Denken aan de dood doet sterven

Het is een aloude literaire droom: het schrijven van het Boek der Boeken. De symbolistische dichter Stephane Mallarme had de ambitie Le Livre te schrijven, het ultieme boek waarin de hele wereld en het hele leven gevangen moest worden. Paul Valery, Novalis, Hegel, Queneau, Musil, Borges, ze speelden allemaal op een of andere manier met het idee van het allesomvattende boek.

Het beroemdste ‘gedroomde’ boek uit de Nederlandse literatuur is ontegenzeggelijk Het Boek Van Het Violet En De Dood van Gerard Reve. Dat moest, zo zei hij zelf, het boek zijn dat alle andere boeken overbodig maakte, de Bijbel, 'Gods enig woord’, en het telefoonboek uitgezonderd.
Het was dan ook een literaire gebeurtenis van jewelste toen vorige maand werd aangekondigd dat het nieuwste boek van de oude meester de lichtelijk aangepaste titel Boek Van Violet En Dood zou dragen. Al voordat het boek daadwerkelijk in de boekwinkel lag, werd geschiedenis geschreven. De vermaarde titel werd, zo kunnen we overal lezen, voor het eerst terloops genoemd in Op Weg Naar Het Einde in 1963, in 'Brief in een fles gevonden’: ’(P.M. Een boek schrijven over het Violet, en de Dood).’ Drie jaar later, in Nader Tot U, zinspeelde Reve vaker op zijn 'Grote Boek’. Zo schreef hij in 'Brief uit het verleden’: 'In de zekerheid des Doods, maar in de onzekerheid van de ure van dien, heb ik besloten dat ik niet langer mag wachten, maar dat ik vandaag, op ditzelfde ogenblik, te kwart voor een in de namiddag, bij een zoemende wind en een tel kens tot “het weer van alle mensen” opengescheurde hemel, door het neerschrijven van deze en geen andere zin, Het Boek Van Het Violet En De Dood moet beginnen, opdat, wanneer de Dood mij zal hebben ingehaald, er misschien van alles wat ik eens zou moeten bekennen, althans iets, zij het een allergeringst, onduidelijk en ternauwernood begrijpelijk deel, op schrift gesteld zal zijn.’

ALHOEWEL de titel in de jaren zestig veelvuldig werd genoemd - ook in vraaggesprekken en zijn briefwisselingen maakte Reve er gewag van, stelde hij zelfs dat de eerste pagina’s al waren geschreven - verscheen het alomvattende boek maar niet. Even leek het erop dat Het Boek Van Het Violet En De Dood in 1980 bij Elsevier Manteau gepubliceerd zou worden - ik heb de paarse dummy ervan nog in handen gehad, maar toen het boek van de persen rolde was het blauw en heette het Moeder en Zoon. Het schijnt dat Reve’s vorige uitgever, Geert van Oorschot, dwars lag omdat Reve de beroemde titel ooit al aan hem had beloofd.

Nu het absolute boek, ruim dertig jaar na eerste vermelding, er dan eindelijk is, wordt natuurlijk allerwege de vraag gesteld of dit inderdaad het langverwachte boek is dat alle andere boeken, of tenminste de boeken van Reve zelf, overbodig maakt. Laat ik het maar direct zeggen: ik vind dat een flauwe vraag. Een dergelijk mythisch boek laat zich nu eenmaal hooguit dromen, niet schrijven. Mallarme realiseerde zijn Le Livre ook nooit. Je kan, in het geval van Reve, beter zeggen dat het beste uit zijn verzameld werk een gooi doet naar 'Het Violet En De Dood’ en dat de huidige titel vooral een staaltje van reviaanse ironie is. Ironie waar iedereen maar wat graag instinkt.

