Denken aan drop

In de verantwoording achter in Nachtvangst, de vierde bundel van Froukje van der Ploeg, wordt een aantal mensen bedankt: de familie voor de schrijftijd, en verder Daphne, Lucie, Truus, Marijke, Arden, Berenice, Gina en Jaysha. Ze worden bedankt voor ‘het veranderende zicht op zee’, voor ‘de krenten in de rijzende krentenbollen’, ‘de avonden’, de ‘amor fati’, of ‘het delen van verhalen’. De danklijst wijst zowel op het persoonlijke karakter van deze poëzie als op de constructie erachter: al lijkt Van der Ploegs werk veel autobiografische elementen te bevatten, de verhalen die hier worden verteld, zijn niet per se die van de dichter.

Opvallend genoeg wordt ‘Imke’ niet genoemd, terwijl ze in Nachtvangst een belangrijke rol speelt. Evenals in Zover (2013) en Dit is hoe het ging (2016) fungeert deze vriendin als luisterend oor en steunpilaar. In feite zijn de vier brieven aan Imke, deze al dan niet fictieve vriendin, berichten aan de ideale lezer. In de eerste brief, die ook de bundel opent, lijkt Imke terug van weggeweest, terug in de stad met haar ‘stroom mensen/ op zondag’:

Hoe bevalt je het leven weer terug
kun je wennen aan oude geluiden
deuren die na jaren nog steeds het gekraak
van boom in zich hebben, gisteren

het schoolplein, blaadjes vielen, rood met
gele regen, kinderen vingen ze als bladzijdes
tussen hun boeken (…)

Er gebeurt weinig opzienbarends in het openingsgedicht, de brief moet de bundel vooral op gang brengen en de context schetsen: het zal over kinderen gaan, over ouderschap, moeizame levens, klein geluk. Geen conceptuele of experimentele verzen over wereldse misstanden of kunstenaarschap of politiek, maar over alledaagse zaken uit het leven van de stedelijke middenklasse, zoals in ‘GJ 1214b’ (naar de exoplaneet die in 2009 werd ontdekt): ‘twee/ teruggevonden blauwe laarsjes met/ rode dobbelstenen en planeten van/ zee met een bevroren bodem.’ Je kunt er bijna geen poëzie van maken. Om het dagdagelijkse nog enigszins zin te geven, moet ons gepruts verbonden worden met iets groters: ‘Was draait en wij draaien mee in de arm/ van het melkwegstelsel, om een groot zwart gat.’

De verbinding tussen het ontzagwekkende en het onbeduidende komt terug in de checklist ‘Onthoud dat’. We moeten in onze oren knopen dat ‘het niet gaat regenen als je een paraplu meeneemt’, dat ‘die roze sokken in je zomerslaapzak op zolder liggen’, of dat ‘het kattenvoer altijd op is als de winkels dicht zijn’. Maar ook dat ‘als een andere aarde in een ver sterrenstelsel naar ons kijkt ze nog holbewoners/ of dinosaurussen zien’, en dat ‘we niet zien wat meer dan 14 miljard jaar van ons afstaat’.

Tussen alle weetjes staat ook dat je moet onthouden dat ‘de akte van berusting met een andere pen wordt getekend dan de huwelijksakte’, een regel die verwijst naar het drama achter veel van deze gedichten, en gedichten in eerdere bundels van Van der Ploeg. De ex is intussen een schaduw op de achtergrond, in een regel als ‘Moederschap is onderbroken worden, en slapen/ als een onderzeeër met het oog boven water, mijn ex/ is een beleefdheid geworden’.

Vaak houdt Van der Ploeg het licht, zoals in ‘Maandag’:

Ik mis niets meer aan een man
mijn vriendin mist soms wel dat ding, ze staan in een rij
naast ons bed maar elke keer zeggen we achteraf:
we hebben ze toch weer niet nodig gehad.

In ‘Delen’, een van de laatste gedichten, lukt het relativeren minder goed. Weliswaar heeft de gescheiden vrouw alles ‘vervangen inmiddels, iemand om mee te zoenen/ iemand om mijn teksten mee te delen, iemand die op mijn kind past’, en dan spelt datzelfde kind voor het eerst een woord, schrijft een verhaaltje, ‘lacht met een vriendje’, bakt koekjes – het is te klein voor woorden allemaal, maar ze beseft ‘dat er dingen waren/ die je alleen kan delen met de andere ouder’, ‘dat je uiteindelijk iets mist waarvan je niet wist dat het misbaar was’.

Van der Ploeg is op haar best wanneer ze het concreet houdt, zoals in de gedichten waarin dementie centraal staat, of in de afdelingen ‘Insomnia’ en ‘Uitgesproken’. Dan kan haar poëzie prikkelend zijn, raadselachtig, soms onthutsend (‘Hij gaf haar een duw. Ze viel niet. Ze bleef staan’). Wanneer ze veralgemeniseert, bijvoorbeeld in ‘Overzicht’, of op de actualiteit inspeelt, zoals in het geëngageerde ‘4898 km’, weet ze mij minder te boeien, al vliegt ze nergens echt uit de bocht. Wel kan het vaak preciezer. De enjambementen zijn dikwijls lukraak – je ziet het bij meer dichters, evenals de verschrikkelijke frase ‘iets met’ die je her en der in Nederlandstalige bundels aantreft, zélfs bij een trefzekere dichter als Menno Wigman (aan wie Van der Ploeg een gedicht opdraagt). In Nachtvangst heet het dan ‘iets met kantooruren en daglicht’, of ‘iets met leven’, of ‘iets met oranje/ iets in april.’ Alsof een gedicht poëtischer wordt door het woord ‘Koningsdag’ te vermijden.

Hoewel het hier en daar echt scherper mag, overtuigt Van der Ploegs nuchtere toon. Ze laat zien dat het zo banaal is als de pest, dat burgerlijke leven van ons. Bovendien wijst ze mij en passant op het onmiskenbare feit dat ‘je ook zonder drop kan rijden maar je dan wel de hele weg aan drop denkt’. Gelijk heeft ze.

Het is niet zo dat ik met je moeder
naar bed wil, zoiets gebeurt gewoon
daar kan ik niets aan doen

Ik laat mijn zaad achter als een parelsnoer
in haar nek en verander voor jou
de beelden die je kent van dit huis

de heuvel waar je vanaf rolde
per slee of vuilniszak afhankelijk
van het seizoen, wees niet bang

voor wat er nu in je hoofd omgaat
in het mijne is altijd ruis, ik bouw op
en ontrafel mezelf weer, slaap

of ben slapeloos, de vloer van de badkamer
als wachtruimte, vraag me niets.
Elk antwoord weet je zelf beter.

28 juli, 05.10