun levenstaak moslims in een kwaad daglicht te stellen.

El Yakoubi roept al jaren dat er beter moet worden gelet op jonge jongens en meisjes die, zoals hij het zegt, de islam niet kennen. Jongeren die niet goed zijn voorgelicht zetten eerder rare stappen. Er zou meer aandacht moeten zijn voor een goede interpretatie van religie, niet alleen in de moskee, maar ook op scholen. ‘Jongeren met vragen kunnen nergens naartoe’, zegt hij keer op keer en die boodschap is wat hem betreft actueler dan ooit – veel van hen hebben extreme ideeën. Jongeren willen antwoorden op hun levensvragen en vallen nu makkelijk in verkeerde handen. Moskeebesturen zijn niet voortvarend genoeg, ze laten de jongeren te veel aan hun lot over.

pvda-Tweede-Kamerlid Ahmed Marcouch pleitte in 2006 voor islamlessen op de basisschool; verkeerde of onvoldoende kennis over de islam kan tot radicalisering leiden, stelde hij. Kennis kan een goed wapen zijn. Die boodschap – meer godsdienstonderwijs – werd hem niet in dank afgenomen. De scheiding tussen kerk en staat is heilig. Maar, betoogt, Marcouch, als een goede kennis van de islam kan helpen, waarom zou je dat dan niet proberen?

In Duitsland zijn ze overstag. Daar krijgen leerlingen op de basisschool islamles van speciaal door het ministerie van Onderwijs opgeleide docenten, om zo de integratie te bevorderen en de radicalisering tegen te gaan.

In Nederland is men nog niet zo ver. Ook de Amsterdamse burgemeester Eberhard van der Laan, zelf niet religieus maar wel gereformeerd opgevoed, moet er niets van hebben. Geloof is een privé-aangelegenheid en dat wil hij graag zo houden. De afgelopen tijd volgde ik Van der Laan bij zijn openbare optredens. Ik wilde zien hoe hij dat deed, burgemeester zijn. Ik zag hem opereren in de gemeenteraad, hoffelijk, maar ook direct. Altijd met een papieren beker slappe koffie verkeerd voor zich. Ik zag hem honderdvijftig daklozen een hart onder de riem steken tijdens hun vroege kerstontbijt. Ik was bij zijn bezoek aan een ouderencentrum in Zuid, en ik hoorde tijdens een bijeenkomst met de buurt hoe hij meevoelde met het leed dat de nieuwe route van buslijn 62 veroorzaakte, sommige haltes waren opgeheven. De oudere passagiers konden nu niet meer rechtstreeks naar het VU-ziekenhuis of het winkelcentrum op het populaire Gelderlandplein. ‘De signalen zijn schrijnend’, sprak een geëmotioneerde buurtbewoner. ‘Chauffeurs krijgen passagiers die eerst hun hart moeten uitstorten. De menselijke maat is zoek. Ik wil u vragen burgervader, wat kunt u doen?’

Maar toen kwamen de aanslagen in Parijs. Zijn agenda raakte overvol met afspraken die te maken hadden met de gevolgen van die moordpartij en de toegenomen dreiging. Voor Lodewijk Asscher, vice-premier en minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gold datzelfde, want integratie en radicalisering zit in zijn portefeuille. Als brandweermannen renden ze van hot naar her om waar nodig te blussen en zo mogelijk ‘bruggen te bouwen’. Zich zo veel mogelijk laten zien en met iedereen praten, luisteren, geruststellen – het móest. Allebei zien ze het woord als het belangrijkste wapen tegen radicalisering. ‘Wordt weerbaar’, riep Asscher tegen wie het maar wilde horen. ‘Denk alsjeblieft zelf na.’ Van der Laan maande tot onderlinge verdraagzaamheid. ‘Verplaats je in de ander.’

Afgelopen september sprak Van der Laan in zijn Abel Herzberg-lezing over ‘een verdrietige en onrustige zomer’, doelend op het neerstorten van de MH17 en de gevolgen van de oplaaiende oorlog tussen Israël en de Palestijnen. Hij vertelde ook toen al onvermoeibaar en aan iedereen die het wilde horen hoe hij de gepolariseerde stemming betreurde. Die was niet nodig vond hij. Zeker niet als je de moeite nam je in de ander te verdiepen en elkaar wat ruimte te gunnen.

Zijn optredens waren altijd scherp, altijd intens en als hij boos of geëmotioneerd raakte, begon hij met zijn vinger te wijzen. Hij sprak geen lieve, verzoenende woordjes, nee, Van der Laan is temperamentvol en kan intimiderend overkomen. De inhoud van zijn boodschap aan alle minderheden was duidelijk: spring over je schaduw heen en neem verantwoordelijkheid. Ga niet klagen, maar doe mee. Daarin wijkt hij niet veel af van zijn voorganger Job Cohen, die hetzelfde betoogde, maar de verpakking is anders. Cohen bleef altijd rustig en bedaard, terwijl Van der Laan de ander uitdaagt en soms fel van leer kan trekken.

