Ger Groot

Denkende utopie

In zijn boek Utopia laat Thomas More het verhaal van de ontdekking van het gelijknamige eiland vertellen door een zekere Raphaël Hythlodaeus, die hij in Antwerpen zou hebben ontmoet. ‘Hythlodaeus’ betekent ‘verhalenverteller’ of – zoals Hans Achterhuis het in zijn boek Utopie vertaalt – ‘praatjesmaker’. Die dubbelzinnigheid is er niet voor niets. Ze wijst op de onbestemdheid die de utopische literatuur in het algemeen aankleeft. Wil ze louter fantasie zijn, hoogstens bedoeld om kritiek te uiten op de bestaande samenleving? Of beschouwt ze zichzelf als een blauwdruk voor een maatschappij die ooit werkelijk zou kunnen – en dus moeten – bestaan. Is Hythlodaeus, met andere woorden, een dichter of een denker?

Die dubbelzinnigheid heeft het genre van de utopie geen goed gedaan. In de geschiedenis ervan zijn droombeeld en denkbeeld bijna onontwarbaar door elkaar heen gaan lopen. Dat verklaart misschien de opmerkelijke hardnekkigheid ervan, niet gehinderd door het feit dat utopische projecten, zodra ze werkelijkheid wilden worden, altijd dramatisch zijn mislukt. Het genre bleef aantrekkelijk, niet alleen als dichterlijke fantasie maar ook als denkend project.

Dat heeft iets te maken met de manier waarop het denken zelf te werk gaat. Ook dat onderhoudt immers een wat ongemakkelijke relatie met de ontnuchterende realiteit. Wanneer wij nadenken, doen we dat immers níet over de wereld buiten ons, maar over het begrip ervan dat we daaraan hebben ontleend en dat zich nu bijna letterlijk ‘in onze gedachten’ bevindt. Wij bewegen ons in een ideëel universum, dat niet langer realiteit is – ook al is het daar aanvankelijk wel aan ontleend.

Zodra de werkelijkheid ‘idee’ wordt, wordt ze toegesneden op het brein, dat daarmee vanaf dat moment moeiteloos uit de voeten kan. Ideeën zijn voor het denken weerstandsloos en daarom zijn ze zo handzaam. In deze ideële sfeer bevindt het denken zich in zijn eigen utopie, waarin logica en gevolgtrekkingen gladjes hun gang kunnen gaan. Er bestaat dus een merkwaardige overeenkomst tussen de samenleving die geschilderd wordt door de talrijke utopieën die de literatuur heeft voortgebracht en het denken van de menselijke geest zelf. Beide worden wel gekenmerkt door problemen en ongemakken, maar niet door wezenlijke schokken die hen van hun stuk brengen en letterlijk buiten zichzelf werpen. Er is in de klassieke utopie dan ook nooit een ‘buiten’ – althans niet een dat er werkelijk toe doet. Utopieën plegen zich te kenmerken door hun splendid isolation – en voor het denken geldt hetzelfde. Totdat de ervaring ertussen komt.Plotseling hervindt het denken de werkelijkheid en ontdekt daarin iets dat volkomen anders is en waarvan het van zijn stuk raakt. De realiteit is niet het denkbeeld dat we van haar gemaakt hadden en – erger nog – ze gedraagt zich daar ook niet naar. Ze blijkt bokkig, onvoorspelbaar, hard – en ze verschrikt.

Die ervaring werd ooit door Gerrit Achterberg opgeroepen in het gedicht Thebe. Het verhaalt over de zoektocht naar de dode geliefde (Achterbergs eeuwige thema), die door hem wordt gesymboliseerd in de afdaling in een Egyptische grafkelder. En dan gaat het verder: ‘Totdat mijn voeten op u stuitten:/ uit een volslagen duisternis/ zag ik uw ogen opensplijten;/ uw handen, die ik niet kon tillen,/ voelde ik langs het leven strelen,/ dat in mij sloeg;/ uw mond, in dood verholen, vroeg.// Een taal waarvoor geen teken is/ in dit heelal/ verstond ik voor de laatste maal.// Maar had geen adem meer genoeg/ en ben gevlucht in dit gedicht:/ noodtrappen naar het morgenlicht,/ vervaald en veel te vroeg.’

Drie omwentelingen geven dit gedicht zijn dramatische tragiek, die ook voor de ervaring in het algemeen zo kenmerkend is. Ze stuit op iets dat ze niet begrijpt of waarvan ze de betekenis niet kan vatten en daarop volgt de vlucht, terug naar de ruimte waarin het denken zich veilig voelt en thuis is.

Dát die realiteit voor ons zo donker is, danken wij aan het lumen naturale waarmee de geest denkt de wereld te beschijnen, maar dat in werkelijkheid alleen zichzelf doet. Begrijpelijkheid bezit de wereld immers pas wanneer ze is teruggebracht tot het samenstel van ideeën die op ons begrip zijn toegesneden. Dán schijnt het licht en kan het inzicht gaan stralen.

Maar waarover? Over een werkelijkheid die daarvoor als het ware reeds geprepareerd is, gereduceerd in haar onherleidbare ingewikkeldheid en onoverzichtelijkheid. Deze reductie is altijd een vervorming, zo men wil een vervalsing, maar hoe dan ook – bijna in de letterlijke betekenis van het woord – een verdichting. In de utopie van het denken is ieder brein zijn eigen dichter – zoals Raphaël Hythlodaeus bij nader inzien ook in More’s Utopia tegelijk een dichter én een denker is.