Over het water

Denkend aan Holland

‘Een bleek en koud ras, mensen met een karakter geduldig als water.’ Het beeld dat buitenlanders hebben van dat merkwaardige land achter die rare dijken gaat verder dan Hans Brinker. Hoe zou je een nationale identiteit herkennen?

TOEN IK NOG in Amerika op school zat, kreeg ik van de juffrouw Hans Brinker en de zilveren schaatsen. Dat zou mij met mijn Nederlandse achtergrond wel interesseren. Het was een larmoyant verhaal met onwaarschijnlijk brave kinderen. Maar het oud-Hollandse winterdecor waarin ze zich bewogen met houten schaatsen, lange rokken, witte kapjes, tussen molens en ooievaars in een nat en vlak land leek mij wel levensecht. Geen moment heb ik er toen bij stilgestaan dat een gat in een dijk niet met de wijsvinger van een jongetje kan worden gedicht.
De juf, met haar grote vlinderbril, kon zich al helemaal voorstellen hoe ik als kind van Hollandse ouders op klompen liep. Maar Nederland was voor mij toen even onbekend als voor haar. Ik wist niets van dijken en polders, anders dan wat ik in een serie Viewmaster-schijfjes uit het begin van de jaren zestig kende. ‘Polders. Land reclaimed from the sea’ was een luchtfoto gemaakt boven Volendam. Het opwindende effect van een stereofoto bleef hier uit, want achter de kleine daken van het dorp lag slechts leeg, drassig land alsof de zee er nog maar net was weggetrokken. Op een andere dia, 'Polderland. Behind dike is below sea level’, stond een stel in klederdracht, stram als aankleedpoppen, bij een grashelling. Dat zou dan wel de dijk zijn.
Iemand moet mij toen ook hebben wijsgemaakt dat de naam Holland van 'hol land’ komt, alsof Nederlanders met hun dijken het land in de vorm van een schotel hebben gekneed. (Nu weet ik dat 'hol’ een oud woord is voor hout.) Deze wetenswaardigheid kwam misschien wel uit Hans Brinker. Bij herlezing begrijp ik waarom het boek hier nooit een succes is geworden. Het tweede hoofdstuk begint met: 'Holland is one of the queerest countries under the sun. It should be called Odd-land or Contrary-land; for in nearly everything it is different from other parts of the world.’ Een ware Nederlander kan zich hier niet in herkennen. Nederland is voor Nederlanders juist heel gewoon.
De schrijfster Mary Mapes Dodge (1831-1905) hoopte het Amerikaanse publiek voor haar verhaal te interesseren door het bijzondere van Holland te benadrukken, een land, 'full of oddity, courage and industry’. Ze leefde in een tijd waarin het gebruikelijk was de verschillen tussen volkeren breed uit te meten. Nederland vormde de perfecte achtergrond voor een negentiende-eeuws kinderboek, leerzaam door het realisme en toch even buitenissig als Alice’s wonderland. De schrijfster had zich goed gedocumenteerd, lang niet alles in het verhaal is onzin. Maar bij het bedenken van namen voor haar personages valt ze door de mand: Stoppelnoze, Donderdunck, Voppelploot, Boomphoffen, Mynheer Voostenwalbert-Schimmelpenninck en Broom Klatterboost. Ze zijn prachtig, zowel in het Nederlands als met een plat Amerikaans accent. Voor Amerikanen zijn deze namen door hun onuitspreekbaarheid eens te meer het bewijs dat dit volk werkelijk anders is. Ze zien trouwens het verschil niet met echte namen als Balkenende, Opstelten en Tjeenk Willink, die we, als er ooit een tweede deel zou komen, zeker niet vergeten mogen.