Tegelijkertijd probeert hij zo min mogelijk te oordelen. Hij zal moslims niet vragen afstand te nemen van Islamitische Staat. ‘Dat kan ik niet doen, als moslims dat uit zichzelf doen vind ik dat fijn, maar zodra ik dat van ze zou verlangen, wordt het een generalisatie en dus gevaarlijk’, zei hij in De wereld draait door. Ahmed Aboutaleb, ‘een fantastische collega’, kan dat wel, vindt Van der Laan, omdat de Rotterdamse burgemeester zelf een moslim is.

Toen Van der Laan vanwege de elkaar opvolgende incidenten discussiezaaltjes en dialooggroepen begon af te lopen kreeg hij na enige tijd versterking van Lodewijk Asscher. Soms traden ze samen op, zoals bij het bezoek aan de sjoel in de Jacob Obrechtstraat vlak na de aanslag op de koosjere supermarkt in Parijs. Ze spraken ook allebei op de druk bezochte bijeenkomst van de dialooggroep Salaam/Shalom in café Belcampo, gevestigd in de bibliotheek van Amsterdam-West. Op die avond werd onder meer een Skype-verbinding gezocht met een vergelijkbare dialooggroep in Parijs.

Van der Laan en Asscher zijn gezichtsbepalend voor de pvda. Deze juristen, die problemen graag afstandelijk en analytisch benaderen, hebben groot gezag, zowel binnen als buiten de partij. Bovendien realiseren ze zich dat de maatschappelijke rust met één pennenstreek verstoord kan worden. Daarnaast raakt het onderwerp van intolerantie hen beiden niet alleen politiek, maar ook persoonlijk. De ouders van Van der Laan zaten tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet in het gereformeerde dorp Rijnsburg. Zijn vader, een huisarts, was niet bang aangelegd maar zijn moeder vond het allemaal doodeng. Zij overwon haar angsten domweg omdat ze vond dat ze moest doorzetten. ‘Dat is pas echt moedig’, zei Van der Laan in het blad Katwijk in de oorlog. Daar voegde hij nog een prachtige zin aan toe: ‘Moed is het vermogen om met angst om te gaan.’

Asscher heeft een gedeeltelijk joodse achtergrond en weet van huis uit wat het is om tot een minderheid te behoren. Tijdens de oorlog was zijn overgrootvader Abraham Asscher, een belangrijk diamantair en invloedrijk Amsterdammer, een van de twee voorzitters van de Joodse Raad, een omstreden orgaan dat door de Duitsers in het leven was geroepen en dat lijsten met namen van joden moest verschaffen, die dan vervolgens konden worden gedeporteerd. In 1943 werd de oude Asscher zelf afgevoerd naar concentratiekamp Bergen-Belsen. Na de oorlog werd zijn dubieuze rol hem zeer kwalijk genomen en mocht hij geen enkele functie meer vervullen in een joodse organisatie. Hij stierf vijf jaar na de bevrijding als een verbitterd man.

Al gaat de vergelijking tussen de situatie van toen en die van nu volkomen mank, toch lijkt het of Lodewijk Asscher wat zijn overgrootvader niet goed deed, wil compenseren. Het onderwerp radicalisering, uitsluiting, discriminatie, raakt hem en hij wil daar iets in betekenen; dat merk je aan zijn toewijding. Behalve dat hij begrip toont formuleert hij ook elke keer weer de zorgen die hij heeft over het tempo waarin de integratie vordert. Want er is haast, ongelooflijke haast.

‘Laat niemand hier zeggen dat het misgaat in onze stad’

Op 3 december, ruim een maand voor de aanslagen in Parijs, is Van der Laan te gast bij Argan, een Marokkaans jongerencentrum in Amsterdam-Nieuw-West. Hij zal met moslims en joden praten over de onderlinge spanningen na de uit de hand gelopen anti-Israël-demonstratie in Den Haag, eerder die zomer, waar ‘dood aan de joden’ werd geroepen en Isis-vlaggen werden meegedragen. Omdat de burgemeester wat later is, begint rabbijn Menno ten Brink vast met zijn toespraak. Aan het eind daarvan stapt Van der Laan binnen. Hij lijkt ietwat geagiteerd.

