Denk je eens in…

Jean-Philippe Toussaint, De waarheid omtrent Marie, Uit het Frans (2009) vertaald door Marianne Kaas, Prometheus, 199 blz., € 18,95

Ooit, lang geleden, was de ‘nouveau roman’ een begrip, al betekende 'nieuwe roman’ op zich niks. En omdat enkele van de schrijvers die onder die gemeenschappelijke noemer bij elkaar waren geschoven, zoals Alain Robbe-Grillet, Nathalie Sarraute, Samuel Beckett, Robert Pinget en Claude Simon, bij dezelfde uitgever zaten, Minuit, werd Minuit praktisch de merknaam van de literaire stroming die alleen al om de onderlinge verschillen van genoemde auteurs nooit bestaan heeft. Toen in 1985 Jean-Philippe Toussaints debuutroman De badkamer bij dezelfde uitgeverij verscheen, en die in de verte iets weg had van het werk van Robbe-Grillet - minimalistisch proza, veel beschrijvingen, nauwelijks handeling - en er bij Minuit werk van nog enkele jongere schrijvers verscheen dat ermee verwant leek, werd meteen weer gesproken van een nieuwe 'nieuwe roman’, zelfs van een 'badkamergeneratie’.

Op de website van Toussaint worden de verschillende boeken van een context voorzien waardoor een samenhangend oeuvre zichtbaar wordt. Zo komen de drie romans over Marie, waaraan Toussaint inmiddels tien jaar gewerkt heeft - Liefde bedrijven (2002), Vluchten (2005) en als laatste De waarheid omtrent Marie - in een breder perspectief te staan. Hoewel het herhaalde pogingen zijn om een relatie te beëindigen met telkens als resultaat dat juist scheiding en breuk het paar met elkaar intenser verbinden, staan de drie romans op zichzelf.

Het lijkt enigszins een contradictie te zeggen dat het werk van Toussaint reminiscenties aan literatuur van anderen bevat, terwijl het werk toch bij elkaar genomen een eigen signatuur heeft. Hetzelfde geldt voor de roman De waarheid omtrent Marie. Er zou een glimmend glamoureuze film van te maken zijn, alleen al door de drie nachtelijke locaties: een luxe appartement waar de rijke minnaar van Marie, vlak voordat hij weer naar zijn gezin gaat, aan een hartstilstand bezwijkt; de wereld van paardenrennen en -fokken met als theatrale scène de ontsnapping van een beroemde hengst op het vliegveld bij Tokio vanwaar hij met een aparte Boeing naar Frankrijk vertrekt; en een verwoestende bosbrand op het eiland Elba waar de verteller bij Marie verblijft in het landgoed van haar gestorven vader, een brand waarbij andermaal paarden betrokken zijn. De locaties en typen personages kan elke lezer moeiteloos van tevoren uittekenen. Maar Toussaint geeft de lezer lik op stuk door met talloze details te bewijzen dat ook stereotiepe figuren en situaties voor degene die er meer van weet een ingewikkelde achtergrond hebben. En uiteraard is Marie een mooie jonge vrouw - dat moet je op gezag van de verteller aannemen: onbekommerd gaat ze door het leven met haar talloze koffers en tassen die ze nooit dichtdoet, overal komt ze te laat, iedereen pikt alles van haar; ze peinst of is afwezig, en afgezien van een enkel kordaat optreden doet ze nooit iets zelf. Het type is uit en te na bekend. Dus kan het zinnetje waar de titel naar verwijst niet anders dan ironisch gelezen worden: ’…wat Marie betrof vergiste ik me nooit, ik wist in alle omstandigheden hoe Marie deed, ik wist hoe Marie reageerde. Marie kende ik bij intuïtie, over haar had ik een aangeboren kennis, een ingeboren weten, een totaal begrip: ik kende de waarheid omtrent Marie.’

Op dat moment is dat louter bewering, want over Marie is na zeventig pagina’s nog niets steekhoudends gezegd. Maar op de pagina ervoor bekent de verteller dat alles wat hij over de minnaar van Marie, steevast aangeduid als man met elegante donkere mantel, weet alleen maar giswerk is op grond van het weinige dat Marie verteld heeft. Hij zag hem voor kunsthandelaar aan, maar de man is een rijke paardenfokker die Marie bij toeval in Tokio ontmoet. Tot in detail beschrijft de verteller de vrijscène van Marie met de man die in haar appartement zijn laatste adem uitblaast. In het tweede hoofdstuk gaat Marie mee met de elegante paardenfokker wanneer die halsoverkop, om een dopingschandaal te vermijden, zijn hengst Zahir op het vliegtuig zet. De ontsnapping van het paard en de achtervolging over het vliegveld in de regen leveren een prachtige scène op. Maar de lezer moet wel weten dat de verteller zelf daar niets van gezien heeft. Hij denkt zich alles zo goed in dat hij op een gegeven moment zelfs precies weet hoe het gedrogeerde, doodsbange paard zich in de door stormen zwalkende Boeing moet voelen. Hij weet dat een paard niet kan overgeven, toch laat hij het van walging en ellende bijna braken.

In het derde hoofdstuk, dat zich op Elba afspeelt, wordt duidelijk wat de waarheid omtrent Marie inhoudt. De hele waarheid omtrent Marie bestaat uit zijn inbeelding, zoals dat ook voor andere personen (en zelfs het paard) geldt: niet door zich in te leven, dat wil zeggen zich te identiciferen met een ander, maar door zich in te denken hoe bijvoorbeeld Marie zich voelt, denkt, droomt, kijkt weet hij meer dan op grond van welke herinnering of zelfs waarneming ook. Het gaat simpelweg om wat alleen met woorden, met literaire middelen dus, kan. Het mooie aan het boek is dat het enkele fantastische demonstraties bevat van wat eruit komt wanneer indenken, mits gevoed met veel kennis van zaken, de vrije hand krijgt.