En het is een staaltje van reviaans opportunisme. Ik neem aan dat Het Boek Van Het Violet En De Dood aanvankelijk het romantische ideaal was dat Reve’s schrijverschap onder druk zette. Zoals hij het in 1963 tegenover Jaap Harten formuleerde: 'Het is van dezelfde orde als de Verlosser die zal komen, het is dus van een mythische orde: het Grote Werk, dat elke kunstenaar eenmaal hoopt te maken om zichzelf te rechtvaardigen.’ Ik weet niet of hij dertig jaar lang met eenzelfde heilige ernst in het welhaast metafysische concept van het definitieve boek is blijven volharden. Want wat het opportunisme betreft: zijn volledige correspondentie ligt inmiddels op straat, elk kattebelletje is gepubliceerd.

Met Bezorgde Ouders, zijn voorlaatste 'grote’ roman, greep hij nadrukkelijk terug op zijn eerste 'prachtboek’ De avonden. De belevenissen van de hoofdpersoon daarvan, Treger, (een opzichtig anagram van de achternaam van Frits van Egters uit De avonden), beginnen net als in De avonden op 22 december, alleen telt de roman niet tien dagen maar een etmaal. Net als in De avonden stellen de belevenissen niets voor.

Het Boek Van Violet En Dood moet, zo lijkt het, eveneens de vroegere Reve in herinnering brengen. Op de achterflap wordt het de vergeetachtige lezer nog eens ingewreven: 'De schrijver heeft het al zo lang aangekondigd, zijn trouwe lezers hebben er zo lang op gewacht: Het Boek Van Violet En Dood. Het is er nu: een hoogtepunt in het majestueuze oeuvre van Gerard Reve, zijn meest autobiografische roman, die al voor verschijning terecht legendarisch is.’ De lezer wordt verzekerd dat het boek is zoals Reve beloofde, dat het over alles gaat - over God, liefde, dood, kunst, politiek en de Mededogenloze Jongen -; dat de schrijver hart en ziel blootgeeft en dat het een van de belangrijkste boeken in de naoorlogse literatuur is.

Wat een titel niet al vermag. Hoe groot alle ophef in de media ook is, Gerard Reve is al jarenlang een circuspaard dat telkens hetzelfde rondje draaft. Zeker, hij was en is soms nog steeds een heel knap circuspaard. Het is al vaker gezegd: hij is, vanaf zijn Lieve jongens-boeken in de jaren zeventig, een epigoon van zichzelf geworden. Elk boek is weer gevuld met geilheid volgens geijkt recept - de blik op 'tedere martelprinsen’ en 'blonde liefdesbeesten’ met 'weerloze liefdesheuvels’ achter een strakgespannen broekje van fluweel en een 'warm vossehol’ maken dat de hoofdfiguren verwoed hun liefdesdeel beroeren tot ze hun liefdesvocht plengen. Daarnaast is er de voorspelbare eerbied voor God die Lijden en Maria die Genade is. Plus de bekende boutades tegen intellectuelen en communisten, 'ochtonen’, junks, kirrende nichten en artistiekelingen - 'Geld bietsen, op de vloer braken en je kat overstuur maken, dat kunnen ze.’

HET BOEK Van Violet En Dood is weer meer van hetzelfde. Wederom is het een boek waarin hoegenaamd niets gebeurt: 'Neen, veel komt er niet in voor: ik zie iemand, ik zie die iemand nog een of twee keer, en daarna verdwijnt hij op tragische wijze.’ De roman staat vol met het gebruikelijke revisme en de gebruikelijke reverie, met gedachtenspinsels en herinneringen die weer andere herinneringen oproepen.