Eind oktober raakte hij in conflict met Argan toen zij op het laatste moment een debat afgelastten waar Okay Pala van de omstreden radicale islamitische beweging Hizb ut Tahrir in gesprek zou gaan met jongerenimam Yassin Elforkani. De burgemeester had Argan geadviseerd dit debat niet te houden – Argan krijgt geld van de gemeente – omdat hij bang was dat de populaire Pala kwetsbare jongeren zou kunnen verleiden om te gaan vechten in Syrië. En dat zou weer kunnen terugslaan op de gemeente, die er juist de handen aan vol heeft om dat te voorkomen. Er ontstond een rel, men vond dat de burgemeester zich hier niet over had mogen uitspreken. Van der Laan werd daarna door de gemeenteraad gekapitteld en tijdens de raadsvergadering in oktober beloofde hij binnen vier weken middels een brief terug te komen op de kwestie. De brief wordt binnenkort eindelijk naar de raad gestuurd.

Eerst neemt een felle tegenstander van Zwarte Piet nog het woord, hij maakt een opmerking over het feit dat de burgemeester te laat is. Van der Laan kijkt narrig. ‘Vond ik een beetje flauw van u. Ik ben hier op afspraak van half zes tot half zeven en ik ga zo niet naar de bioscoop. Ik vind het toch van belang om dat te benadrukken.’

Als de man mompelt dat je in Amsterdam niet mag demonstreren zegt Van der Laan, die zich nu zichtbaar opwindt: ‘Het is een voorrecht burgemeester van Amsterdam te zijn, het is de meest vrijzinnige stad ter wereld en iedereen die onze stad, mijn stad, een kat geeft door te stellen dat je er niet vrij of veilig bent, die loopt tegen mij op. Een deel van het land vindt mij een slappe zak die capituleert in de kwestie Zwarte Piet, en een deel zegt dat ik te weinig heb gedaan om verandering tot stand te brengen. Terwijl ik honderd keer heb gesproken met Quincy en met iedereen. Ik kan het niet verdragen als mensen zeggen: je hebt niets gedaan. Ik heb er als een beest aan gewerkt.’

Boos: ‘Nog één ding. Vorig jaar vierden wij in Amsterdam het vierhonderdjarig bestaan van de grachten. En iedereen weet dat een deel van de grachten is gebouwd op de slavenhandel. Het huis waar ik woon, de residentie, is gesticht door een meneer die zijn geld verdiende in de slavenhandel. Ik heb beloofd dat ik bij iedere bijeenkomst over vierhonderd jaar grachten de zwarte bladzij van de slavernij zou noemen. Dat deed ik te pas en te onpas, soms dachten mensen als ik er weer over begon: die man is depressief – maar ik ben mijn belofte nagekomen.’

Tegen de aanstichter van deze woedeuitbarsting, die wat beduusd zit te kijken: ‘Jij woont in een stad, meneer, waarin alle 820.000 Amsterdammers het recht hebben te zijn wie ze willen zijn en om op te komen voor hun rechten. Maar ik kom hier voor iets anders dan Zwarte Piet en de discussie moet niet worden gekaapt.’

Medium asschervdlaan

Van der Laan schakelt naar de joden en moslims: ‘We zijn met elkaar bezig een golf van gesprekken te voeren, want uiteindelijk los je het alleen op door te praten en elkaar te begrijpen. U weet allemaal dat een bepaalde Nederlandse politicus zo ver ging om te roepen: “Minder, minder, minder”. Dat raakte heel erg mijn Marokkaanse Amsterdammers. Binnen 24 uur zat ik op tv en zei dat ik als oud-advocaat zelden zo’n gaaf geval van haat zaaien en discriminatie heb gezien. Ik stond naast de Marokkaanse Amsterdammers. Deze zomer gebeurde er wat anders, na de demonstraties in Den Haag voelden joodse Amsterdammers gevaar. Ik kreeg zelfs brieven van ze met de vraag of ze beter konden emigreren. Toen ben ik naast hen gaan staan. Ik voer eindeloze gesprekken. Soms hoor ik dat ik dat te weinig doe. Nou de groeten, kom maar kijken in mijn agenda, want ik praat me helemaal SUF!’

Iedereen is muisstil. ‘De meeste Marokkaanse en joodse Amsterdammers hebben geen enkel probleem met elkaar. Laten we dat relativeringsvermogen ook opbrengen.’ En dan, bulderend als een boze vader: ‘Laat niemand hier zeggen dat het misgaat in onze stad.’

Van der Laan grijpt terug op zijn Abel Herzberg-lezing, noemt Herzberg een vooraanstaande joodse Nederlander die wijze dingen zei na de shoah en geeft een treffend voorbeeld: ‘Ik leerde van hem dat je op moet passen dat je in je gevecht tegen onverdraagzaamheid zelf niet onverdraagzaam wordt.’

