De onafhankelijkheid van Vivian Gornick

Denken als erotisch genoegen

Deze maand verschijnt de Nederlandse vertaling van Vivian Gornicks memoir The Odd Woman and the City. Ook hierin stelt de Amerikaanse schrijfster haar niet-voor-de-hand-liggende-leven centraal.

‘Mijn hele leven heb ik de schaduw gevoeld van een gebrek aan zelfvertrouwen’ © Philippe Matsas / Opale/ Leemage / HH

Het is niet dat Vivian Gornick een geheimtip is. De memoir Fierce Attachments die ze eind jaren tachtig schreef, werd deze zomer uitgeroepen tot de beste memoir van de afgelopen vijftig jaar door de critici van The New York Times. Vijf jaar geleden werd ze uitgebreid geïnterviewd in The Paris Review over ‘the art of memoir’, en werd in de inleiding vermeld dat ze school had gemaakt met haar speciale manier van ‘personal criticism’. Haar reflectie op het eigen schrijverschap en dat van anderen, The Situation and the Story, groeide uit tot verplichte lesstof voor docenten en studenten aan schrijfopleidingen.

Ze schrijft sinds jaar en dag essays en kritieken voor periodieken als The Nation en The New York Times. En alsnog: ik was volkomen verrast toen ik in The Paris Review een paar jaar geleden ‘Letter from Greenwich Village’ las, een speelse tekst waarin het fenomeen vriendschap liefdevol en vilein wordt beschreven als een van de meest complexe liefdesrelaties die er bestaan. De tekst bleek de voorbode van de tweede memoir van Vivian Gornick, The Odd Woman and the City, die deze maand in Nederlandse vertaling zal verschijnen.

In de week dat ik haar opzoek zal ze 84 worden. Als ik me op het afgesproken tijdstip vervoeg in de lobby van haar appartementencomplex in West Village, wordt er niet gereageerd op de telefoontjes van de portier naar boven. Een half uur lang ben ik opgelucht, erna durf ik een catastrofe te suggereren. De portier, met wie ik in een ongoing conversation verkeer over de veeleisendheid van zijn werk en de afwezigheid van zijn beroepsgroep in mijn land, verzekert me dat ‘Vivian’ in good spirit is, de dag ervoor heeft ze hem nog vrolijk verteld dat er een audioversie van haar laatste boek gaat komen. Hij ziet haar meermalen op een dag in en uit lopen, she’s in excellent shape.

Wandelen is het leitmotiv in haar beide memoirs. Aan het oppervlak luchtige stedelijke anekdotiek, daaronder nietsontziende bespiegelingen over mannen, vrouwen, liefde, seks. In Fierce Attachments, in vertaling verschenen als Verstrengeld, wandelt de 45-jarige verteller met haar 77-jarige moeder door de Bronx in New York, waar hun gezamenlijk verleden zich afspeelt. Werk, geld, communisme…

Alles komt aan bod gedurende de wandelingen; woede is beider drijfveer en de irritatie over en weer is groot. De dochter stelt vragen, de moeder geeft unverfroren antwoord. Of het geen seksuele driften waren die de vrouwen in hun blok vol joodse arbeidersgezinnen zo gek maakten. ‘Absoluut’, zegt de moeder en begint over de buurvrouw die dreigde uit het raam te springen als ze niet kon roken wanneer haar man op haar lag, en over de andere buurvrouw die hoopte dat haar gewelddadige man, bouwvakker van beroep, zou verongelukken op zijn werk zodat ze zich nooit meer door hem zou hoeven laten grijpen op elk moment in hun huiskamer. ‘Europese mannen’, besluit ze. ‘Beesten waren het.’

De stad is hun gemeenschappelijk domein, samen wandelen biedt ontsnapping aan elkaars al te dwingende aanwezigheid. ‘Onze omgang is een smal vaarwater waarin we vastzitten, intens en dwingend’, schrijft de dochter.

