Bachmann en Celan, een dramatische liefde

‘Denk dat ik was wat ik ben’

In 1948 ontmoette de Roemeens-joodse dichter Paul Celan in Wenen de Oostenrijkse dichteres Ingeborg Bachmann. De liefde mondde uit in een moeizame briefwisseling.

Ingeborg Bachmann en Paul Celan, Een dramatische liefde. Vertaald door Paul Beers, verschijnt in februari, € 29,95

Wenen, 12 april 1949

Ach, lieve,
ik ben zo blij dat je brief gekomen is, - en nu heb ik je toch weer zo lang laten wachten, zonder enige bedoeling en zonder één onvriendelijke gedachte. Je zult zelf wel weten dat het soms zo gaat. Men weet niet waarom. Twee- of driemaal heb ik een brief aan je geschreven en dan toch niet verstuurd. Maar wat betekent dat als we aan elkaar denken en het misschien nog heel lang zullen doen.
(…) Gauw is het weer lente, die vorig jaar zo bijzonder was en zo onvergetelijk. Ik zal vast nooit meer door het Stadtpark lopen zonder te weten dat het park de hele wereld kan zijn, en zonder weer de kleine vis van toen te worden.
Dat je narigheid hebt gehad, heb ik de hele tijd gevoeld, - laat me weten of het je zou helpen meer brieven te krijgen.
In de herfst hebben vrienden me je gedichten cadeau gegeven. Dat was een treurig moment, omdat ze van vrienden kwamen en zonder een woord van jou. Maar elke regel apart heeft het weer goedgemaakt.
Het zal je misschien plezier doen als ik je vertel dat er soms naar je gevraagd wordt, een tijdje geleden moest ik zelfs wildvreemde mensen uit Graz je adres geven om ze tevreden te stellen. En de kleine Nani en Klaus Demus stralen nog altijd als ze het over je hebben.
Nu begrijp ik goed dat het voor jou het juiste was om naar Parijs te gaan. Wat zou je ervan zeggen als ik er in de herfst plotseling ook zou zijn? Het ziet ernaar uit dat ik na het doctoraat een stipendium voor Amerika of Parijs zal krijgen. Ik kan het nog niet echt geloven. Het zou te mooi zijn.
Over mezelf valt niet veel te vertellen. Ik heb erg veel werk, de studie [filosofie] loopt op z'n eind, daarnaast schrijf ik voor kranten, voor de radio etc., meer dan vroeger. Ik probeer niet aan mezelf te denken en met mijn ogen dicht aan te komen bij wat eigenlijk bedoeld is. Ja, we staan allemaal onder grote spanning, kunnen ons niet bevrijden en maken vele omwegen. Maar ik ben er soms zo ziek van dat ik vrees dat het op ‘n keer zo niet verdergaat.
Ik wil je tot slot nog zeggen, het blad dat je in mijn medaillon hebt gestopt ben ik niet kwijt, ook al zou het er al lang niet meer in zitten; ik denk aan je en luister nog altijd naar je.
Ingeborg

31, rue des Ecoles, Parijs, 20 augustus 49

Mijn lieve Ingeborg,
je komt dus pas over twee maanden - waarom? Je zegt het niet. Je zegt ook niet voor hoe lang, zegt niet of je je stipendium krijgt. Intussen kunnen we, is je voorstel, 'brieven wisselen’. Weet je, Ingeborg, waarom ik je tijdens dit laatste jaar zo zelden schreef? Niet alleen omdat Parijs me tot een vreselijk zwijgen had gebracht waaruit ik me niet meer kon bevrijden, maar ook omdat ik niet wist wat je van die korte weken in Wenen denkt. Wat kon ik uit je eerste, vluchtig neergepende regels opmaken, Ingeborg?
Misschien vergis ik me, misschien is het zo dat we elkaar precies op het punt ontwijken waar we elkaar zo graag zouden willen ontmoeten, misschien ligt de schuld bij ons allebei. Alleen zeg ik soms bij mezelf dat mijn zwijgen misschien begrijpelijker is dan dat van jou, omdat het donker dat mij ertoe dwingt ouder is.
Je weet: de grote beslissingen moet je altijd alleen nemen. Toen die brief kwam waarin je me vroeg of je Parijs of de Verenigde Staten moest kiezen, had ik je graag gezegd hoezeer ik me zou verheugen als je kwam. Kun je begrijpen, Ingeborg, waarom ik het niet deed? Ik zei bij mezelf dat als het werkelijk iets (dat wil zeggen, meer dan iets) voor je zou betekenen om in de stad te wonen waar ook ik woon, je me niet eerst om raad had gevraagd, integendeel.
Een heel jaar is nu verstreken, een jaar waarin je zeker van alles hebt meegemaakt. Maar je zegt me niet hoe ver onze eigen mei en juni achter dit jaar terug liggen.
Hoe ver of hoe dichtbij ben je, Ingeborg? Zeg het me, ik wil weten of je je ogen sluit als ik je nu kus.
Paul

