Denker uit de kringloopwinkel

Frits Bolkestein, De intellectuele verleiding. Gevaarlijke ideeën in de politiek, € 25,-

De aanval die Frits Bolkestein inzet op ‘de intellectuelen’ overtuigt niet. Wat wil hij?

Nadat Frits Bolkestein in 1959 was afgestudeerd, wilde hij aanvankelijk een dissertatie schrijven over ‘de antidemocratische intellectueel’. In plaats daarvan trok hij naar Afrika om voor Shell te gaan werken. 'Waarschijnlijk maakte ik een goede keus’, schrijft hij in het boek dat 52 jaar later verschijnt. De intellectuele verleiding is volgens Bolkestein veel breder dan zijn geplande proefschrift, omdat het gaat over 'intellectuelen en de politiek’. Een fascinerend onderwerp, dat nu behandeld wordt door iemand die niet alleen veel gelezen heeft, maar ook een enorme politieke ervaring heeft. Hoe brengen intellectuelen het eraf in de politiek? Deden intellectuelen als Lamartine, Disraeli, Woodrow Wilson en Henry Kissinger het beter of slechter dan hun minder belezen collega’s? Veroorzaakt iemand als Obama meer of minder rampen dan de gepatenteerde niet-intellectueel George W. Bush?
Helaas gaat Bolkestein niet in op dit soort vragen, omdat voor hem het antwoord al vaststaat: intellectuelen spelen een funeste rol. En succesvolle politici zijn eenvoudig geen intellectuelen, hoeveel ze ook gelezen of geschreven hebben. Om zijn stelling te bewijzen gaat Bolkestein terug naar de achttiende eeuw en biedt hij ons een ware tour d'horizon langs tal van wereldvreemde, perfide en slordige denkers.
Bolkestein is in Nederland door velen geroemd omdat hij belezen man is met veel culturele bagage. Bovendien heeft hij een eredoctoraat en is hij in Leiden bijzonder hoogleraar 'intellectuele grondslagen van politieke ontwikkelingen’. Academische erkenning is hem dus reeds ten deel gevallen, maar zou hij op dit boek, dat in de plaats komt van de dissertatie die hem in 1959 voor ogen stond, ook kunnen promoveren? Het lijkt me stug.
Om te beginnen maakt Bolkestein fouten die van een eerstejaars student niet geaccepteerd worden. Zo schrijft hij de karakterisering van intellectuelen als 'handelaren in tweedehands ideeën’ op bladzijde 15 toe aan Arthur Seldon en op bladzijde 209 aan Friedrich Hayek. In beide gevallen ontbreekt een duidelijke bronverwijzing, iets wat vaak voorkomt. Soms citeert hij uit het ene boek terwijl in de noot een ander boek genoemd wordt.
Er is een waslijst van dit soort fouten op te stellen, maar ernstiger is dat Bolkestein slordig omspringt met allerlei begrippen. Allereerst geldt dat voor het begrip dat centraal staat in dit boek, de intellectueel. Bolkestein laat er geen misverstand over bestaan dat hij bijzonder weinig achting heeft voor vertegenwoordigers van deze beroepsgroep, al neemt hij niet de moeite precies te omschrijven wat een intellectueel is, en wie wel en niet als zodanig beschouwd moeten worden. Intellectuelen zijn volgens Bolkestein lieden die alleen geïnteresseerd zijn in abstracte ideeën en nauwelijks oog hebben voor de werkelijkheid. Omdat ze vrijwel alleen met andere intellectuelen omgaan, zijn ze bijzonder wereldvreemd. Als ze zich alleen met kunst en cultuur bezighielden zou dat nog niet zoveel kwaad kunnen, maar omdat ze zich ook geroepen voelen invloed uit te oefenen op het terrein van de politiek is hun optreden vaak rampzalig. Bovendien zijn het geen originele denkers, maar populariseren en simplificeren ze slechts de ideeën en inzichten van 'eersteklas denkers’, zodat ze handelen in 'tweedehands ideeën’ en in feite een Lumpenintelligenz vormen.
Tegenover deze beklagenswaardige beroepsgroep stelt Bolkestein politici en ondernemers, die wél met beide benen op de grond staan en hun opvattingen voortdurend moeten toetsen aan de werkelijkheid. Zichzelf ziet hij beslist niet als intellectueel, intellectuelen houden zich immers altijd verre van de praktijk van het besturen. Ook enkele eerbiedwaardige voorgangers neemt hij in bescherming tegen de beschuldiging dat zij wellicht intellectuelen zijn geweest: 'Zo waren Winston Churchill en Charles de Gaulle denkers en schrijvers, maar intellectuelen waren zij niet. Intellectuelen waren de leveranciers van hun ideeën.’
Los van deze tautologie is het trouwens wel vreemd dat denkende en schrijvende politici als Churchill, De Gaulle en Bolkestein hun denkbeelden betrekken bij 'handelaren in tweedehands ideeën’, hoe moeten we hen dan betitelen? Als 'handelaren in derdehands ideeën’? Als 'denkers uit de kringloopwinkel’? Dit lijkt flauw, maar Bolkesteins slordige wijze van redeneren geeft aanleiding tot dit soort vragen.