Waarover moeder en dochter vooral van mening verschillen is de plaats die liefde inneemt in het leven van een vrouw. Voor de moeder, al jaren weduwe en nooit meer aan de man geraakt, een gevoel van hogere orde, een spirituele gesteldheid. ‘Een vrouw wéét of ze van een man houdt’, zegt ze herhaaldelijk. ‘Als ze het niet zeker weet houdt ze niet van hem.’ De dochter daarentegen schrijft zich al jong ervan bewust te zijn geweest dat de meeste relaties louter door de omstandigheden ingegeven worden.

Met instemming citeert ze Keats: elke combinatie van mensen is even goed als een andere. Wat niet wegneemt dat een persoonlijk gevoel van mislukking in de liefde nooit ver weg is. De mooiste scènes tussen moeder en dochter spelen zich af in de weerspiegeling van kleurige etalages vol kleding die hen er vooral op lijken te willen wijzen dat er vrouwen bestaan die zich wel met veel zorg kleden en een gezinsleven hebben bovendien. ‘Terwijl ik naar de uitgestalde kleren kijk, bedenk ik dat we allebei al ons hele leven in verwarring zijn over de vraag wie we zijn en hoe we er moeten komen.’

Meanwhile zou ik de lange jas van de portier even kunnen aantrekken mocht hij een sanitaire pauze willen nemen. Ik weet hoe de pakketjes in ontvangst genomen moeten worden, hoe schoolgaande kinderen en hun moeders te begroeten, waar de knop zit waarmee de deur naar de gang geopend kan worden.

Liefde en de afwezigheid van een ‘gewoon’ gezinsleven staan opnieuw centraal in The Odd Woman and the City, in vertaling Een vrouw apart. En de stad. Nu wandelt de verteller met de iets oudere Leonard, homo, met wie ze sinds decennia bevriend is. In feite beschrijft Gornick de intimiteit van een huwelijk, met z’n wreveligheden en ingesleten rituelen. Ze vinden elkaar in hun beider niet-voor-de-hand-liggende-leven, al was het maar omdat ze alleen wonen. ‘Hoe kan het toch’, vraagt ze op zeker moment aan Leonard. ‘Onze ouders waren zo volwassen, ik heb het idee nooit volwassen geworden te zijn. Wie zijn wij?’ Leonard zegt dan dat hun ouders niet meer volwassen waren dan zij, maar dat ze op zeker moment de deur doorgingen waarboven stond Huwelijk, en dat daar toen een pak en een jurk op hen lagen te wachten. Ze raapten die op en trokken die aan, en werden toen dat ding. ‘We, on the other hand, are standing here naked, that’s all.’

Vanaf het moment dat Leonard haar dit inzicht schonk – ze waren toen allebei in de veertig – probeerde Gornick hierover een boek te schrijven, lange tijd vergeefs. ‘I had a situation, but I couldn’t find the story’, zegt ze hierover in het interview in The Paris Review. Dat is ook nog eens zoiets: de memoirs gaan óók over schrijven en de worsteling van een schrijver met haar schrijverschap. Niet koket, maar oprecht onderzoekend.

De scherpe blik van Gornick richt zich niet in de laatste plaats op zichzelf. Hoe komt het toch dat sommige schrijvers je het idee geven de waarheid te vertellen, je met een verweesd gevoel achterlaten als je hun boek uit hebt, terwijl de zinnen van anderen erbij liggen als dode honden?

Hoe komt het dat je zelf soms niet anders dan een spoor van dode honden achterlaat, zo vraagt ze zich in The Situation and the Story af. Op het eerste boek dat ze schreef, The Romance of American Communism, eind jaren zeventig, oral history, kan ze niet anders dan met grote schaamte terugkijken. Achteraf denkt ze dat ze het zo graag wilde schrijven dat ze niet genoeg had doordacht hoe ze het moest doen. En in plaats van zichzelf te dwingen harder te denken, nam ze genoegen met holle retoriek. Het boek werd afgekraakt, en niet alleen door communistenhaters. Ze zag dat ze een slecht boek had geschreven, vertelt ze in The Paris Review. Nog tot een jaar nadien lagen haar vingers naar eigen zeggen als bloederige stompjes op de typemachine.

