Ha Arthur,
Ik herlas De aanslag. Ik weet niet hoe het bij jou is, maar hier zijn dit de drukste weken van het jaar en ik merk dat het me bevalt om naar films te kijken die ik al ken, boeken te lezen waarvan ik het einde weet. De sussende werking van het bekende.

Enfin, je hebt je middelbare school afgemaakt, je hebt Mulisch vast voor je lijst gelezen. Je kent het verhaal. Hoofdpersoon Anton Steenwijk zit in de hongerwinter met zijn ouders te mens-erger-je-nieten als er bij hen voor de deur een aanslag wordt gepleegd (fijn toch als de titelverklaring zo aan de oppervlakte ligt; hoef je je daar geen zorgen meer om te maken) en de nazi’s binnenvallen. Aan het einde van de volgende dag, als Anton de ergste 24 uur uit zijn leven heeft beleefd, als zijn broer en ouders de vernietiging in zijn gedreven, en Anton eindelijk veilig bij zijn oom en tante is, voelt hij iets in zijn broekzak. Het is de mens-erger-je-niet-dobbelsteen.

150 bladzijdes verder, en meer dan dertig jaar in de vertelde tijd, heeft de inmiddels gemidlifede Anton tijdens zijn vakantie een inzinking. ‘Terwijl hij daar stond, verhief zich een grauwe berg, als een vloedgolf, en stortte over hem heen.’ Anton begrijpt niet wat hij voelt, wat er gebeurt, voelt alleen een blinde angst. Als lezer weet je het wel: zijn oog was net gevallen op een witte tafelaansteker in de vorm van een dobbelsteen.

Voorheen als ik het boek las, trof de eenzaamheid van Anton me altijd, hoe er een glazen muur tussen hem en de wereld in stond. Maar nu dacht ik: hé, traumaplot!

De term ‘traumaplot’ werd begin dit jaar gemunt door literair critica Parul Sehgal in The New Yorker. Sehgal begon ermee te signaleren dat trauma de drijvende factor in zo’n beetje alle fictie lijkt te zijn geworden. Dit is geen Amerikaanse aangelegenheid, moet ik er meteen bij zeggen: ik blader door de aanbiedingsfolder van een grote uitgeverij en meer dan de helft van de boeken zijn semi-autobiografische verhalen over mensen die ingehaald worden door het onverwerkte verdriet uit hun levens. In sommige flapteksten valt het t-woord letterlijk, in andere hebben redacteuren zichtbaar hun best gedaan er omheen te schrijven. Natúúrlijk was traumapsycholoog Bessel van der Kolk Zomergast. Kon niet missen. Ik zie dagelijks interviews in kranten, of tv-series en speelfilms waarin trauma als clue functioneert: ‘Dit is mij overkomen, en dus ben ik zo.’

Die causaliteit irriteerde Sehgal. ‘Anders dan de“marriage-plot’”,’ schreef ze, ‘dirigeert de trauma-plot onze nieuwsgierigheid niet naar de toekomst (zullen ze of zullen ze niet?) maar terug naar het verleden (wat is haar overkomen?).’ Personages werden er oninteressant van, omdat de traumaplot ‘persoonlijkheid tot symptoom’ reduceerde. Het trauma vulde een personage volledig, de lezer had er niks meer aan toe te voegen, kon er geen verbeelding meer op loslaten.

Ik begreep wat ze bedoelde. Ik moest aan Ted Lasso denken. Ken je Ted Lasso? Dat is een Amerikaan met een zonneklep en een snor van het formaat dat je er een jeep kunt parkeren. De tv-serie is in de VS met prijzen overladen, Emmy’s, Golden Globes, et cetera.