Ten slotte neemt hij het ongevraagd op voor Lodewijk Asscher, die op dat moment bij allochtonen onder vuur ligt na zijn aankondiging vier Turkse organisaties op de voet te zullen volgen omdat ze naar zijn idee onvoldoende transparant zijn. Ze zouden bovendien te veel vanuit Turkije gestuurd worden. De strenge boodschap van Asscher viel niet goed in Turkse kring. Daarnaast kreeg hij kritiek toen hij de resultaten bekendmaakte van een onderzoek dat het onderzoeksinstituut Forum (door het ministerie gesubsidieerd) door het bureau Motivaction had laten uitvoeren. Daaruit bleek dat tachtig procent van de Turkse jongeren begrip zou hebben voor jihadstrijders en bewegingen als IS zouden steunen. Iedereen viel over die uitkomst en dus over minister Asscher heen. ‘Als er iemand kan verbinden, is hij het’, zegt Van der Laan. ‘Ik daag je uit te zeggen dat het niet zo is. Als je de Asschers van deze wereld gaat aanvallen, waar ben je dan mee bezig? Hoe gevaarlijk is dan het spel. Hoe hoog is dan de prijs als je niet beseft dat je in hem een bondgenoot hebt in de strijd tegen discriminatie. Mag ik die waarschuwing geven?’

Ruim vier weken later volgt de slachting bij Charlie Hebdo. Van der Laan moet een dag erna, voor de commissie algemene zaken begint, de pers te woord staan in het stadhuis. Eerst sbs6, dan at5 en dan Nieuwsuur. ‘Hoe staat de burgemeester op na zo’n nacht?’ is de eerste vraag. ‘Met hoofdpijn maar vastbesloten dat de angst niet de overhand mag nemen.’

Fractievoorzitter van d66, Jan Paternotte, wil even later tijdens de commissievergadering weten waarom is besloten om de beveiliging van joodse gebouwen terug te brengen. Dilan Yesilgoz van de vvd vraagt hoe het met de beveiliging van moskeeën zit. Van der Laan herhaalt in telkens andere woorden dat er een grote opgave voor ons ligt en dat we niet bang en verdeeld moeten raken. ‘Dat wil de terrorist. Die moeten straks het gevoel hebben dat ze zich deerlijk hebben vergist.’

Joodse instellingen zijn geïnspecteerd, vertelt Van der Laan, en ze kunnen met minder beveiliging toe. Hij snapt dat het joodse volksdeel het anders wil, maar er moet worden gewerkt met schaarse middelen. ‘Dat is de realiteit.’ Paternotte vraagt of dit wel het goede moment is ‘om af te schalen’. ‘Wilt u kijken gezien wat er gisteren is gebeurd of het een wijs besluit is?’ De burgemeester belooft Paternotte dat hij zijn vraag zal ‘verwerken’, door er weer over te praten in de driehoek, maar waarschuwt opnieuw: ‘We hebben maar één gezamenlijke portemonnee.’

Nog geen 24 uur later stormt Amedy Coulibaly de joodse supermarkt in Parijs binnen en schiet vier mensen dood. Daarna wordt besloten de beveiliging van de joodse objecten tot aan de zomer op volle sterkte te houden en ook moskeeën extra in de gaten te houden. Maar Van der Laan wil geen politiestaat, zegt hij die avond in De wereld draait door, waar hij reageert op de kop in De Telegraaf waarin wordt beweerd dat terroristen het op Amsterdam hebben gemunt. Hij roept de bevolking op nuchter te blijven, de kans op een aanslag blijft klein, stelt hij gerust.

Een paar dagen later, bij de bijeenkomst van de dialooggroep Salaam/Shalom in de overvolle bibliotheek van Amsterdam-West, komt hij samen met zijn chef kabinet vermoeid de trap op. Er is een leger van beveiligers aanwezig, buiten en binnen. De burgemeester krijgt een ovationeel applaus van een publiek dat graag luistert naar zijn boodschap: we zijn samen en we laten ons niet bang maken. ‘Er is weinig kwaad nodig om welwillendheid kapot te maken.’ En: ‘We moeten doorgaan met ons leven. Joop den Uyl zei tijdens de krakersrellen in 1981: “Wij vechten ook, maar met het woord als hoogste wapen.”’ Er wordt een minuut stilte gehouden.

‘Als je de Asschers van deze wereld gaat aanvallen, waar ben je dan mee bezig?’

De camera’s gaan bij de deur staan, Lodewijk Asscher kan ieder moment arriveren. Ondertussen worden er Arabische gedichten voorgelezen en joodse liederen gezongen. Als Asscher binnen is, legt hij de speech die voor hem is geschreven terzijde en laat het katheder voor wat het is. Zijn motoriek is wat houterig maar zijn toespraak vol vuur. Iedereen zal waar nodig beschermd worden, ronselaars noemt hij kinderlokkers en jongeren moeten vooral zelf leren nadenken. Bijna een hartenkreet: waren de jongeren maar weerbaarder. Hij refereert in zijn toespraak aan een schoolbezoek dat diepe indruk op hem maakte, een paar dagen na de aanslagen in Parijs.