Haar eerste bezoek aan Nederland bracht Mary Mapes Dodge pas jaren nadat Hans Brinker in Amerika een succes geworden was. Ze had zich zo ingeleefd in de kwetsbaarheid van polders en dijken dat ze zich verbaasde dat het land nog altijd niet was weggespoeld. Het was dan ook voor haar 'The pluckiest little country on earth’. 'Pluck’ is een ouderwets woord voor dapper. Ze bejubelde 'the spirit of the Dutch, which seems able to accomplish anything’ en concludeerde aan het slot van de zogenaamde volksvertelling over het jongetje bij de dijk dat dit verhaal model staat voor heel het land: 'Not a leak can show itself anywhere, either in its politics, honor, or public safety, that a million fingers are not ready to stop it, at any cost.’ Het is een onbeholpen beeld, miljoenen vingers in een dijk, maar de schrijfster duidt hiermee op iets wat men de laatste jaren in Nederland kortweg 'polderen’ is gaan noemen.
Sinds eeuwen heeft men aan volkeren karakters toegedicht. De Nederlandse volksaard, of zoals men tegenwoordig zegt, de Nederlandse identiteit, werd door buitenlanders vanzelfsprekend in verband gebracht met de lage ligging aan de zee. Wie kent niet het beeld van nijvere Nederlanders, stoere bonken die nooit versagen, altijd waakzaam in weer en wind in de niet-aflatende strijd tegen het water, die de moed hebben een land te bewonen dat in een oogwenk kan vergaan. Er was veel lof voor het Nederlandse volk, maar ook verbazing over het moeizame bestaan van de Hollanders op hun drassige bodem. Zelden vergat men te vermelden dat maar liefst 13.659 palen de grond in geslagen waren om het Amsterdamse stadhuis (nu het paleis op de Dam) te kunnen bouwen.
De Hollanders zouden door het moeras dat ze bewoonden flegmatiek geworden zijn. En traag door het kille klimaat. Dit verklaarde ook het notoire gebrek aan passie dat buitenlanders hebben geconstateerd. Hollanders waren koel en onverschillig, tegen vreemdelingen ronduit lomp en altijd op zoek naar manieren om geld te verdienen. In een Engelstalig werkje uit 1843 luidde samengevat het oordeel: 'In general, all appetites and passions seem to run lower and cooler among the Dutch than in most other countries, that of the love of accumulation excepted.’
Tot de tweede helft van de achttiende eeuw hadden reizigers weinig belangstelling voor de eigenaardigheden van het Nederlandse volk. Wie aan een Grand Tour begon, wilde op weg naar Italië nog wel een tussenstop maken in Amsterdam of Den Haag om de Hollandse schilderkunst te bewonderen. Maar verder was hier naar de toen geldende maatstaven maar weinig te beleven. Het polderland was saai, omdat er tot aan de horizon niets was om naar te kijken. Maar de blik van de reiziger veranderde toen in het eenvoudige bestaan van boeren en vissers de charme van het pittoreske werd ontdekt. Bovendien hadden Engelse reizigers in Holland een overeenkomst opgemerkt met de mistige landschappen in Chinese pentekeningen waardoor de eentonige polders van een exotische glans werden voorzien. Holland bleek vol met het pittoreske. Sir John Carr, Engels dichter en schrijver, maakte in 1806 een picturesque tour door wat hij een waterkoninkrijk noemde. Het was alsof hij een kolonie op de maan bezocht: 'Voortglijdend over vloeibare wegen’ zag hij de 'schitterende resultaten van het onversaagde, onfeilbare vernuft, dat permanente bewoning van de mens op de oceaan mogelijk maakte en succesvolle veroveringen op de natuurlijke orde van het universum deed’.
Buitenlanders interesseerden zich voornamelijk voor het unieke 'amfibische bestaan’ van de Nederlanders. Het leverde prachtige beschrijvingen op van Hollanders die van hun geboorte tot hun dood op het water leefden, zoals de gezinnen die een trekschuit exploiteerden. Ze bewoonden alle mogelijke kleine en grote schuiten die langs de oever werden voortgetrokken door een paard of door één man. Spectaculair is het beeld van de houttransporten uit Duitsland. Over de Rijn werden enorme hoeveelheden bijeengebonden boomstammen vervoerd door families die op zo'n vlot een hutje bouwden waar ze met hun kinderen, kippen en al hun schamele bezittingen op leefden. Ook de Scheveningse vissers met hun scheepjes op het strand waren een geliefd onderwerp.