Ted is een American football-coach, die als stunt door een Engels voetbalteam wordt ingehuurd. Onder alle omstandigheden is Ted monter, hij lacht, hij bakt elke dag een gebakje voor zijn bazin, heeft er altijd zin in – ‘Er zijn twee knoppen die ik nooit indruk: de paniekknop en de snooze-knop.’ De gimmick van de serie is evident: in een cultuur waarin comedy vaak scherp en cynisch is, is Ted Lasso lief en positief op het naïeve af. Een vrolijk niemendalletje, vond ik. Tot in het tweede seizoen een psycholoog zich meldt op de club. Ze behandelt de mentale gezondheid van de spelers, tot ze in Ted begint te porren. Ze vertrouwt zijn monomane vrolijkheid niet. En halverwege het tweede seizoen biecht Ted op dat zijn vader een einde aan zijn leven maakte toen Ted nog jong was, en hij stort volledig in.

Psychologen, Arthur – zucht, waarom laten jullie mensen gewoon niet met rust?

Meteen was ik klaar met Ted. Alsof ik een glas uit mijn handen kapot liet vallen. Ik heb geen aflevering meer gekeken. De vrolijkheid was geen persoonlijkheid meer, maar, zoals Sehgal schreef, een symptoom van zijn beschadigde leven.

In haar essay vroeg Sehgal zich af of de term trauma niet aan inflatie onderhevig was. De DSM III uit 1980 omschreef het nog als een gebeurtenis die buiten de ‘gebruikelijke menselijke ervaring valt’, terwijl psychologen het nu beschouwen als alles dat wordt ervaren als ‘te veel, te snel, of te vroeg’. En dat maakt iedereen wel eens mee.

Je wil niet iemands beleving bagatelliseren, je mag niet voor iemand anders zeggen wat een ervaring betekent. Maar inderdaad, ptss-diagnoses zijn ongelooflijk toegenomen (volgens het Herseninstituut heeft 7,5 procent van alle Nederlanders ptss gehad). Volgens internationaal onderzoek van een paar jaar terug hebben Nederlanders, op Canadezen na, de meeste kans om getraumatiseerd te worden – drie keer meer kans dan Mexicanen, Colombianen en Israëliërs. Terwijl het bij ons toch echt een stukje veiliger is in de straten.

Waarom komen psychiaters steeds vaker bij die diagnose uit? Is er een inflatie, of zijn we simpelweg anders naar trauma gaan kijken?

Beste groeten, J.

Hi Joost,
Het valt mij ook op. Je kunt geen serie meer aan zetten, of geen boek meer openslaan, of de protagonist heeft wel een back story waarin een trauma een rol speelt. De superheld heeft zijn vader verloren, de literaire ster is opgegroeid in armoede. We zijn bovenmatig geïnteresseerd in de schokkende verhalen die ons vormen.

Dat heeft volgens mij te maken met twee dingen: ontwikkelingen in de psychologie en in de samenleving in zijn geheel. Wat volgt zijn een brede streken, dat moet je me maar vergeven.

Eerst de samenleving. Het is een beetje een cliché, maar wel waar: we worden natuurlijk doodgegooid met foto’s en verhalen van de levens van anderen. Mooie levens, mooie lijven. Dat maakt ons als vanzelf nieuwsgierig naar wat er achter de buitenkant speelt. En dat zie je óók: mensen delen steeds meer van hun lief én leed.

Vroeger was er alleen de like-knop op sociale media, tegenwoordig delen we ook andere emoties. Medeleven bijvoorbeeld: een zielige emoji die een hartje vasthoudt. ‘Hou vol. Ik denk aan je.’

Omdat we geen religieuze of ideologische taal meer hebben om onszelf mee uit te drukken, grijpen we nu naar andere beschrijvingen, met name uit de psychologie. Iemand die moeite heeft met rekenen heeft dyscalculie. Iemand die emotioneel touwtrekt met zijn partner heeft een borderline-stoornis. We zijn een homo pathologicus geworden. Iedereen heeft een DSM-label.

Dat heeft weer te maken met ontwikkelingen in de psychologie. Sinds de opkomst van de psychoanalyse zijn we onszelf steeds meer gaan zien als psychologische wezens. We hebben geen ziel meer maar een geest. De horizon van betekenis reikt niet verder dan ons leven in deze wereld. Toen de psychoanalyse een beetje op z’n retour raakte, aan het einde van de vorige eeuw, raakten we betoverd door andere psychologische benaderingen. Ineens zat alles in onze genen of in ons brein. Nature leek het even geheel van de nurture te hebben gewonnen.