In Fierce Attachments, het eerste boek waarvan ze vond dat ze haar toon had gevonden, beschrijft ze als in een epiphany de ontdekking van het ‘echte’ schrijven als een vorm van denken, een helder, welgevormd denken. ‘Geen “Ik hou van jou” kon eraan tippen.’ Denken als een erotisch genoegen, ‘opgewonden en in harmonie met mezelf’. Het is een boek dat je telkens opnieuw kunt lezen, net als The Odd Woman and the City, al was het maar om hoe ze schrijft over seksuele aantrekkingskracht, de enormiteit en de vluchtigheid ervan. Ik weet van de uitgever hoezeer er geworsteld is om dat ‘odd’ goed te vertalen. Gornick ontleende de titel aan de negentiende-eeuwse roman van de Britse schrijver George Gissing, The Odd Women, verwijzend naar het overschot aan vrouwen die zonder man blijven en eigenaardig zijn, of andersom natuurlijk.

‘We worshipped literature’, omschrijft ze haar studietijd aan de New York University in de nog te verschijnen essaybundel Unfinished Business: Notes of a Chronic Re-Reader. Alles wat ze ooit wilde weten of waarin ze geïnteresseerd zou zijn, vond ze hier. Hele stukken van Mary McCarthy kende ze uit het hoofd; speciaal van haar dacht ze te kunnen leren hoe ze haar plaats in de wereld moest vinden, hoe ze als vrouw iemand kon zijn. Het was haar levenslange ambitie om schrijver te worden.

Tegelijkertijd was er het onvermogen om zichzelf op de eerste plaats als een werkende persoon te zien. ‘Dus wat deed ik? Ik trouwde.’ Later merkte ze dat dit het centrale dilemma was in het vrouwenbestaan. Toen ze door Village Voice begin jaren zeventig de straat op werd gestuurd om het aanzwellende oproer van de vrouwenbeweging te verslaan, zag ze in één klap wie ze was en hoe dat zo was gekomen. Lange tijd was de vrouwenbeweging voor haar het warmste bad ooit, en een grote liefde.

‘Waar ik niet bij kan is dat het al die eeuwen mannen en vrouwen niet gelukt is vrienden te zijn. Ze zien elkaar in een functioneel licht’

S chrijvers kun je niet beter leren kennen dan door hun werk, houd ik mezelf voor, vastgelijmd op de lederen zitting van mijn stoel in de lobby, West-Village. De liftdeuren gaan open en dicht, fitgirls komen voorbij in hun yogabroeken, oude mannen achter een rollator, hondenbezitters, Mexicaanse nanny’s met kinderwagens, maar niet een vrouw in wie ik Vivian Gornick zou kunnen herkennen. De portier vraagt een wufte zakenman of hij ‘Viv’ nog heeft gezien vandaag. ‘Haar buurman’, verklaart hij mij. Nee, schudt deze het hoofd. Vandaag nog niet. Nog een kwartier en dan ga ik, zeg ik tegen mezelf.

Ik heb inmiddels bijna alles van haar gelezen, wat zou ik haar nog willen vragen? Ik ben nieuwsgierig geraakt naar haar als persoon, dat sowieso. Maar ook ben ik benieuwd hoe ze aankijkt tegen de huidige opleving van het feminisme. Of ze echt denkt dat de liefdesroman ten dode is opgeschreven, zoals ze suggereert in The End of the Novel of Love. Ik wil weten hoe het met Leonard is, uit The Odd Woman and the City. Of echte literatuur dan toch vooral door mannen wordt geschreven, zoals ze lijkt te beweren in The Men in My Life, waarin ze de mannelijke schrijvers nagaat die haar hebben gevormd, zoals H.G. Wells, Saul Bellow en Allen Ginsberg. En ik vraag me af hoe het nu gesteld is met dat ‘hardened heart’ van haar dat ze blootlegt in Approaching Eye Level. Ze is zo helder in haar werk, ze schrijft van die omineuze, geladen regels, en tegelijkertijd lijken al die boude beweringen een mijnenveld aan paradoxen te moeten toedekken. Wat is paradox ook weer in het Engels?