Alles wat vreemd was, was het vermelden waard. Maar erg oorspronkelijk werden de negentiende-eeuwse reisbeschrijvingen daarmee niet. In de talloze schetsen van de veel geprezen trekschuit werd het bijna standaard voor de schrijver zich te ergeren aan de zwijgzaamheid van het volk. Er hing een voor hen onbegrijpelijke stilte in het ruim, waar de vrouwen met hun voeten zaten op een stoofje met brandende turf, zich concentrerend op hun breiwerk, terwijl de mannen zwijgend lurkten aan een meerschuimen pijp. Geluidloos in een almaar dikker wordende rookwolk gleden ze door het land. De Engelsen, die waarschijnlijk hadden gehoopt op geanimeerde gesprekken, trokken hieruit hun eigen conclusies: 'In Holland the social tube seems to banish sociability.’ 'The scene has all the stillness of a quaker’s meeting, with all the stupidity of downright idiotism.’ Het wonderlijkst was Broek in Waterland. Hier werd, naar men beweerde, nauwelijks een woord gewisseld. Niet met vreemdelingen, maar ook niet onder elkaar. De vrouwen van dit Noord-Hollandse dorp zaten altijd binnen, behalve om in de namiddag het eigen bloementuintje te bewonderen en om op zondag naar de kerk te gaan. 'A sentence in the day is scarcely interchanged between them and their husbands. Formal and slow, in manners and in love.’ Natuurlijk vroeg men zich af wat de reden hiervoor was. Mogelijk had het met de strenge kerk te maken, maar er was nog een verklaring: om de rijkdom van het dorp in stand te houden, stelde men het trouwen zo lang mogelijk uit zodat er minder kinderen geboren werden 'in this passionless, chaste, and Malthusian village’.

IK BEN OPGEGROEID in de VS, waar ik elke ochtend met mijn hand op mijn hart aan de Amerikaanse vlag een eed moest zweren, vervolgens verhuisd naar het zo bescheiden Nederland, en ik heb me dikwijls afgevraagd wat een nationaal karakter is. Ontegenzeggelijk is er in elke cultuur een kenmerkend patroon van gewoontes en gebruiken te ontwaren. Hollanders gedragen zich anders dan Amerikanen, ze praten anders, bewegen anders en lachen om andere dingen, men heeft kortom een andere cultuur. Maar van dichtbij, als het bijvoorbeeld om vrienden gaat, is het moeilijk te zeggen wat er Hollands is aan een Hollander of Amerikaans aan een Amerikaan. Ieder individu zou met al zijn eigenaardigheden net zo goed in elke andere cultuur geworteld kunnen zijn. Hoe zou je een nationale identiteit kunnen herkennen? En stel dat men het eens wordt over de Nederlandse identiteit na al die jaren dat erover in de kranten is gediscussieerd, wat is daar dan mee bereikt?
Het idee van een volkskarakter is in de loop van de tijd veranderd. Tot in de achttiende eeuw werd het begrip nog vrij neutraal gebruikt, zoals nu in de betekenis van het woord cultuur. Pas in de negentiende eeuw raakte het beladen met emoties. Toen werd de volksaard als de belangrijkste rechtvaardiging aangevoerd voor het bestaan van de natie. Volkeren kregen een uniek karakter toegedicht dat samenhing met de natuurlijke gesteldheid van het land, het gebied dat door het volk van oudsher werd bewoond. Aangevuld met romantische gedachten dat een volk een ziel heeft en zelfs een lotsbestemming werd hiermee het onvervreemdbaar recht op het eigen grondgebied verdedigd. Volk, land en natie werden tot een geheel gesmeed.