En nature betekent hier concreet: als je je rot voelt, mis je een stofje in je hersenen. Neem een pil en stop met zeuren. Daarmee werd psychische problematiek geprivatiseerd. De farmaceutische industrie voer er wel bij, en er was geen behoefte aan grootschalige sociale programma’s om armoede mee te bestrijden. De neoliberale droom.

Maar toen uit studie na studie bleek dat ook dát niet het hele verhaal kon zijn, zaten we met een probleem. De omgeving speelt wel degelijk een rol in onze ontwikkeling. Maar hoe?

Enter: trauma. Eigenlijk een oud idee: een ‘psychische wond’. Freud speelde er al mee aan het begin van zijn carrière. Het is het idee dat er gebeurtenissen zijn die ons cruciaal vormen. De gangbare definitie is dat trauma’s ervaringen zijn die letterlijk onvoorstelbaar zijn. Denk aan oorlog, of misbruik, of ernstige verwaarlozing. Verschrikkelijke dingen. Ze blijven terugkomen omdat de geest ze niet goed kan verwerken. Ze kunnen niet worden opgenomen in je dagelijkse ervaring. Daarom achtervolgen ze je.

Daar zit wat in. Soldaten die verschrikkelijke dingen hebben meegemaakt hebben inderdaad verschrikkelijke flashbacks. Ook dat is al sinds de Eerste Wereldoorlog bekend, maar toen heette het shellshock.

Het probleem is dat we de definitie van trauma steeds meer zijn gaan verbreden, waarmee we het zijn gaan zien als de sleutel tot alles. De freudianen zagen eerst overal verdrongen verlangens, toen zat alles in je genen of je brein. Nu zien we overal trauma’s. Belangrijk daarbij is denk ik dat trauma iets is wat je overkomt. Het is dus niet jouw schuld. Een beetje gemeen gezegd: het is dus een aantrekkelijke diagnose.

Volgens mij moet je het zo zien: trauma is de terugkeer van de omgeving in de psychologie, alleen is het een nogal botte verklaring, die niet voor iedereen op kan gaan. Wat we nodig hebben zijn betere beschrijvingen van hoe onze aanleg met onze omgeving interacteert.

Ik ben geen harteloze therapeut die gelooft dat iedereen alles maar moet slikken, maar er zit wel iets in het idee van Sartre dat we verantwoordelijk zijn voor hoe we met ons leven en de onvermijdelijke tegenslagen omgaan. Het risico van het trauma-discours is dat we er onszelf mee verontschuldigen. It’s not me, it’s my trauma.

Arthur

Ha Arthur,
Denk je wel eens, als een cliënt bij jou op de sofa ligt: dit telt niet? Wanneer iemand leegloopt over zijn jeugd, over haar ouders, over de duistere dingen in hun rugzakje – dit telt niet als trauma?

Bij uitgeverij Das Mag is nu net Op de sofa verschenen, een bundel met persoonlijke essays van schrijvers en uitgevers over hun ervaringen in de therapie. In de essays figureren deelscooters, kunstacademies, nog-te-schrijven-romans, vakantiehuisjes in Frankrijk, de Museumbuurt – het voelt allemaal heel riant aan, erg grootstedelijk, alsof therapie erbij hoort zoals je Cineville-pas erbij hoort.

Ik schrijf deze zin op en het klinkt meteen lullig. Dit is een beetje het gevaar van over de trauma-Welle schrijven; dat je al snel klinkt als een boomer met een Volkskrant-column, die – omdat ze tijdens Lubbers I een keer macaroni in een kraakpand heeft gegeten – een jongere generatie verwijt week, verwend en aanstellerig te zijn. Als je de trauma-Welle vanuit die blik wil beredeneren kun je zeggen dat a) we in identitaire tijden leven, waarbij b) die identiteiten opflitsen wanneer ze bedreigd worden, waardoor c) mensen continu de horizon scannen op zoek naar bedreiging, die overal in vinden, met als gevolg dat ze zichzelf continu als (potentieel) slachtoffer zien. En zo ontstaat d) een slachtoffercultuur, een kaartspel waarin een beleden trauma een full house is.