De volgende dag: nieuwe kansen. Voor iemand die zo snel geïntimideerd is als ik is zo’n afspraak die buiten eigen schuld om niet doorgaat een uitkomst. Krom staand van de excuses doet ze in de vroege ochtend de deur voor me open. Wat er aan de hand was? Ze wil er niet meer over kwijt dan dat er onverwacht een calamiteit was, maar ze schaamt zich dood. Dat scheelt. Ik heb de vertaling van haar eerste memoir meegenomen die drie jaar geleden in Nederland verscheen. Ze wijst op de cover en spreekt met veel moeite en een beetje hulp van mij de titel uit. ‘Wat betekent Verstrengeld? Het klinkt als strangle.’

Ze neemt plaats in de fauteuil, haar blote voeten onder zich gevouwen, ik zit tegenover haar op de bank. Haar ogen zijn katachtig opgemaakt. Eerlijk gezegd wist ik niet dat een vrouw van in de tachtig, gekleed in een simpel zwart shirt en een zwarte legging, er zo aantrekkelijk en levendig uit kon zien. ‘Ik heb sterke genen’, wuift ze mijn enthousiasme voor haar verschijning weg. ‘Mijn oma had achttien kinderen, mijn moeder was 94 toen ze volkomen intact stierf.’

Haar appartement oogt leeg. Boekenkasten gevuld tot en met, maar geen snuisterijen, prenten, persoonlijke parafernalia. Wel staat er een mandje dat lijkt te wijzen op de aanwezigheid van een dier, ik schat een kat. Verbazend voor iemand die in bijna al haar geschriften vermeldt dat ze een hekel heeft aan koken en andere verzorgende, domesticale activiteiten. ‘I know’, volgt ze mijn blik. Zeven jaar geleden haalde ze, geheel tegen haar aversie in, twee kittens uit hetzelfde nest in huis. ‘Gelukkig houden ze meer van elkaar dan van mij’, zegt ze. Later zal er eentje voorzichtig uit haar schuilplaats komen. ‘Als ik haar zie, begrijp ik waarom een mooie vrouw alles wordt vergeven.’

In het essay ‘What Feminism Means to Me’, opgenomen in Approaching Eye Level, schrijft ze over de continue strijd tussen werk en liefde in het vrouwelijk bestaan. Zelf is ze twee keer getrouwd geweest, rond haar dertigste, en heeft nooit kinderen gekregen of gewild. Waar ze vooral goed in bleek was het onderhouden van een twintig jaar durende liefdesrelatie met een getrouwde man. Alleen al het gegeven dat de tijd die je met elkaar kunt doorbrengen gelimiteerd is, maakte het samenzijn draaglijk, om niet te zeggen goed. Wat niet wegneemt dat het idee van de romantische liefde haar haar hele leven in de weg heeft gezeten. Als ik dit aan haar voorlees – ‘Willen en snakken zijn verschillende dingen, the yearning is a killer, schrijft u’ – en vraag of het wel op een dag ophoudt, het knagende verlangen, begint ze te lachen.

‘It never stops! I’m here to tell you!’

Ze zegt zich te verbazen over de vrouwen in haar omgeving die niks meer willen, niks meer voelen, in feite opgedroogd zijn. En die zich geschokt tonen als zij vertelt nog steeds graag vastgepakt te worden. Wijzend op haar eigen lichaam: ‘Ik ben blij dat ik nog steeds seksuele gevoelens heb, ik ben blij dat ik dat verlangen heb, het geeft me het gevoel dat ik leef.’

Een terugkerend onderwerp in haar essays is de verwarring tussen liefde en seksuele gekte, een verwarring waaraan vooral vrouwen kennelijk nooit helemaal kunnen ontsnappen. In The End of the Novel of Love werkt ze dit thema uit aan de hand van leven en werk van schrijfsters als Colette, Willa Cather, Jean Rhys, Kate Chopin. ‘We noemden het allemaal liefde, een grote passie, en dat had te maken met al die boeken die we lazen.’ Waar mannen gewend zijn hun hersens serieus te nemen, laten vrouwen zich heen en weer trekken tussen het verlangen naar een onafhankelijk, solitair bestaan en een nog groter verlangen naar hartstocht.