Wenen, 24 nov. 1949

Lieve, lieve Paul,
nu is het november geworden. Mijn brief, die ik in augustus geschreven heb, ligt er nog - alles is zo treurig. Je hebt er misschien op gewacht. Wil je hem nu nog?
Ik voel dat ik te weinig zeg, dat ik je niet kan helpen. Ik zou moeten komen, je aankijken, je eruit halen, je kussen en vasthouden, opdat je niet wegglijdt. Geloof er alsjeblieft in dat ik op een dag kom en je terughaal. Ik zie met veel angst hoe je wegdrijft naar een grote zee, maar ik wil een schip bouwen en je thuishalen uit de verlorenheid. Je moet er alleen zelf ook iets voor doen en het me niet te moeilijk maken. De tijd en veel is tegen ons, maar hij zal niet kapot mogen maken wat wij willen redden.
Schrijf me gauw, alsjeblieft, en schrijf of je nog iets van me wilt horen, of je mijn tederheid en mijn liefde nog kunt aanvaarden, of iets je nog kan helpen, of je me nog wel eens vastpakt en me verduistert met de zware droom waarin ik licht zou willen worden.
Probeer het, schrijf me, vraag me, schrijf alles op wat je bedrukt! Ik ben dicht bij je.
Je Ingeborg

31, rue des Ecoles, Parijs, 30 oktober 1951

Mijn lieve Inge,
dit leven schijnt nu eenmaal uit nalatigheden te bestaan, en men doet er misschien beter aan er niet al te lang bij stil te staan, anders komt er geen woord op papier. Brieven die het deden trokken zich onder de krampachtig voorttastende vinger terug in het gebied waaraan ze ontrukt moesten worden. Zo sta ik nu diep bij je in de schuld, en mijn korte schrijven uit Londen - het enige wat tegenover jouw brieven, geschenken en inspanningen staat - fladdert rond in mijn hoofd. Neem me dus niet kwalijk en laat ons eindelijk tot elkaar spreken. (…)
Moeilijk weerzien met Parijs: op zoek naar een kamer en mensen - beide teleurstellend. Beroddelde eenzaamheden, gesmolten sneeuwlandschap, de openbaarheid toegefluisterde privé-geheimen. Kortom, een opwekkend spel met het duistere, natuurlijk in dienst van de literatuur. Soms komt het gedicht je voor als een masker dat alleen maar bestaat omdat de anderen af en toe iets nodig hebben waarachter ze hun heilig verklaarde doorsneesmoelen kunnen verbergen.
Maar genoeg nu van die kwaadsprekerijen - de aarde zal er niet ronder van worden, en in Parijs staan ook deze herfst de kastanjes voor de tweede keer in bloei. (…)
En jij, Inge? Werk je? Zeg me er toch iets over, ja? En je plannen? Ik heb gewetenswroeging omdat ik je in mijn brief uit Levallois je beoogde overzeese reis afried - ik neem nu alles terug, mijn oordeel was toen zeer oppervlakkig.
Laat me alles weten wat mededeelbaar is, en daarbovenuit misschien soms een van de zachtere woorden die opkomen als je alleen bent en slechts in de verte kunt spreken. Ik doe dan hetzelfde.
Het lichtste van dit uur!
Paul