Ik was erbij toen Asscher op een donderdagochtend vroeg aanschoof bij de les burgerschap in Amsterdam-West op een vmbo waar na de moord op Theo van Gogh in alle talen werd gezwegen, uit angst voor onrust. Want hoe moest je de soms extreme overtuigingen van leerlingen kanaliseren? Dat Van Gogh was vermoord vonden sommigen destijds een buitengewoon goede zaak. Hij had het ernaar gemaakt.

We zijn te gast bij een derde klas. De school wil tegenwoordig juist wél over de actualiteit praten en een omgeving creëren waarbinnen leerlingen durven te zeggen wat ze vinden. Ze moeten beseffen dat er naar ze wordt geluisterd. Het gaat om ‘verbinding’.

De tafels staan in een carré opgesteld. Asscher gaat tussen de leerlingen zitten. ‘Ik zit in de politiek’, legt hij uit, ‘in Den Haag. In de politiek maakt men zich ongerust over de aanslagen en over het effect dat de spotprenten kennelijk kunnen hebben. Ik vind het fijn om daar met jullie over te praten.’ Hij vraagt of ze van de aanslagen weten, of ze er met hun ouders over praten.

Medium asschervdlaan2

De leerlingen zijn allochtoon, de meeste met een Marokkaanse achtergrond. Het kan niet dat een moslim verantwoordelijk is voor deze daden, zegt een leerlinge, moslims doen zulke dingen niet. ‘Waarom worden we almaar beledigd? Die cartoons moeten verboden worden? Waarom worden er geen grenzen gesteld door de politiek? De overheid? Daar zijn ze toch voor?’ De leerlingen vinden het beledigen van de profeet toch erger dan het doodschieten van een cartoonist. Net als sommige ouders. ‘Vreselijk’, was het commentaar van een vader van een van de leerlingen. Zijn afgrijzen sloeg op de cartoons in Charlie Hebdo en niet op de brute moordpartij.

Er doen op internet verhalen de ronde dat de politieman niet is doodgeschoten, want, zeggen de leerlingen, er was helemaal geen bloed te zien. Een jongen wil kwijt dat hij niet zo veel van de aanslagen heeft meegekregen. De docente vraagt hoe hij het nieuws hoorde. ‘Ik zag het nieuws’, zegt hij. Een klasgenote reageert: ‘Ik bekijk het nieuws niet, ik vond die spotprenten niet kunnen. Dat gaat te ver.’ Een ander nuanceert: ‘Deze aanslag is in de naam van islam gedaan en die zegt vrede te willen. Dit is dus sowieso verkeerd.’

Asscher, die duidelijk schrok van de eerste antwoorden, wil nu weten: ‘Hoe ga je om met spotprenten?’ Daar komt niet meteen een antwoord op, misschien is de vraag ook iets te moeilijk. De leerlingen willen eerst iets anders kwijt: het nieuws vertelt de waarheid niet. ‘Daarom kijk ik niet’, zegt een meisje dat meteen met een voorbeeld komt: ‘Palestina is een goed voorbeeld, dan zeggen ze dat er duizend doden zijn in Gaza, maar in werkelijkheid waren er drieduizend doden.’ Waar ziet ze dat nieuws? Stellig: ‘Op de Arabische zender, daar wordt de waarheid verteld!’ Of ze daar vaak naar kijkt, vraagt de minister. ‘Ja, daar vertellen ze eerlijk wat er gebeurt.’

We gaan terug naar 9/11, ook toen werd de werkelijkheid door de westerse media verdraaid, ook al waren ze toen net uit de luiers, ze weten het zeker. ‘Zijn er dan geen doden gevallen?’ vraagt de minister voorzichtig. Een leerlinge: ‘Dat wel, maar het zat anders dan de westerse media beweerden, er waren bijvoorbeeld geen belangrijke mensen in het gebouw die dag… Die waren van tevoren gewaarschuwd.’ Asscher, wat timide: ‘Daar schrik ik wel een beetje van.’

Een jongen wil ook wat kwijt: ‘Al dat praten, dat nu ineens moet, daar bereik je toch niets mee?’ Een ander: ‘Ja en dan gelijk die demonstraties, zoals hier in Amsterdam. Waarom? Er vallen elke dag overal doden. Waarom maakt iedereen zich nu ineens zo druk?’ En: ‘Als iemand de Hitlergroet brengt, wordt hij aangepakt, terwijl dat toch ook vrijheid van meningsuiting is?’ Waarom mag dat dan niet en de cartoons in Charlie Hebdo wél?’

Meten met twee maten is een terugkerend thema. Het is verrassend dat de leerlingen oprecht niet lijken te snappen waarom de aanslagen in Parijs tot zoveel commotie hebben geleid. ‘In elk volk zitten wel rotte appels’, zegt iemand. Een van de leerlingen draagt een oplossing aan. ‘Er moeten grenzen komen aan de vrijheid van meningsuiting’, zegt hij. Ter bescherming van ons allen. ‘Je hebt nu eenmaal gevoelige mensen die een snaar hebben die snel wordt geraakt.’