En om het unieke en het eigene te kennen, werden de verschillen met het buitenland benadrukt. Nederland was een dankbaar voorbeeld van 'het andere’. Over Hollandse eigenaardigheden werden grappige, vaak badinerende stukjes geschreven met een opvallende ons-kent-ons-toon, die in elk geval niet voor Nederlandse oren waren bestemd. Neem bijvoorbeeld het reisverslag van de dichteres Eliza Cook (1818-1889). Het was haar opgevallen hoe strak en rechtlijnig Nederland was. Bomen en struiken werden in keurige rijen geplant, heggen in strakke vormen geschoren, eindeloze rijen rechte populieren stonden langs de weg en zelfs bloempotten waren in strakke patronen geplaatst. Eliza Cook hield als Engelse veel meer van vloeiende, natuurlijke vormen: 'All this is provoking to an eye which loves to see nature in her free and easy mood; but of this the Dutchman knows nothing. The fields have been of his own making; left to nature, they would have been mud now. So the Dutchman is to be excused if he should carry his love of the artificial even into nature itself.’ Door de Hollandse rechtlijnigheid kon Eliza Cook, met heel wat koketterie, haar voorkeur voor natuurlijke vormen etaleren en daarmee haar Engels-zijn bevestigen.
Honderden stukjes zijn in deze trant geschreven. Ze huldigen allemaal steeds één en hetzelfde uitgangspunt, namelijk dat elk volk fundamenteel van andere volken verschilt en wel zozeer dat het overbruggen van de afstand niet hoeft te worden overwogen. Uit een gedicht over Nederland van Samuel Butler (1835-1902) komen de regels 'A land that rides at anchor, and is moored; In which they do not live, but go aboard.’ In deze beeldspraak, die in verschillende versies in de literatuur over Nederland te vinden is, werd Nederland als een vlot beschreven, dat dobberend voor anker lag. Ik geloof niet dat Nederlanders deze beeldspraak zelf gauw zouden gebruiken, omdat land nou eenmaal niet drijft. Maar uit de metafoor van het vlot werd duidelijk hoezeer buitenlanders Nederland als een cultureel geïsoleerd gebied beschouwden. Overigens volkomen anders dan wat Nederlanders van zichzelf dachten.
In 1861 bezochten de gebroeders De Goncourt het land dat voor anker lag. Zoals alle toeristen waren ze onder de indruk van de Hollandse schilderkunst, maar het land en zijn bewoners vonden ze meer dan afschuwelijk: 'Een bleek en koud ras, mensen met een karakter geduldig als water, levens vlak als kanalen; bevers in een kaas: - dat is Holland.’ Ze stonden bekend om hun snedige tirades en in Nederland raakten ze helemaal op dreef. Het land was zo vreselijk grauw en saai. Hollandse drinkliederen klonken in hun oren als Lutherse psalmen - de doden moesten hier in hun graf wel doder zijn dan elders. Als Nederland geen interessante republikeinse geschiedenis had gehad, zo stelden zij, zou niemand er enige belangstelling voor hebben gehad.
Sinds Voltaire met zijn bekende bon mot 'Adieu, canaux, canards, canaille!’ was het een Franse traditie geworden om op Nederland te schelden. Ook Diderot vond Nederland maar niks, hij klaagde over het klimaat, de vrouwen, het gebrek aan manieren en het slechte drinkwater in dit natte land: 'De rivieren voeren veel slijk mee; het putwater zit vol seleniet, smaakt naar modder, is ’s winters kil en ’s zomers heet. Het tekort aan zuiver water en het te vochtige klimaat maken het onmogelijk water te drinken zoals de natuur het biedt.’ In de ogen van de Fransen was Nederland lelijk, eentonig en ongezond, maar de Franse lezer kon zich ondertussen met de beschrijvingen ervan wel amuseren.
