‘denk jij als je vrijt?’

Desanne van Brederode, Ave verum corpus/ Gegroet waarlijk lichaam Uitgeverij Querido, 224 blz., f35,-
HET DREIGT zo langzamerhand een heus literair genre te worden: het tot roman omgewerkte meisjesdagboek. Connie Palmen, Josien Laurier, Hendrickje Spoor en nu dan Desanne van Brederode zijn erin geslaagd uitgevers te vinden voor proza waarvan toon en thema het ‘Lief dagboek’ nog maar nauwelijks zijn ontgroeid. Het is, in al deze gevallen, bekentenisliteratuur, waarin de hoofdpersoon verhaalt hoe ze zich van bakvis tot zelfbewuste dame heeft ontwikkeld via het bed van mannen die haar, in opklimmende volgorde, aan een steeds hoger zelfinzicht hielpen. In het geval van Desanne van Brederode’s Ave verum corpus gaat het bovendien om een zeer hoogdravend zelfinzicht: de hoofdpersoon ontdekt in zichzelve het Lichaam van de Heer.

Ave verum corpus is een Bildungsroman. De hoofdpersoon is, zo blijkt, reuze trots op wie ze is geworden en wil ons maar wat graag vertellen hoe dat in z'n werk is gegaan. Ze neemt ons daartoe mee op een ontdekkingsreis naar haar eigen lichaam - van de eerste masturbatie en de eerste geslachtsgemeenschap tot de blootlegging van onvermoede, duistere driften. Opvallend is met welk gemak de herinneringen zich aaneenrijgen, het verleden is voor haar een open boek dat alleen nog maar even smakelijk hoeft te worden naverteld. Niks geen moeizaam en pijnlijk proces van zich herinneren, niks geen omzichtig gegraaf in het geheugen - de spulletjes staan de hele tijd al blinkend en overzichtelijk gerangschikt rond het altaar van het eigen ik.
AVE VERUM CORPUS is een roman vol koketterie. En de schrijfster legt dat er nog eens extra dik bovenop door haar hoofdpersoon Lucia zich bij herhaling tot de lezer te laten richten met de vraag of hij het allemaal nog wel kan bijbenen en of hij nog niet is afgehaakt na het zoveelste extravagante avontuur van haar onderbuik. Lucia valt de lezer trouwens met nog wel meer vragen lastig, irritante, opdringerige vragen over seks en geloof (‘Denk jij als je vrijt? Waaraan?’ 'Wat betekent Pasen voor je?’), zodat je op het laatst gaat denken dat ze de lezer met opzet wil ergeren - maar waarom, waartoe, dat blijft onduidelijk; er valt in ieder geval geen literaire reden voor te bedenken, dus is de smaak die achterblijft die van aanmatiging en zelfgenoegzaamheid.
De ergernis over al die impertinenties wordt nauwelijks verzacht door de geleidelijke verandering die zich in de aard van die tot de lezer gerichte passages voltrekt. De 'jij’ die Lucia aanspreekt verschuift op een gegeven moment van de lezer naar de door haar verafgode Jezus. Die goede man treedt vervolgens pardoes het verhaal binnen, waar hij Lucia’s dierbaarste vriend wordt, die haar begeleidt naar groenteboer en drogisterij, en door haar tussen de lakens warmmoederlijk wordt getroost voor zijn bovenmenselijk lijden. Wat daar nu weer van te denken? Waarom wil de schrijfster zo graag dat de lezer zich Jezus voelt en bij haar in bed kruipt? Is het een truc van haar om Lucia’s lichaam, dat ze het hele boek al aan de lezer veil biedt, zodanig aan hem op te dringen dat hij niet meer kan weigeren? Is het haar ultieme poging om het woord vlees te laten worden? Ik weet het niet, bij god, ik weet het niet.
En dat terwijl die truc in het geheel niet nodig is. De schrijfster had Lucia ook haar weg naar Jezus kunnen laten afleggen zonder de lezer daaraan medeplichtig te maken. Het verhaal is daar namelijk sterk genoeg voor. Lucia, een betrekkelijk gewoon burgermeisje dat filosofie gaat studeren, werkt een aantal minnaars af die allemaal Jezus-achtige trekken vertonen: de zalvende bio-energeticus Thomas, de naief-wijze Richard, de mystieke muziekliefhebber Erik, de mensenvriend Bob, de doceerderige professor Oudegeest - een voor een brengen ze Lucia, zonder dat ze het beseffen en aanvankelijk ook zonder dat ze het zelf weet, stapje voor stapje nader tot Hem.
Die relaties gaan met veel middelmatig geklungel gepaard, hetgeen tot lange passages vol tenenkrommend bakvissenproza leidt - 'Ons kussen voelde als tongenballet, mijn kruin ging ervan openstaan.’ De schrijfster is bepaald geen begenadigd vertelster, hoezeer ze ook haar best doet haar verhaal enig gewicht te geven door er filosofische en theologische platituden doorheen te weven.
ENIGSZINS aardig wordt het boek wanneer Lucia begint na te denken en haar ervaringen in Nieuwtestamentisch licht begint te zien. Dan komt er enige diepte in het vlakke verhaal en verschijnen er enkele schaduwkanten aan het karakter van de hoofdpersoon. Lucia doorbreekt haar puberale passiviteit en wordt nieuwsgierig naar haar tot dan toe verborgen drijfveren. Ze ontdekt masochistische trekken in zichzelf, die ze al snel sublimeert in een fascinatie met het lijdensverhaal van Jezus. En in een buitengewone belangstelling voor Johannes de Doper, de man die Jezus op het pad van het messianisme zette. Lucia ontmoet haar eigen Johannes de Doper in Betty, die haar inwijdt in de hogere geneugten van het sadomasochisme, bij welke gelegenheid een oud bokje jammerlijk het leven laat. Vanaf dat moment is het hek van de dam en volgt de ene hallucinerende scene na de andere, waarbij de schrijfster vrijelijk put uit Johannes’ Apocalyps, Jezus’ passieverhaal en Bataille’s Histoire de l'oeil.
In feite zijn dat nog de aardigste passages, omdat ze, met al hun surrealisme, de hysterie van de hoofdpersoon goed doen uitkomen. Ook al schiet de schrijfster op sommige momenten ineens weer door in manisch EO-proza. 'Hij snoeit me, breekt me, sproeit zijn licht in schaduwholtes en bevrucht me’, ijlt ze bijvoorbeeld over Jezus aan het kruis. 'Hij maait me, oogst me, eet me en bewaart me.’
Maar gelukkig komt alles nog op z'n pootjes terecht. Want uiteindelijk blijkt haar verlangen naar Jezus niets anders te zijn dan een verlangen naar haar eigen vader. Wanneer ze in een moment van heftige wanen hijgend op Jezus’ penetratie ligt te wachten, fluistert ze Hem onverhoeds in het oor: 'Breng mijn vader bij me en laat hem het doen.’ En verdomd, op de laatste bladzijden van het boek komt haar diepgelovige vader haar ophalen en sjouwt hij voor haar de koffers het huis uit.
We zijn weer thuis, we zijn weer bij Freud. En eerlijk gezegd, het was heus geen oninteressante odyssee die ons tot hier heeft gebracht. Alleen jammer dat de schrijfster (nog) voldoende middelen mist om die reis ook literair tot een goed einde te brengen.