Denk niet zwart-wit

Je kunt ouders niet dwingen, en goed onderwijs heeft niets met kleur te maken. Ziedaar de argumenten om afscheid te nemen van pogingen om het ontstaan van zwarte en witte scholen te voorkomen of te beperken. Segregatie tegengaan is geen prioriteit meer, liet minister van Onderwijs Marja van Bijsterveldt weten. Zwarte en witte scholen, het is nu eenmaal zo.

Is het zo makkelijk, en is het verstandig? In de afgelopen jaren was het ontstaan van zwarte en witte scholen hét zorgenkind in het basisonderwijs. De vlucht van witte ouders, het ontstaan van zwakke scholen met voornamelijk allochtone leerlingen - iedereen was het erover eens dat er iets aan gedaan moest worden. Het was beroerd voor de integratie, tastte het niveau van het onderwijs aan, zette kinderen in achterstandswijken nog verder op achterstand. Gemengde scholen bevorderen zou een oplossing zijn.

Er werden pilots gelanceerd, in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven, Nijmegen en Deventer. Elke stad koos haar eigen methode: een centraal aanmeldmoment bijvoorbeeld, zodat doortastende ouders niet op de beste scholen belandden; of het steunen van ouderinitiatieven om zich gezamenlijk aan te melden; of het starten van zogeheten brede scholen. Allemaal met hetzelfde doel: mengen.

De resultaten van die pilots staan in het rapport Tegengaan segregatie in het basisonderwijs, dat in juni 2010 door toenmalig minister Rouvoet naar de Tweede Kamer werd gestuurd. Hoewel het beeld niet eenduidig is, zijn een paar conclusies opvallend. Met name dat het tegengaan van segregatie op basis van etniciteit niet zo veel zin heeft, maar op basis van sociaal-economische factoren wel. De opleiding van de ouders is belangrijker dan de afkomst. Bovendien is toelatingsbeleid op basis van etniciteit in de praktijk eigenlijk niet toelaatbaar. En het vermeend positieve effect op integratie is niet meetbaar.

Daar komt bij dat bij veel ouders weerstand ontstond: zij willen zelf bepalen waar hun kind naar school gaat. Dat leidde tot een trek naar het bijzonder onderwijs (Dalton, Montessori, protestants, rooms-katholiek) dat meestal niet meedoet aan het mengbeleid. En sommige ouders besloten te verhuizen naar een witte stad of wijk. Een negatief gevolg dat een Amsterdams rapport weer droogjes samenvatte met de term ‘woonsegregatie’. Van de regen in de drup, dus.

Rouvoet liet het over aan het nieuwe kabinet om conclusies te trekken. Dat heeft Van Bijsterveldt nu gedaan. Het gaat haar om kwaliteit, niet om kleur, tegengaan van zwarte scholen op zich heeft geen prioriteit. Ze heeft gelijk. Het beleid kan er beter op gericht zijn te voorkomen dat er zwakke scholen ontstaan of voortbestaan, bevolkt door kansarme leerlingen. Of die nu wit of zwart zijn, en wonen in Amsterdam of Oost-Groningen, is van minder belang.