Wie moet die grenzen dan stellen? vraagt Asscher. Daarin zijn ze eensgezind: dat moet de politiek doen. Asscher, verbaasd: ‘Vinden jullie het dan niet prettig om de vrijheid te hebben om te kunnen zeggen wat je wil?’ Een jongen, resoluut: ‘Nee.’ Asscher, nieuwsgierig: ‘Zijn jullie gekwetst als je een tekening ziet van een man met een baard?’ In koor nu: ‘Ja.’

De minister doet een poging om de kwestie iets abstracter te bekijken: ‘Maar een man met een baard, dat kan toch net zo goed Sinterklaas zijn?’ Een meisje reageert verontwaardigd: ‘U vergelijkt appels met peren. Mohammed, vrede zij met hem, is onze profeet, daar spot je niet mee.’ Spotprenten over Mohammed mogen niet. Punt uit. Dan moet Asscher maar eens goed de koran lezen, daar staat het in. Asscher antwoordt dat hij dat heeft gedaan, maar niets tegenkwam over spotprenten. De leerlinge, nuffig tegen de vice-premier: ‘Dan heb je de koran niet goed genoeg gelezen.’ Gaande het gesprek schuiven de meningen iets op. Misschien dat je niet dood hoeft als je een spotprent van de profeet maakt, maar een lange gevangenisstraf lijkt toch wel op z’n plaats. Een leraar, zelf praktiserend moslim, vraagt of de leerlingen het lastig vinden hun mening te vormen, nu er ook binnen de islam zo verschillend wordt gedacht over wat ‘de goede islam’ is. Is dat misschien verwarrend voor ze?

Het meisje gaat door: ‘Die aanslag was een vooropgezet plan, het klopte niet. Die auto klopte niet, de spiegels van de vluchtauto waren eerst grijs, later wit. Die straat die normaal altijd zo druk was, was superleeg.’ Asscher probeert hun manier van redeneren te begrijpen en zegt zachtjes: ‘Is het prettiger dat te denken?’ De leerlinge zet haar hakken in het zand: ‘Nee, het is een feit. Deze aanslag is gepleegd om de islam te beledigen.’ Asscher vertelt over de bijeenkomst in de Amsterdamse synagoge, waar de grote held uit Parijs, een moslim, die de klanten in de joodse supermarkt verborgen hield in een koelcel, werd bedankt. Geen van de leerlingen kent het verhaal van de dappere Lassana Bathily. ‘Op welk nieuws was dat dan?’ Asscher spoort de leerlingen aan na te denken over hun leven, hun toekomst, hun geloof. Zelfstandig leren nadenken is zijn mantra, hij herhaalt het keer op keer: ‘Dat is zo belangrijk.’ Ze snappen niet waar de minister zich zo druk over maakt, ze denken heus goed na en hij heeft toch niet het idee dat er hier iets zal gebeuren? Bovendien, wat er in bijvoorbeeld Jemen gebeurt, is toch veel erger?

Asscher wil weten of ze jongeren kennen die naar Syrië zijn vertrokken. Of anders misschien ronselaars. Eén meisje beweert ‘boys’ te kennen die dicht bij het vuur zitten en die ook wel wat kunnen regelen voor degene die daar behoefte aan heeft. Op de vraag van de leraar of ze bereid zouden zijn het te melden als een bekende van plan is naar Syrië te vertrekken, steekt niemand zijn hand op. Verklikken, dat doe je niet. De een zegt: ‘Nee, dat boeit me niet’, terwijl een ander afwerende gebaren maakt. ‘Ik ben nog klein’, zegt ze met een vermoeide blik, ‘ik ben nog maar een kind.’

We rijden door de regen naar een volgende ‘zwarte’ school, het Comenius-college, een havo/vwo waar ook de dochter van de familie El Yakoubi op zit. Kees Buijtelaar, de rector, heeft een interessante observatie: op de eerste dag na de aanslagen in Parijs vonden de leerlingen het heel erg wat er was gebeurd. Maar dat gevoel was de tweede dag al weer weggeëbd. Sociale media hadden de leerlingen waarschijnlijk op andere gedachten gebracht. Volgens de rector is de druk van buiten groot voor deze leerlingen, ze worden een andere wereld in getrokken, er zijn onzichtbare manipulatieve krachten aan het werk.

‘De minister zei dat wij geslaagd zijn. Op mij kan hij rekenen’

Hoogopgeleide ouders met een allochtone achtergrond zijn ook bang, vertelt de rector. Hoe sturen we dit, vragen ze zich soms vertwijfeld af. Zij weten niet precies met wie hun kinderen omgaan en welke sites ze bezoeken. Ze vragen de school een oogje in het zeil te houden.