Wenen, 10 november 1951

Liefste Paul,
je brief heeft me veel plezier gedaan, meer dan je je kunt voorstellen, ik vraag me zelfs af of je me ooit zo nabij was als in deze dagen - omdat je, voor het eerst in een brief, werkelijk tot me bent gekomen. Begrijp mijn blij-zijn niet verkeerd, want ik beluister wel het vele bittere erin - mij maakt alleen blij dat je me erover kon schrijven. >
Ik begrijp je, ik kan met je meevoelen, omdat ik slechts bevestigd vind wat mijn eigen gevoel me zegt. De nietigheid van de ambities - zijn het dat eigenlijk wel? - om ons heen, het cultuurbedrijf waarin ik nu zelf meespeel, heel dat afschuwelijke gedoe, de dom-brutale gesprekken, de behaagzucht, het met hoofdletters geschreven Heden - het wordt me van dag tot dag vreemder, ik sta er middenin, en dan is het des te spookachtiger de anderen gezellig in de weer te zien.
Ik weet niet of je merkt dat ik niemand heb behalve jou die mijn geloof in het 'Andere’ bevestigt; dat mijn gedachten je altijd zoeken, niet alleen als de dierbaarste mens die ik heb, maar ook als degene die, zelf verloren, op de post blijft waar wij ons verschanst hebben. (…)
Ik ben door toeval bij de omroep beland en het zou niet bij me zijn opgekomen dit werk als beroep te kiezen, maar nu ik zie dat men mij een kans geeft, en niet de slechtste, en als je bedenkt dat het heel moeilijk is een beetje fatsoenlijk baantje te krijgen, wil ik die eigenlijk benutten. Ik wil je nu vragen wat je ervan vindt, want ik denk, hoe merkwaardig je dat ook mag voorkomen, daarbij aan 'ons’.
Lieve Paul, ik weet nu dat je niet meer van me houdt [hun samenzijn eind 1950 in Parijs werd een ellende], dat je er niet meer aan denkt me bij je te nemen - en toch kan ik niet anders dan hopen, en werken met de hoop, voor een gezamenlijk leven met jou een bodem te bereiden die ons een zekere financiële zekerheid biedt, die het ons hier of daar mogelijk maakt nieuw te beginnen.
Beloven, verzekeringen geven wil en kan ik niet meer. Ik zoek eerder naar een bewijs, om het even of je het aanneemt of niet, misschien is dat in jouw ogen zelfs een vals en slecht bewijs. Maar ik ben tot de overtuiging gekomen dat ik 'deze’ kant van het leven dan beter 'aankan’, dat ik, wanneer ik doe alsof ik van je hou, het aan móet kunnen.
Dat je niet hier bent, maakt alles tegelijk lichter en zwaarder voor me. Ik verlang op een pijnlijke manier naar je en ben toch soms blij dat ik nu geen gelegenheid heb naar je toe te gaan; ik moet nog zekerder worden, ik moet voor jou zekerder worden.
Geef me geen antwoord - tenzij je het van jezelf uit zou moeten geven - op deze regels van mijn brief. Schrijf me zomaar, schrijf me om me te laten weten dat je er bent en om te maken dat ik niet zo alleen ben met de snelle vluchtige dagen en gebeurtenissen, de vele mensen, het vele werk. (…)
Over je gedicht [Wasser und Feuer]: het is volkomen nieuw en verrassend voor me, het is alsof er een associatiedwang doorbroken is en er een nieuwe deur is opengegaan. Het is misschien wel je mooiste gedicht, en ik ben niet bang dat het een 'allerlaatste’ is. Ik ben er ontzettend blij mee en ondanks je donkere tijd vol hoop voor je. Je hebt me vaak verweten dat ik geen affiniteit met je gedichten zou hebben. Ik vraag je nadrukkelijk deze gedachte op te geven - en dat zeg ik niet om dit ene gedicht, maar ook voor de andere. Ik leef en adem soms alleen door hen.
Ontvang mijn beste wensen, en - als ik een woord van jou mag misbruiken - 'denk dat ik was wat ik ben’!
Ingeborg, 16 dec. 1951

16.2.1952

Lieve Ingeborg,
alleen omdat het me zo zwaar valt je brief te beantwoorden, schrijf ik pas nu. Dit is niet mijn eerste brief aan jou sinds ik op een antwoord zin, maar hopelijk is het ditmaal de brief die ik ook verstuur.
Wat ik besloten heb te zeggen is dit: laten we niet meer over dingen spreken die onherroepelijk zijn, Inge - ze maken alleen maar dat de wond weer opengaat, ze veroorzaken bij mij woede en wrevel, ze rakelen het verleden op - en dit verleden leek me zo vaak een valkuil, je weet het, ik heb het je laten voelen en weten -, ze dompelen de dingen in een donker waarover je je lang moet buigen om ze weer te voorschijn te halen, de vriendschap weigert hardnekkig de reddende engel te spelen - je ziet, er gebeurt het tegendeel van wat je wilt, je schept, met een paar woorden die de tijd met niet bepaald kleine tussenpozen voor je uitstrooit, onduidelijkheden waarop ik nu weer even onverbiddelijk moet reageren als indertijd op jou zelf.
Nee, laten we niet langer aan het onherroepelijke zitten morrelen, Ingeborg. En kom alsjeblieft niet om mij naar Parijs! We zouden elkaar maar pijn doen, jij mij en ik jou - zeg me, wat zou dat voor zin hebben?
We weten genoeg van elkaar om te beseffen dat alleen vriendschap tussen ons mogelijk blijft. Het andere is reddeloos verloren.
Als je me schrijft, dan weet ik dat je iets aan deze vriendschap gelegen is.
(…)
Laat gauw weer van je horen, Inge. Ik verheug me altijd als je schrijft. Ik verheug me echt.
Paul

Commentaar van de vertaler: Reddeloos verloren: Paul Celan had, waarschijnlijk begin november 1951, de uit welgestelde Franse adel stammende Gisèle de Lestrange (grafisch kunstenares, geb. 1927) ontmoet, die eind 1952 zijn vrouw werd.