Het probleem is dat Bolkestein veel overhoop haalt, maar weinig uitwerkt. Hij schrijft herhaaldelijk in positieve zin over het liberalisme, maar een echt heldere omschrijving wat dat voor hem inhoudt ontbreekt. Hij schrijft dat het zijn bedoeling is met dit boek 'de centrale uitgangspunten van de moderniteit te bevestigen en te verdedigen’ (bladzijde 10). Wat die uitgangspunten echter zijn, en in welk opzicht intellectuelen die bedreigen, blijft gehuld in de mist van Bolkesteins lukrake woordenstroom. Wel lezen we op bladzijde 132 dat de moderniteit bestaat uit 'individualisme en secularisatie’, maar op de laatste bladzijde krijgen we te horen dat het de intelligentsia is geweest die de secularisatie heeft gestimuleerd. Hebben die verdomde intellectuelen dan toch iets goeds gedaan, of is die secularisatie, en daarmee de moderniteit, toch niet helemaal pluis?
Bolkestein mag zichzelf dan niet zien als intellectueel, hij wil wel duidelijk laten merken dat hij in een bepaalde intellectuele traditie staat. Hij keert zich fel tegen de Romantiek, die ruim baan heeft gegeven aan het ordeloze denken, de woeste exaltatie en het ontkennen van het bestaan van universele waarden, en waardoor dus de meeste intellectuelen zijn beïnvloed. Over de Verlichting is hij veel positiever, maar ook hier geeft hij niet duidelijk aan wat hij hieronder verstaat en welke positie hij inneemt. In het dagboek uit zijn jaren als eurocommissaris, Grensverkenningen (2005), mocht hij dan nog denken dat Radical Enlightenment van Jonathan Israel over de Romantiek ging, inmiddels weet hij dat deze historicus dikke boeken over de Verlichting schrijft. Uit de schaarse noten blijkt echter dat hij zich heeft beperkt tot Israels boekje A Revolution of the Mind (Londen 2010), waarin deze zijn toch al erg schematische en ideologische interpretatie van de Verlichting nog verder versimpelt. Zodoende blijft het beeld van de Verlichting dat Bolkestein schetst een onduidelijke karikatuur.
Wel geeft hij aan dat hij zich eigenlijk het meest aangetrokken voelt tot het classicisme, dat in zijn woorden zocht 'naar perfectie door het navolgen van de voorschriften en voorbeelden van de klassieke Oudheid’ en het begrip 'orde’ centraal stelde. 'Prudentie, redeneren met een koel hoofd en zin voor orde zijn drie classicistische waarden die van onschatbare betekenis zijn voor een juiste beoefening van de politiek’, aldus Bolkestein. Dit klinkt interessant, maar wie vervolgens verwacht dat Bolkestein dit gaat uitwerken, komt bedrogen uit.
Omdat hij uitbundig de loftrompet steekt over Bernard Mandeville, die van mening was dat particuliere ondeugden als hebzucht automatisch leiden tot een welvarende en goed georganiseerde maatschappij, en Bolkestein geen kwaad woord wil horen over het kapitalisme, zou het voor de hand liggen dat hij ingaat op het spanningsveld tussen enerzijds orde en traditie en anderzijds de onstuimige dynamiek van de vrije markt. Maar Bolkestein beperkt zich tot de opmerking dat slechts weinig intellectuelen het classicisme hebben ondersteund, 'met uitzondering van Goethe en misschien Edmund Burke’. Dat hij de laatste hier noemt is opmerkelijk, aangezien Burke nu juist de aanval opende op de classicistische overtuiging dat er een rechtstreeks verband bestond tussen het 'schone’ en het 'goede’. Dat Bolkestein als politicus 'met een koel hoofd’ redeneerde wil ik best aannemen, maar als 'denker’ slaagt hij daar toch aanzienlijk minder goed in.
Zoals te verwachten viel, keert Bolkestein zich vol vuur tegen een ieder die de superioriteit van de westerse beschaving ter discussie stelt. Wie zich tegen 'de grondslag’ van deze cultuur keert, deugt niet en dient bestreden te worden. Maar ook hier blijft het begrip 'grondslag’ tamelijk vaag. Sterker nog, Bolkestein blijkt soms heel 'creatief’ te lezen. Hij beroept zich hier namelijk op Isaiah Berlin, die volgens hem stelde dat 'de kern van de intellectuele traditie in het Westen’ sinds Plato rust op een drietal dogma’s: 'Hij [Berlin dus] verklaarde dat het belangrijkste axioma het idee is dat er op alle echte vragen maar één juist antwoord mogelijk is, dat juiste antwoorden op zulke vragen in beginsel kenbaar zijn en dat ze niet met elkaar in strijd zijn, dat ze dus consistent zijn. Deze elementen vormen samen een systeem waarin tussen alle juiste antwoorden wederzijdse verbanden bestaan, waardoor ze deel uitmaken van een harmonieus geheel.’