De Franse revolutionairen, die in 1795 Nederland binnenvielen, hadden dan ook geen enkele sympathie voor dit land. David, een republikeins gezinde schrijver die met het Franse leger was meegekomen, beschouwde de Nederlanders als dom en arrogant omdat ze de euvele moed hadden gehad een land te bewonen dat elk ogenblik kon worden verzwolgen door de zee. 'Hoe haalden ze het in hun hoofd te denken dat ze als gewone sterfelijken de oorlog met de elementen konden winnen?’ In Frankrijk was onder invloed van Rousseau een aversie ontstaan tegen alles wat kunstmatig was. Het goede kon men vinden in de onbedorven natuur; in het gecultiveerde school het kwaad. Nederland was een land dat door mensenhanden was gemaakt, het was dus kunstmatig en ontbeerde daarmee het bestaansrecht.
De revolutionair Robespierre voerde deze opvatting door tot in de uiterste consequentie. In een brief aan zijn generaal Pichegru, in juli 1794, schetste hij zijn tactiek voor de verovering van Nederland en zijn plannen voor daarna, wanneer Nederland bij Frankrijk was ingelijfd. Robespierre vond de Nederlanders 'imbecielen’, en hij zag niet de zin ervan om ook maar enige moeite te doen voor het voortbestaan van dit land dat naar zijn idee over enige tijd toch wel van de aardbodem zou zijn verdwenen. Daarom kon het land maar beter meteen worden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar: ’(…) de ondergang zal onvermijdelijk zijn. Maar uit humanitaire overwegingen moeten wij de inwoners redden; en het comité de Salut Public voorziet er al in dat wij deze grote onderneming zullen afronden met een decreet dat alle Hollanders zal laten emigreren naar Frankrijk, om er te worden verdeeld over al onze departementen om de leegten onder onze bevolking op te vullen. De Zeven Provinciën die gedurende eeuwen door nijvere en slimme mannen aan de golven zijn onttrokken, zullen we daarna weer teruggeven aan de zee.’
Veel reisverhalen uit de negentiende eeuw waren van elkaar overgeschreven en stonden bol van de stereotyperingen die de buitenlandse toerist moesten aanspreken en hem zouden helpen zijn weg te vinden in het curieuze Nederland. De anarchistische schrijver en politicus Mirbeau wilde dit nu eens anders doen. Hij ging het land voor zichzelf ontdekken en wel met een nieuw vervoermiddel: de auto. Met een oude Charron Girardot & Voigt, die hij liefkozend naar de nummerplaat de LA 628-E8 noemde, reed hij in 1908 naar Nederland. Voor het onderhoud van het mechaniek zorgde zijn chauffeur, Brosette, die professioneel met cape, snor en geruite pet was uitgerust.
Het was toen nog een heel avontuur om met een auto op reis te gaan. Nederland was er helemaal niet op berekend. 'Je moet langzaam rijden over de dijken door de polders. Ze zijn heel smal, meestal loopt er een lager gelegen slootje langs en ze worden onderbroken door boog- en ophaalbruggetjes die je pas ziet als je eroverheen rijdt.’ Als een paard ze op de smalle dijkweggetjes tegemoet kwam, stapten Mirbeau en zijn chauffeur uit om de berijder te helpen hen te passeren. Ze moesten oppassen dat ze niet van de dijk slipten en in het water belandden. De wegen hielden soms plotseling op aan de rand van een rivier of een kanaal die je dan met een veerpont moest oversteken. En ze kregen geregeld te maken met oploopjes van nieuwsgierige dorpelingen die nog nooit een auto hadden gezien. Onderweg kon er ook nog wel eens een kip onder hun wielen komen. Mirbeau kon maar zelden de snelheid halen waar hij als automobilist zo van hield: 'Deze manier van autorijden, met allerlei onderbrekingen, is in het begin irritant. Brosette moppert dan ook aan een stuk door: “Rotland!”, maar zelfs hij raakt er net als iedereen snel aan gewend. En dan worden die onderbrekingen verzetjes. Je leert er de mensen door kennen, ziet hoe ze leven en deelt dat leven in zekere zin.’