Deze ronde bezoekt Asscher een kleine 3 havo-klas, met niet meer dan vijftien leerlingen vandaag, met een Turkse of een Marokkaanse achtergrond. De sfeer is rustig, het gesprek voorzichtig, zoekend. Dat het publiceren van deze spotprenten heiligschennis is, daar is ook hier iedereen het over eens. Een leerling wil het graag aan de minister uitleggen: ‘We willen gewoon niet dat onze profeet wordt afgebeeld.’

Asscher, die voor de klas staat, wil begrijpen waarom: ‘Hoe weet je dat hij het is, dat de profeet er zo uitziet als hij is afgebeeld? Laat jij je zo beïnvloeden door wat anderen vinden van jouw profeet? Jullie zijn stoere jongeren, waarom voel je je zo beledigd?’ Na een korte stilte komt er een reactie: ‘Het is beledigend maar we moeten ons er niets van aantrekken, die aanslag slaat nergens op.’

De aanwezige leraar, die normaal gesproken Engels geeft, vraagt: ‘Waar trek je de grens? Als je iemand uitscheldt om zijn blonde haar, is dat beledigend?’ Een jongen verzucht: ‘Kunnen we niet een boete opleggen bij beledigen, ook als het om spotprenten gaat?’ De leraar geeft aan dat dat lastig kan worden: ‘Wat voor mij heilig is, is dat voor jou misschien helemaal niet. Waarom zou jouw principe heiliger zijn dan het mijne?’ Er komt geen antwoord.

Asscher stelt de hamvraag ook weer in deze klas: ‘Wie moet bepalen of een spotprent wordt verboden?’ Opnieuw wordt het heil van de overheid verwacht. ‘De regering’, weet een leerling zeker. Plotseling roept een jongen, met een grote glimlach op zijn gezicht, dat hij zeker weet dat je zo’n spotprent niet kunt verbieden. ‘Dat staat in artikel 1 van de grondwet, moet ik hem opzeggen?’ En dat doet hij vervolgens, tot grote vreugde van de minister.

Waar ligt de grens? Wat mag je wel en niet zeggen? Je ziet en voelt de jongeren worstelen, maar de meesten denken wel mee, ze zijn opvallend open. ‘Het is slecht wat we doen’, zegt een jongen peinzend, het klinkt bijna als een confessie. ‘Jongeren worden gebrainspoeld.’

Asscher pakt het bruggetje: ‘Hoe kan het dat jongeren in Syrië trappen?’ Een leerlinge legt uit: ‘Jongeren, sommigen van ons ook, worden via social media benaderd en gebrainspoeld. Er worden zoveel beloftes gedaan, die van het paradijs en dat God heel veel van je gaat houden. Als jihadist worden alle zonden je vergeven.’

Voor Asscher zijn dit soort ontmoetingen waardevol. Alleen door met de jongeren te praten komt hij erachter wat zich in hun gedachtewereld afspeelt. Hij maakt zich zorgen over de afstand die er kennelijk is. Het gevoel van miskenning bij leerlingen kan uitmonden in een negatieve houding ten opzichte van overheid en politiek, alhoewel ze daar ook kennelijk het heil van verwachten, bijvoorbeeld als het gaat om het verbieden van spotprenten.

Hij wil niet alleen weten wat er speelt, maar ook vooruitgang boeken. ‘Stappen zetten’ heet dat in de politiek. Hij zoekt antwoorden op vragen als: hoe voorkom je dat jongeren door ‘kinderlokkers’ worden verleid? Dat ze zich gemotiveerd voelen om hier hun toekomst te zoeken?

Bij een bijeenkomst in jongerencentrum Argan spreekt Asscher een paar weken na de bezoeken aan de scholen met ‘de voorhoede’ van de nieuwe generatie Nederlanders met een Marokkaanse of Turkse achtergrond. Hij beschouwt ze als een belangrijke bondgenoot. De tafels staan in een vierkant opgesteld zodat iedereen elkaar goed kan zien. De minister stelt twee vragen: ‘Wat krijgen jullie aan signalen op het gebied van radicalisering die ik nog niet ken?’ En: ‘Kunnen jullie me vertellen wat ik op bestuurlijk gebied nog kan doen?’

Verwachtingsvol kijkt hij naar de ongeveer vijftien aanwezigen. Maar de bal wordt ogenblikkelijk teruggekaatst. Het actieplan tegen jihadisme is veel te eenzijdig opgesteld, klaagt een van de aanwezigen. Er stond maar één regel in over moslimhaat. Asscher, geërgerd: ‘Had het geholpen als er tien regels in hadden gestaan?’ Hij is even stil en zegt dan vastberaden: ‘Zo blijven we in rondjes lopen tot we door de grond zakken. Dit rapport gaat over een acuut probleem, het extremisme.’

Moslims voelen zich buitengesloten, gaat een ander onverstoorbaar door, en een derde raadt de overheid aan een charmeoffensief te beginnen: ‘Jullie richten je te weinig op acceptatie. Jihadisme wordt gevoed door een gevoel onrechtvaardig behandeld te worden.’