21 februari 1952

Lieve Paul,
gisteren kreeg ik je brief van de 16de - bedankt daarvoor. Neem me niet kwalijk dat ik toch een paar vragen aan je stel, en het kan je geen moeite kosten ze te beantwoorden als je aan de mogelijkheid van vriendschap tussen ons gelooft.
Ik ga je dus niet voor nieuwe problemen plaatsen en van je vragen onze relatie weer op te nemen waar we haar hebben laten vallen; ik zal niet om jou naar Parijs komen. Maar het zou kunnen dat ik niettemin kom, vroeger of later - mijn beroep kan dat makkelijk met zich meebrengen. En ik wil je, om misverstanden te vermijden, vragen of je wilt weten wanneer ik dan kom, of je me bijvoorbeeld wilt afhalen in dat geval, of niet? Of je het onprettig vindt me terug te zien? Wees niet boos als ik zoiets vraag, want je brief heeft me erg onzeker gemaakt, ik begrijp je en ik begrijp je niet; ik ben me er voortdurend van bewust hoe moeilijk alles was [eind 1950 bij Celan in Parijs] - je afschuw en je 'woede’ zijn begrijpelijk -, wat ik niet begrijp, en dat moet ik 'n keer zeggen, is die verschrikkelijke onverzoenlijkheid, het 'nooit vergeven en nooit vergeten’, het vreselijke wantrouwen dat je me laat voelen. Toen ik gisteren je brief, weer en weer, las, voelde ik me heel ellendig, alles lijkt me zo zinloos en vergeefs, mijn streven, mijn leven, mijn werk. Vergeet niet dat de 'onduidelijkheden’ die je me verwijt een gevolg zijn van het feit dat ik in de leegte spreek. Ik krijg geen kans meer het goed te maken, en dat is het ergste wat iemand kan overkomen. Mijn situatie wordt almaar spookachtiger. Ik heb alles op één kaart gezet en ik heb verloren. Wat er verder met me gebeurt, is van weinig belang voor me. Ik kan, sinds ik uit Parijs terug ben, niet meer leven zoals ik vroeger geleefd heb, ik heb het experimenteren verleerd, ik wil ook niet meer, ik wil helemaal niets meer. Wees ook niet bang dat ik er nog eens over zal beginnen - ik bedoel over het verleden. (…)
Ingeborg


In augustus 2008 verscheen in Duitsland onder de titel Herzzeit de briefwisseling tussen de Roemeens-joodse Paul Celan (1920-1970), wiens vader en moeder in een kamp omkwamen, en de Oostenrijkse Ingeborg Bachmann (1926-1973). Beiden worden tot de belangrijkste Duitstalige dichters van de tweede helft van de vorige eeuw gerekend. Dat zij elkaar kenden en regelmatig ontmoet hebben, was bekend; niet dat zij in het verborgene een uiterst pijnlijke liefdesverhouding hadden.
Bachmann en Celan hebben elkaar leren kennen in mei/juni 1948 in Wenen, waar hij in haar woorden ‘stapelverliefd’ op haar werd, en zij niet minder op hem. Zij was toen net volwassen, hij ruim vijf jaar ouder. Zijn plan om in Parijs te gaan wonen stond toen al vast. Al gauw verliep de relatie-op-afstand uitermate stroef, vol ‘misverstanden’, van haar kant veel niet verstuurde brieven, van zijn kant geen of summiere antwoorden. Met flinke pauzes en zelfs een onderbreking van vier jaar zal het, vooral schriftelijke, contact zich tot eind 1961 voortslepen – anders kan men het niet noemen. Het woord ‘hartverscheurend’ was zelden meer op zijn plaats.
PAUL BEERS


De vertaling van het boek, door Paul Beers, verschijnt medio februari bij Meulenhoff onder de titel Een dramatische liefde.
Lezingen met beeld en geluid door Paul Beers: zondag 21 maart, 15.00 uur, boekhandel Buddenbrooks, Noordeinde 156, Den Haag; vrijdag 26 maart, 20.15 uur, Salon Saffier, Utrecht (reserveren www.salonsaffier.nl); woensdag 7 april, 20.00 uur, De Balie/SLAA, Amsterdam (breder programma).
Voor aanvragen: paulbeers@planet.nl