Mirbeau zag, net als alle andere buitenlanders, dit land alleen maar als een waterland waar de bewoners met intelligentie, doorzettingsvermogen en spierkracht het land op het water hadden veroverd. Amsterdam vond hij aanvankelijk mooi: 'Ieder stukje gracht is een ander landschap van muren, puntgevels, aken, bloembakken aan de ramen.’ Maar later stelde hij dit beeld toch bij. De grachten waren 'stinkende spiegels’. De stank die van het stilstaande water kwam, maakte hem misselijk.
Gedurende acht dagen lag hij met koorts op bed. Hij was ervan overtuigd dat hij ziek geworden was van de 'miasmen’ die uit de gracht opstegen. En terwijl hij lag te piekeren over de kunstmatigheid van Nederland en door het raam van zijn hotelkamer de donkere aken over de gracht voorbij zag glijden, kreeg hij een ingeving waarmee hij de redenering rond kreeg die in de achttiende eeuw bij Rousseau begonnen was. Het idee kwam van het smerige water in de Amsterdamse grachten dat wel van lood leek, 'een soort vette etter of slijm die is uitgescheiden aan de oppervlakte’. Ineens begreep hij hoe de natuur uiteindelijk ook in Nederland overwon, al dachten de Nederlanders zelf nog altijd met hun dijken en sluizen het water onder controle te hebben. 'Het water wreekt zich omdat het is getemd, immobiel gemaakt, tussen stenen muren geperst. Het is gemaakt om te stromen en uit te dijen. Als het wordt ingeperkt, wordt het dodelijk.’ En Mirbeau zag voor zich hoe het getemde en daardoor smerig geworden Hollandse water onbekende koortsen door heel Europa zou verspreiden en zelfs het einde van de wereld betekenen kon. Hij was verrukt van het idee dat de natuurlijke orde nog steeds in tact was: 'Het is niet anders, er is altijd een moment waarop de natuur het juk van de mens van zich afwerpt.’ Hiermee had hij aangetoond dat Hollanders niet over speciale gaven beschikten waarmee ze als enigen ter wereld de natuur konden bedwingen. Wat dat aanging bleken ze toch niet anders dan de Fransen te zijn.
In de loop van de twintigste eeuw is op onderlinge verschillen binnen Europa minder nadruk gelegd. Veel negentiende-eeuwse opvattingen over de volksaard worden tegenwoordig, door het toegenomen contact, als beledigend en ongepast ervaren. Er wordt niet meer zo makkelijk generaliserend over de eigenaardigheden van een ander volk gesproken. Maar vreemd genoeg is de behoefte dit in eigen land te doen nog wel gebleven. Naar de Nederlandse identiteit wordt nog druk gezocht, nu met naar binnen gerichte blik, in het Hollandse verleden.

IK BEN nog even op een regenachtige ochtend in Spaarndam gaan kijken naar 'De held van Haarlem’, een beeldje van het jongetje dat met zijn vinger in de dijk een heel dorp redde. Geen Hollander die er acht op slaat. De VVV heeft het er in 1950 laten plaatsen voor de toeristen die nog altijd naar het Holland van Hans Brinker komen. Het stamt uit de tijd waarin een toerist al met één beeldje of plaquette tevreden was.
Hier staat het in brons gegoten misverstand, met aan alle kanten echte dijken en echt water. Er kwam juist een groepje Amerikanen aangelopen: 'O ja, dat is Hans Brinker!’ Klik, klak. Ze brachten er hun eerbetoon, als aan het graf van een onbekende soldaat. En daarna gingen ze weer terug zoals ze gekomen waren, over de snelweg langs de kolossale kantoorgebouwen waar het merendeel van alle Nederlanders zijn dagen slijt. Geen mens ligt hier nog wakker van de dreiging van de zee. Er zijn nu heel andere redenen voor slapeloze nachten.

Van 16 tot 24 oktober is de 'Week van de Geschiedenis’, met als thema land en water