Reve beseft zelf ook dat hij een beproefde formule hanteert en verdedigt zich op voorhand: 'Kijk: er bestaan schrijvers die van alles verzinnen en God weet wat voor onzin opschrijven in de hoop, de rescensenten te behagen. Zo dom is dat niet, want inderdaad hebben die boekbesprekers een voorliefde voor het “speelse”, “nieuwe” en “originele”, vooral als die speelsheid gepaard gaat met een “ondeugende visie”. Maar kunst is geen spel, en alles wat nieuw en origineel is, is slecht en waardeloos, dat weet U best.’ Hij is geen schrijver, vermeldt hij later, 'die na al die eeuwen van zoeken de hemel ontdekt.’
Het Boek Van Violet En Dood is in feite een raamvertelling. De roman begint op een zondagnamiddag in de herfst of late zomer van het jaar 198* op Reve’s Franse landgoed La Grace. De verteller staat in zijn tuin en ziet dat de buren, een Zwitserse dominee en zijn Zwitserse vrouw, een reusachtig schaakbord van zwarte en witte tegels in hun tuin hebben aangelegd. Hij ziet van het reuzenschaakspel direct een 'verstard onheil’ uitgaan. Het schaakspel blijkt gemaakt door de zoon van het echtpaar, een mooie jongen die Jean-Luc heet en die van de leeftijd van de schrijver is, 'zij het een flink stuk jonger’. Het schaakbord brengt inderdaad ongeluk, want niet veel later krijgt Jean-Luc een auto-ongeluk en laat hij in het ziekenhuis het leven. De dood van Jean-Luc zet de verteller aan tot de vertrouwde ontuchtige fantasieen en doet hem denken aan andere dode jongens in zijn leven: de Parijse acteur Alain V. die plotseling niets meer van zich laat horen en tegen wiens zwaarmarmeren graf hij stuit op Pere Lachaise, het aanbiddelijke zoontje van een vriendin, een matroos met geschramde blote voetjes op de veerboot naar Stavoren.
DE KAPSTOK waar het boek aan is opgehangen is de begrafenis van Jean-Luc. Reve laat de lezer eindeloos voor de kerkdeur wachten tot de plechtigheid begint, treiterend uitweidend over zijn dromen, zich vrijelijk overgevend aan zijn gedachtenstroom. Niet voor niets stelt hij dat hij zich dikwijls in het schijnbaar bijkomstige verliest, dat dan desondanks wel degelijk belang blijkt te hebben. Steeds komt hij weer even terug op de kerkdeur om te vermelden dat die nog steeds dicht is en dat er nog best tijd is voor het vertellen van een of twee 'waargebeurde geschiedenissen’ voordat hij een 'waardige beschrijving’ van de begrafenis kan geven. Pas tegen het eind van de roman volgt de beschrijving, naar eigen zeggen 'zo goed mogelijk’. Dat is, als zoveel in het boek, ironie, want tijdens de plechtigheid drijft hij wederom schaamteloos weg op de vlucht van zijn eigen gedachten.
Zoals te verwachten was, gaat Het Boek Van Violet En Dood vooral over geloof, dood en liefde. In die zin is de roman wel een allesomvattend boek: in de stroom van gebeurtenissen en hersenspinsels roert de verteller, 'een zoekende en zwervende ziel’, al het mogelijke aan. Van zijn lid (veelvuldig en letterlijk) tot religie, van katholieke dieren die in de hemel nieuwe kleertjes krijgen van God, tot verachteljke kunstbroeders, van de stoelgang tot de liefde voor de Eeuwige Jongen (veelvuldig maar figuurlijk). Maar meest van al gaat het over de liefde en de dood, en dat in magische samenhang. Met de dood naar bed gaan, schrijft de verteller, is voor hem niets bijzonders, 'want ik wist al vroeg dat Eros en Thanatos broertjes waren, tweelingbroertjes nog wel, die veel van elkander hielden en heel graag “alles samen deden”.’

Vandaar dat hij zichzelf de schuld van de dood geeft. Als hij van iemand houdt, zoals van zijn moeder, gaat die vroeg dood, en als hij een hekel aan iemand heeft, zoals aan zijn vader, blijft die lang leven. Denken aan de dood doet sterven, weet hij. 'Omdat ik altijd bezig was met een thema, de Dood, die ook het enige thema is van alle kunst, zaaide ik dat thema overal uit waar ik kwam, door mijn gulheid, die een deugd was maar ook een zwakte.’