Het onder ogen leren zien van vrijheid kan kennelijk alleen gepaard gaan met paniek.
‘You got that completely right. Het is de essentie van alles, maar erg moeilijk te veranderen. Mijn hele leven heb ik de schaduw gevoeld van een gebrek aan zelfvertrouwen.’

Wanneer werd u zeker van uw zaak?
‘Dat ben ik nooit geworden. Gelukkig geeft het schrijverschap intellectuele autoriteit. Daar gaat het om: hoe kun je geloven in je eigen hersens zoals mannen dat doen? Ze hebben echt niet meer reden om te geloven in die van hen, dan dat wij niet in de onze zouden geloven. Dit duurt generaties. Als schrijver ben je verplicht voor jezelf te denken. Je leert je recht te verdienen om je uit te spreken.’

Het lijkt of u in The Men in My Life zegt dat mannen waarlijke, grote literatuur leveren,omdat zij het gevecht met hun demonen aangaan.
‘Een man wordt geboren in een wereld die van hem verwacht dat hij iets wordt. Hij móet het doen. Ze zijn net zo zwak of gedeprimeerd als wij zijn, ze lijden aan onzekerheid zoals wij dat doen, en toch dóen ze het.’

Wat vindt u van de huidige feministische opleving? Stemt die u optimistisch?
‘Ik ben optimistisch in de zin dat de belangstelling voor feminisme er weer is. Volgens mij pluk ik daar nu ook de vruchten van, mijn boeken worden meer gelezen dan ooit. Maar absoluut niets van wat jonge, boze vrouwen nu zeggen zeiden wij niet al veertig jaar geleden.’

Ergert u zich daaraan?
‘Nee, helemaal niet, ik begrijp dat volkomen. Het laat zien hoeveel tijd sociale verandering nodig heeft. Onze acties van destijds hebben niet genoeg uitgehaald. Twintig jaar geleden waren we wel geïrriteerd en beledigd, omdat niemand wilde weten wat wij dachten. Er werd naar ons gekeken alsof we dinosaurussen waren. Maar nu begrijpt iedereen de geschiedenis veel beter. We leven lang, echt lang, velen van ons zijn nu in de zeventig en tachtig. Iedereen die ik ken steunt de jonge feministen, no matter what.’

Rond het uitbreken van de #MeToo-beweging verbaasden oudere feministen in Nederland zich over de lichtgeraaktheid van jongeren.

‘Ik zou nooit zeggen: kom op, zeur niet zo. Integendeel: het is niet meer genoeg om te zeggen dat je er maar aan moet wennen. Aanranding en verkrachting zijn niet normaal, nooit. I’m with them. Je wil de cultuur zien veranderen, je er niet aan aanpassen. Wij hebben ons aangepast. Maar je moet blijven strijden. We gaan niet terug in de tijd, maar er is ook geen garantie dat we vooruit gaan. (lacht) Er is ook een backlash gaande. Ook al wordt de een na de andere man in de VS nu schuldig verklaard. Schuldig schuldig schuldig.’

‘Ik vond dat het schokkendst van wat naar buiten kwam met de #MeToo-beweging. Dat vrouwen nog steeds tweederangsburgers zijn’

Heeft u medelijden met mannen?
‘Neeeee, zeker niet. Het is nog steeds hun wereld. Maar ik heb mannen nooit gestraft willen zien. I want to see them stópped. Ik zie niets in wraakzucht. Waar ik niet bij kan is dat het al die eeuwen mannen en vrouwen niet gelukt is vrienden te zijn. Ze zien elkaar in een functioneel licht: iemand via wie ik iets kan krijgen wat ik nodig heb. Daar horen huwelijk en moederschap ook bij. Een man wordt eerder gezien als een potentiële echtgenoot en vader dan als een menselijk wezen. Dat is hetzelfde als jou te zien als een seksueel object.