In haar essay schrijft Parul Sehgal dat trauma inmiddels is geaccepteerd als een ‘totalizing identity’. It’s not me, it’s my trauma, zoals jij het noemt. Bessel van der Kolks theorieën worden door een grote lezersmassa als een wetmatigheid gezien, terwijl zijn claims door empirische studies onbevestigd blijven. Het idee dat trauma van nature een imprint op de mens achterlaat, staat haaks op de academische geschiedschrijving van trauma, schrijft Sehgal: pas na de uitvinding van film werden de eerste traumatische flashbacks gerapporteerd. Ik trek de conclusie even voor haar: de jongste generatie groeit op in de omnipresentie van sociale media, in een tijd waarin het memoir het populairste genre in de boekhandel is, waarin ‘lived experiences’ de brandstof zijn voor de helft van alle kunst, waarin we, kortom, geleerd hebben ons leven te zien als een film waarin we zelf de hoofdrol spelen. Als mensen hun leven zijn gaan zien als een film denken ze vast: elk personage hoort een zielige origin story te hebben?

Trouwens: ik zou Parul Sehgal The Assault moeten opsturen. Want Anton Steenwijks trauma stuurt zijn leven, maar niet op de eenduidige, saaie manier waar zij over klaagt. Mulisch’s mooiste vondst is de verhaallijn rond Truus Coster. In die nacht in de hongerwinter belandt Anton in een cel waar ene Truus Coster zit, een aangeschoten verzetsstrijdster. Het is pikdonker, hij kan haar gezicht nauwelijks zien. Ze praten, ze troost hem, even voelt hij zich veilig.

Jaren later komt Anton op vakantie een stewardess tegen. ‘Hij keek haar aan – en op dat moment was alles al beslist.’ Hij trouwt met deze Saskia en nog weer eens zoveel jaar later ziet hij voor het eerst een foto van Truus Coster. Hij schrikt. Het is alsof hij Saskia ziet. En hij beseft: ik heb altijd met een verzonnen, geïdealiseerd beeld van Truus rondgelopen, en Saskia voldeed aan dat verzonnen beeld. En dus denkt hij: mijn huwelijk is gebaseerd op een fictie. En dus scheidt hij, want hij wil zichzelf niet als slachtoffer zien.

Hoe anders dan nu. De term ‘slachtoffercultuur’ raakte wijdverspreid in 2015, toen een artikel van twee sociologen (Bradley Campbell en Jason Manning) door veel Amerikaanse media werd overgenomen als frame voor wat er op campussen gebeurde. Studenten namen elke woordgrap van professoren of klasgenoten letterlijk, misten elke ironie, vonden overal racisme, seksisme, transfobie of een andere kwetsuur in. Woke werd het woord. En terwijl zulke studenten de academie bezetten, groef een hele school opiniemakers loopgraven om via columns de door hun gesignaleerde plaag van politieke correctheid te bestrijden.

Wat ik wil zeggen is, denk ik: ik wil liever niet zo’n opiniemaker zijn. 2015 is langer terug dan je denkt. Toen was er nog geen Trump, nog geen #MeToo, om duidelijk te maken hoe wijdverspreid seksisme was. Toen snapten we misschien nog niet helemaal hoe racistisch Zwarte Piet was. Toen dachten we nog: Matthijs van Nieuwkerk, gezellig! Ik bedoel maar: er liepen meer daders rond dan we doorhadden. Op je eigen slachtofferschap te wijzen is een manier van zeggen: ik ben geen dader. Trauma als virtue signaling.