Dat Bolkestein denkt dat Berlins bundel The Crooked Timber of Humanity voor het eerst verscheen in 1959 in plaats van in 1991 is nog tot daar aan toe, maar wie zich ooit serieus verdiept heeft in het ideeënhistorische werk van Berlin weet dat hij deze aan Plato toegeschreven dogma’s juist zag als de bron van veel ellende. Berlins goed beargumenteerde aanval op dit 'Platoons monisme’ wordt door John Gray, in zijn boek over Berlin, gezien als Berlins idee maîtresse, dat in vrijwel al zijn geschriften terugkeert. Aangezien Bolkestein Berlin meermalen aanhaalt, en hem bij andere gelegenheden ook heeft geroemd als belangrijk denker, ga je je afvragen hoe goed hij hem eigenlijk gelezen heeft.
De vraag is wat Bolkestein nu eigenlijk met De intellectuele verleiding wil. Als historische studie schiet het boek aan alle kanten te kort, en een serieuze vergelijking tussen de politieke rol van intellectuelen en niet-intellectuelen wordt niet gemaakt. Dat er veel intellectuelen zijn geweest die zich voor zeer foute karretjes hebben laten spannen is bepaald oud nieuws, maar zegt dat iets over alle intellectuelen?
Hoewel Bolkestein Karl Popper wel een keer noemt, heeft hij blijkbaar nooit van diens falsifieerbaarheidsprincipe gehoord. Zoals bekend houdt dat in dat als je wilt aantonen dat alle zwanen wit zijn, je niet tienduizend foto’s van witte zwanen moet verzamelen, maar dat je serieus op zoek moet naar die ene zwarte zwaan. Pas als je die echt niet kunt vinden, kun je voorlopig aannemen dat alle zwanen wit zijn. Voor intellectuelen geldt hetzelfde. Dat Bolkestein met een enorme reeks namen komt van intellectuelen die ideologisch een scheve schaats hebben gereden zegt wel iets, maar lang niet alles. Opvallend is namelijk dat Bolkestein regelmatig aandacht besteedt aan Jean-Paul Sartre, maar Albert Camus slechts één keer noemt, en Raymon Aron helemaal niet. En als hij terecht iets zegt over de verwerpelijke rol van Duitse intellectuelen als Ernst Jünger, Carl Schmitt en Martin Heidegger is het vreemd dat hij Kurt Tucholsky, Carl von Ossietzky en Golo Mann niet opvoert. Ook allerlei Nederlandse intellectuelen acht Bolkestein geen blik waardig, zodat de lezer vergeefs zoekt naar zijn oordeel over Menno ter Braak, Willem Banning, Pieter Geyl, Karel van het Reve, J.A.A. van Doorn, Bart Tromp en Jacques de Kadt. Dit zijn of waren niet alleen intellectuelen die zich actief hebben verweerd tegen totalitaire ideologieën, maar ook auteurs waar Bolkestein nog veel van had kunnen opsteken. Want wie bijvoorbeeld De Kadts Politiek der gematigden (1972) heeft gelezen, leest in Bolkesteins tirade tegen de jongerenrevolte van de jaren zestig niets nieuws. En De Kadts Het fascisme en de nieuwe vrijheid (1939) is onvergelijkelijk veel origineler en helderder dan De intellectuele verleiding.
Vermoedelijk wist Bolkestein zelf niet helemaal goed wat hij met zijn boek beoogde. Want naast een historisch overzicht is het tevens een politiek traktaat, waarin hij zijn inmiddels bekende stokpaardjes berijdt. Gedeelten van het boek zijn dan ook elders gepubliceerd, en soms al twintig jaar geleden. Dat is niet erg, maar het zou mooi zijn geweest als Bolkestein nu eens een heldere, systematische uiteenzetting van zijn politieke opvattingen en overtuigingen had gegeven. Nu blijft dit aspect van het boek weer steken in een mistig loflied op het kapitalisme, en de tussen de tanden door gesiste waarschuwing dat iedereen die daar kritiek op heeft per definitie verdacht is.
Maar heeft die vrijemarktideologie waarvan Bolkestein zo'n fel voorvechter is, ook niet hooglijk utopische trekken? Is het geloof in de altijd zijn evenwicht terugvindende markt ook geen abstract idee? Voor wie daar nog niet van overtuigd is verwijs ik graag naar John Cassidy’s Wat als de markt faalt? (2010), een boek waarin heel precies en begrijpelijk wordt aangetoond hoezeer in de twintigste eeuw allerlei economen en bankiers de bruikbare hypothesen van onder anderen Adam Smith - een van Bolkesteins helden - zijn gaan verabsoluteren en voor de werkelijkheid hebben versleten, met alle gevolgen van dien. Omdat Bolkestein hier niet verder komt dan het herkauwen van wat Friedrich Hayek en Milton Friedman hebben geschreven, blijkt hij in dit boek zelf ook een 'handelaar in tweedehands ideeën’. En gezien de wijze waarop hij over het algemeen met de denkbeelden van anderen omspringt, is hij nog een onbetrouwbare lompenkoopman ook.


FRITS BOLKESTEIN
DE INTELLECTUELE VERLEIDING: GEVAARLIJKE IDEEËN IN DE POLITIEK
Bert Bakker, 343 blz., € 25,-