DE ERNST van de Grote Thema’s wordt telkens doorkruist met ironie, of beter: overal ligt een dikke saus ironie overheen, zodat je niet weet waar de ernst ophoudt en het spel - jawel, ook Reve speelt, al beweert hij anders, doorlopend een spel met de lezer - begint. Dat wordt in de hand gewerkt door zijn veel geroemde stijl waarin archaische predikantentaal steeds weer wordt afgewisseld met dooddoeners, cliches, 'treincoupewijsheden’ zoals hij het zelf noemt. Zijn stijl is maskerade, zijn schrijverschap pose en het is volstrekt onduidelijk wanneer hij wanhopig is en wanneer hij je domweg belazert. Wat in Nader Tot U overtuigend en, vooruit, authentiek wanhopig is, is door de eindeloze herhaling en dus bekendheid ermee wat mij betreft behalve geestig ook melig en voorspelbaar.

De ironie blijkt in Het boek Van Violet En Dood al onmiskenbaar uit de denkbeeldige lezer die de verteller aanspreekt, een 'zeergeleerde U’ van wie je alleen te weten komt dat hij een antieke renaissancebril draagt en geen bijbel bezit (dan zakt hij namelijk in de achting van zijn geleerde vrienden), dat hij pedofiele neigingen heeft en dat hij 'een schijthuis en een intellectueel’ is. Daarnaast richt de schrijver zich nu en dan expliciet tot de 'lezers en lezeresjes’. Al dat aanspreken versterkt het artificiele karakter van het boek, en ook de meligheid.
Een van de gevleugelde uitspraken van Gerard Reve is dat er niets tegen 'oudehoeren’ is zolang Gods zegen er maar op rust. In Het Boek Van Violet En Dood staan, ondanks de bovengenoemde bezwaren, genoeg anekdoten en overpeinzingen die inderdaad onder de noemer briljant ouwehoeren vallen. In die zin is het boek heel wat geslaagder dan het tergend monotone Bezorgde Ouders en de kinderachtige sprookjesboeken Wolf en De Stille Vriend die Reve in de jaren tachtig publiceerde.

SOMS RUST er zegen op Reve’s zonderlinge logica. Zo toont hij een grote obsessie voor de kleren van de gestorven Jean-Luc, ingegeven door het idee dat je zoveel mogelijk kleren van een dode moet dragen, als je maar zeker weet dat de dode echt dood is. Het zit als volgt in elkaar, legt de verteller uit: 'als de Dood U op straat tegenkomt, denkt hij die moet ik medenemen. Maar bij nauwkeurig beschouwen herkent de dood de kleren en zegt bij zijn eigen die persoon die heb ik al opgehaald het is alleen maar een verschijning.’

Soms rust die zegen op zijn venijnige afrekeningen met collega- kunstenaars. Zoals zijn uitval naar Eddy Kleingeld, die niets moet hebben van zijn fascinatie voor katholieke dieren - uit Reve’s kortgeleden verschenen Zondagmorgen zonder zorgen blijkt dat hij Rudy Kousbroek, waar Eddy Kleingeld voor staat, eertijds heeft willen overtuigen van zijn eigenzinnige zoologische classificatiedrift - en hem aanraadt een boek te schrijven 'als een schijf, dat je dus overal kunt beginnen’. 'Ik vond dat zeer sympathiek’, schrijft Reve, 'al had hij, onze Eddy K. dus, zelf nog nooit een roman geschreven. Maar die “schijf”, waardoor je “overal kon beginnen”, die vond ik wel bewonderenswaardig en knap, al zoude hij mij nog moeten uitleggen hoe dat ging.’

Of zoals zijn hilarische beschrijving van de redactiebijeenkomst van Tirade nadat hij zich tot het katholicisme heeft bekeerd. Henk M. keek hem daar met opengesperde ogen aan en legde hem uit dat de situatie ernstig was omdat Reve voortaan door de 'R.K. Kerk in de gaten werd gehouden’. Hij 'geloofde wat hij zeide’, voegt Reve er ironisch aan toe.

Voor het overige is, zo denk ik 'bij mijn eigen’, Het Boek Van Violet En Dood vooral meer van hetzelfde. Maar natuurlijk heeft de flaptekstschrijver gelijk: er zijn genoeg trouwe lezers die altijd weer ademloos op Reve’s gezegende geouwehoer wachten.