Of liever: je eigen trauma zichtbaar maken, is een manier om geen dader te worden. Misschien is dat empathischer om te zeggen, omdat we in dit discours zo snel impliceren dat trauma een bewuste houding is, een actieve manier om over jezelf na te denken, iets goed te praten. Terwijl: als ik de essays in Op de sofa lees, heb ik niet het gevoel dat iemand onoprecht is of zich zieliger voordoet. Maar een paar auteurs verwijzen expliciet naar gruwelijke, naargeestige gebeurtenissen in hun leven. De anderen niet. Ze beschrijven angststoornissen die opeens of sluipenderwijs ontstonden – en steeds is die angst een doodsangst, het besef dat niet verdreven kan worden dat het leven tijdelijk is, dat iedereen die je kent, tot aan je achterkleinkinderen die nog geboren moeten worden, onvermijdelijk eraan gaat. Als dat een trauma is, dan is dat een oer-existentieel trauma: we gaan allemaal dood. Telt dat? Of is die vraag of iets telt juiste de flauwste van allemaal?

Groetjes, J.

Ha Joost,
Dat is een mooie vraag: telt het? Als ik in mijn spreekkamer zit, denk ik dat eigenlijk nooit. Dat komt doordat ik altijd de pijn in de kamer voel. De angst is echt, het verdriet is echt, de flashbacks zijn echt. Kortom, de pijn is echt. Mensen komen omdat ze ergens in zijn vastgelopen en, belangrijk, omdat ze eenzaam zijn.

Voordat mensen in therapie komen hebben ze vaak jarenlang alleen rondgelopen met hun gevoelens. Dat eenzame gevoel, het opgesloten zitten met je gedachten, doorbreek je in de spreekkamer. Dat alleen al is vaak een hele bevrijding.

Het is zelfs eerder andersom. Mensen die in therapie gaan, bagatelliseren hun problemen nogal eens door te zeggen: ‘Ach, andere mensen hadden het toch veel zwaarder dan ik.’ En objectief gezien is dat vaak waar. Maar het maakt van je pijn ook weer een wedstrijd. Het maakt je pijn tot iets dat gemeten zou kunnen worden, iets wat je met iemand anders pijn zou kunnen vergelijken. Terwijl ik als therapeut juist geïnteresseerd ben in de verhalen áchter de pijn: het toneel waartegen iemands pijn betekenis krijgt – de context.

Soms lijkt een gebeurtenis voor de buitenwereld triviaal en klein, maar heeft het voor iemand een grote persoonlijke betekenis. Een hand waar die niet hoorde, of een stilte waar er een geruststelling had moeten zijn. Zoiets kan een grote impact hebben.

Het ‘probleem’ met het huidige trauma-discours zit ’m erin hoe we vervolgens over onze pijn spreken. In de manier waarop we er een verhaal van maken, voor onszelf en anderen. Op het moment dat ik mijn eigen persoonlijkheid steevast verklaar vanuit een trauma, dan reduceer ik mijn complexiteit tot een plot, met een duidelijke wending.

En het risico is óók dat je jezelf ermee afhankelijk maakt van de pijnlijke gebeurtenis. Idealiter bespreek je pijnlijke episodes in een therapie, nog eens en nog eens, en dan verdwijnt op een gegeven moment de behoefte om het erover te hebben. Het lost op. En dat oplossen zit ’m volgens mij nu juist in het steeds weer aanbrengen van context: door wat een geïsoleerd incident leek te begrijpen als een onderdeel van een veel breder, veel rijker verhaal. Juist omgekeerd dus: there is much more to me than my trauma.

Het risico van het trauma-discours is dat we erdoor gefocust blijven op onze pijn. We committeren ons aan wat ons is overkomen. Dat is volgens mij de basis van de slachtoffercultuur, zoals Sehgal het noemt. Je identificeert je met wat je is overkomen, en je legt jezelf vast in een beschrijving.

Het verhaal van Sehgal doet me denken aan iets anders wat ik ooit leerde tijdens mijn studie.

Vóór de opkomst van de kleurentelevisie beschreven mensen hun dromen vaak in zwart-wit. Ik vond dat zo’n interessant gegeven. Het laat volgens mij zien hoe we altijd de cultuur gebruiken om onze eigen geest te begrijpen. En ondertussen worden we erdoor gevormd op manieren die we helemaal niet begrijpen. Dan is, als je het mij vraagt, het onbewuste aan het werk. 

Hartelijks, Arthur