Asscher benadrukt dat er voor iedereen bescherming is, maar hij wil dóór. Opnieuw wordt duidelijk dat er twee werkelijkheden naast elkaar bestaan. Die van de minister: ‘Besef de ernst van de situatie en neem verantwoordelijkheid’, en: ‘Ons wordt onrecht aangedaan’, die van een aantal aanwezigen. ‘We moeten hier doorheen’, zucht de minister alsof het een huwelijkscrisis betreft. ‘Hoe ongemakkelijk het gesprek soms ook zal zijn. Ook tussen ons. Jullie kunnen niet alleen naar de overheid kijken; je moet je ook afvragen wat je zelf kunt doen. En als ik om me heen kijk, zitten hier genoeg talentvolle mensen die veel hebben bereikt.’

Eén punt vindt Asscher van het allergrootste belang en daar heeft hij hun hulp voor nodig: ‘Hoe maken we de Marokkaanse en Turkse gemeenschappen weerbaar?’ Deze keer wordt hij niet tegengesproken, ze snappen precies wat hij bedoelt. Nog steeds is er binnen de islamitische gemeenschap te veel de neiging om te doen alsof er niets aan de hand is, weg te kijken, te zeggen dat het allemaal wel meevalt, gedeeltelijk ingegeven door gevoelens van schaamte en machteloosheid. Al zijn heel wat ouders wakker geschud door de angst dat een van hun kinderen naar Syrië zal vertrekken. Toch komt er geen duidelijk antwoord op de vraag, misschien wel noodkreet, van de minister.

Het gesprek komt op de moskee. Zoals zo vaak wordt nu ook gezegd dat het bestuur nog van de oude stempel is. Maar de nieuwkomer Yasin Elforkani, de jongerenimam die vaak op radio en tv komt en die er nu niet bij is, wordt aan deze tafel niet serieus genomen. ‘Ik noem dat soort lui bni’, zegt iemand honend: ‘Bekende Nederlandse Imams.’ Maar andere imams treden niet of nauwelijks naar voren, zou dat niet anders kunnen? vraagt Asscher. ‘Het kaartenbakje met namen van imams die naar buiten treden is nu wel erg klein.’ Terwijl het juist belangrijk is om tegenwicht te bieden aan alle extremistische interpretaties die op internet circuleren en de jongeren, zoals Asscher het formuleert, ‘vergiftigen’.

De leraar van de eerste school waar Asscher op bezoek was, vertelt over de complottheorieën die hij in de klassen hoort en die hem zorgen baren. Opgewekt: ‘Ik ga met deze leerlingen in gesprek. Het is beter om je eigen referentiekader los te laten, je in ze te verplaatsen, dan bereik je ze.’ Asscher knikt, dit is wat hij bedoelt. De nieuwe generatie die zich verantwoordelijk voelt voor de generatie erna en in actie komt: ‘Het is belangrijk ze serieus te nemen.’

De mannen en vrouwen aan tafel zijn allemaal jong, goedgebekt en hoogopgeleid. Leraren, sociaal werkers, succesvolle zakenmensen, iedereen heeft een groot netwerk. Dat was tien jaar geleden, na de moord op Van Gogh, wel anders. Toen waren er nauwelijks mensen te vinden die konden zorgen voor verandering. Asscher doet opnieuw een beroep op de aanwezigen. Met nadruk: ‘Jullie zijn de toekomst.’

Na afloop wordt er door sommigen nog wat nagemopperd. De minister had te weinig tijd, zegt de een. Er kwam te weinig uit, zucht een ander. Maar één man staat te stralen, zijn enthousiasme is aanstekelijk. De leraar, die zelf een Marokkaanse achtergrond heeft, vond het een prettige en leerzame bijeenkomst. Hij beseft dat er de komende tijd hard zal moeten worden gewerkt, hij zal gesprekken aangaan met leerlingen, hun ouders, collega’s, maar daar ziet hij niet tegenop. ‘De minister zei dat wij geslaagd zijn en dat wij in staat zijn een ommekeer tot stand te brengen. Die boodschap inspireert me, daar krijg ik energie van. Op mij kan hij rekenen.’


De echte naam van El Yakoubi is bij de redactie bekend


Beeld: (1) Amsterdam, 20 januari. Burgemeester Eberhard van der Laan ® herdenkt op een bijeenkomst van Salaam/Shalom de slachtoffers van de terreurdaden in Parijs (Koen van Weel / ANP). (2) Leiden, 30 januari. Lodewijk Asscher op bezoek bij Islamitisch Centrum Imam Malik (Phil Nijhuis / HH). (3) Schiedam, 3 februari. Lodewijk Asscher op bezoek bij de Alevitische Vereniging Rijnmond