Dat zou ik graag veranderd willen zien. Mannen en vrouwen zouden ermee moeten ophouden elkaar instrumenteel te gebruiken. De mannen die ik ken, de mannen die ik ontmoet, daarvan moet ik eerst echt weten of ze mijn kameraden zijn. Voordat ik ook maar kan beginnen ze te mogen. Ik ben geen maneater. Ik moet ervan verzekerd zijn dat de man mij ziet als een fellow human being.’

U heeft nooit iets geschreven over persoonlijke ervaringen met seksueel geweld.
‘Nee.’

Wilde u dat niet?
‘Het is mij nooit overkomen.’

Dat is wel heel uitzonderlijk.
‘Nee hoor, vrouwen van mijn leeftijd hadden het daar nooit over.’

Dat is wat anders. Wilt u uzelf niet als slachtoffer zien?
‘Je hebt gelijk. Ik heb me dit nooit gerealiseerd. Ik heb nog nooit over sexual harassment geschreven. Ik heb zeker mijn ervaringen met vernederd worden als vrouw. En ik ben zoals zoveel vrouwen bijna verkracht. Ik heb met succes teruggevochten. Als twintiger, dertiger, waren er altijd mannen die wat probeerden. Ik had constant een knoop in mijn buik. Iedereen overkwam dit, niemand had het erover. Als je er wel wat van zei werd je uitgelachen. “Wat is je probleem, je hebt een bewonderaar!” Ik vond dat het schokkendst van wat naar buiten kwam met de #MeToo-beweging. Dat er níets is veranderd op de werkplek. Dat vrouwen nergens veilig zijn, niet in de televisiewereld, niet in de fabriek. Dat vrouwen nog steeds tweederangsburgers zijn.

Daarom is het zo belangrijk om te blijven hameren op vrouwenrechten. Ik ben blij dat het feminisme weer alomtegenwoordig is, maar vind wel dat je moet uitkijken dat het niet over te veel gaat. Alsof feminisme zou raken aan alles wat verkeerd is in de wereld. Feminisme gaat om de strijd voor vrouwenrechten. En dat is politiek, cultureel, sociaal.’

Waarom zou feminisme niet een breed beschavingsoffensief kunnen zijn bijvoorbeeld?

‘Omdat je dan het zicht verliest op waar het om gaat. Met alleen een linkse beweging kom je er niet. Vrouwen zijn communist geworden, socialist, maar dan bleek dat ze nog steeds tweederangsburgers waren. Alleen door het los te zien van alles kan feminisme effect sorteren.’

InThe Odd Woman and the City heeft u het erover dat u vanaf een bepaalde leeftijd niet langer fantaseerde over wat nog mogelijk was in uw leven. En dat is toch zeker twintig jaar geleden.

‘I know…’

Is dat echt waar? Een vriend heeft mij eens uitgelegd dat niet meer kunnen fantaseren gelijkstaat aan depressief worden.

‘Well… It is for me. Ik had op zeker moment het gevoel dat ik in het nu moest gaan leven. En dat is een verlies. Maar zoiets als dat verlangen naar gelijkheid, dat voel ik nog steeds sterk. Ik heb ook veel gewonnen door de dingen te zien zoals ze zijn. Helderheid is mijn favoriete woord.’

Ik ben altijd bang voor helderheid.

‘You are? Je moet niet bang zijn, het is omgekeerd. Hoe meer je weet, hoe beter het leven. Ik zet bewustzijn boven alles. Toen ik jong was, dacht ik hetzelfde. Hoe meer ik begrijp, hoe beter ik ga schrijven. Ik garandeer het je: hoe meer helderheid je hebt, hoe beter je leven zal zijn. Echt. You’re young! And you know everything!’

Ze vraagt of ik het kleine parkje heb gezien tegenover haar huis, met het aids-monument. Twee, drie jaar geleden zag ze vanuit haar raam de bomen geplant worden. Voor het eerst dacht ze: ben ik er nog wel als de bomen in bloei staan?

‘Kom’, zegt ze. ‘We gaan uit het raam kijken.’

Denken als erotisch genoegen