17 mei 1936 - 29 mei 2010

Dennis Hopper

Acteur en regisseur Dennis Hopper heeft in de hemel plaatsgenomen in zijn schommelstoel, met een fles whisky, wat coke, wat marihuana, en heel veel sigaretten.

Op 17 mei twitterde David Lynch over het weer in Los Angeles. Maar ook over Dennis Hopper. In Lynch’s Blue Velvet (1986) levert Hopper de acteerprestatie van zijn carrière als de melancholieke seksmaniak en gangster Frank Booth. Lynch heeft dus iets met Hopper. Zijn tweet nam de vorm aan van een video van een paar seconden: Lynch, achter een bureau, iets omhoog kijkend naar een camera, spreekt met een Gordon Cole-stem, het hardhorende fbi-personage dat hij in Twin Peaks vertolkt. Lynch/Cole levert eerst commentaar op het feit dat het wisselend bewolkt is en zegt na een korte pauze overdreven hard: ‘Gelukkige verjaardag Dennis Hopper!’ Maar wat zegt Lynch nu echt? Ja, sterkte met je strijd tegen kanker; Hopper was toen al doodziek. Maar hij zegt vooral ook: je bent een levende legende en daaraan moet iedereen nu eens worden herinnerd.
Twaalf dagen later overleed Dennis Hopper, acteur, regisseur en kunstenaar. Hopper was een echte wilde, zoveel is duidelijk. Misschien even wild als de aan salpeteroxide verslaafde Frank Booth. Vast staat dat Hopper in pijn leefde. Begin jaren tachtig bestond zijn dagelijkse boodschappenlijstje uit een halve liter rum met cola, 28 blikjes bier en drie gram cocaïne. 'Mijn beeld van de hemel’, zei Hopper later, 'is in een schommelstoel zitten met een fles whisky, wat coke, wat marihuana, en heel veel sigaretten.’
Natuurlijk hield hij het niet vol. Hij probeerde af te kicken en ging door met werken. Hij ging altijd door. Hij heeft veel meer gedaan dan Blue Velvet en Easy Rider (1969), de film waarmee hij als regisseur beroemd werd. Zo duikt een jonge Hopper op in westerns uit de jaren vijftig waarin hij doorgaans ongeveer zestien lijkt, met gladgeschoren wangen en altijd keurig gekamd haar. Vertederend zijn vooral twee westerns die hij met John Wayne maakte, met wie hij later bevriend werd. Maar Hopper het acteurtje, idolaat van de Duke? Nee. Tijdens opnamen van een western weigerde hij de aanwijzingen van de veteraanregisseur Henry Hathaway te volgen, waardoor een scène meer dan tachtig keer moest worden overgedaan.
Hopper was niet alleen een hoofdfiguur in de naoorlogse geschiedenis van Hollywood, hij stond ook midden in stormachtige ontwikkelingen in de Amerikaanse maatschappij. Hopper personifieerde de kloof tussen links en rechts, de kern van de culture wars. Eén scène in Easy Rider (1969) illustreert die ideologische clash. Vroeg in de film krijgt Captain America (Peter Fonda) een lekke band. Samen met Billy rijdt hij op zijn chopper van de snelweg naar een boerderij waar hij aan de eigenaar vraagt of hij in de schuur de band mag plakken. Vervolgens geeft Hoppers mise-en-scène de kern van de film in een paar seconden weer: op de voorgrond toont de camera de boer bezig met het beslaan van een paard, hoefijzer en hamer in de hand, met op de achtergrond, scherp in beeld en daardoor thematisch even belangrijk, de hippies Captain America en Billy bezig met het plakken van de motorband. Maar dit droombeeld van traditie en moderniteit in evenwicht maakt onafwendbaar plaats voor visies van desillusie en geweld. Captain America voorziet het duistere einde met een simpele opmerking ’s nachts naast het kampvuur: 'You know, Billy, we blew it.’
Het bleken profetische woorden. In het slothoofdstuk van Raging Bulls (1998), getiteld 'We Blew It’, stelt auteur Peter Biskind dat Captain America de 'apocalyptische verwoesting’ van de generatie-zeventig voorzag. Hij beschrijft vervolgens de artistieke neergang van de belangrijkste regisseurs van die tijd: William Friedkin, Francis Ford Coppola, Hal Ashby, Paul Schrader, Bob Rafelson, Arthur Penn en in iets mindere mate Martin Scorsese en Robert Altman.
Niemand viel harder dan Dennis Hopper. Na Easy Rider maakte hij als regisseur nooit meer een film met zo'n artistieke kracht en maatschappelijke relevantie, ook niet The Last Movie (1971), over een stuntman op de set van een western die in Peru wordt gefilmd. Hopper, die enorme hoeveelheden alcohol en drugs gebruikte, draaide eindeloos. En wist daarna niet wat hij met het materiaal moest doen. Zijn vriend Bob Rafelson probeerde tevergeefs te helpen: 'Dennis was er bijna nooit. En als hij er was, was hij dronken of high en werd hij gewelddadig en raar en gek.’ Toen Hopper de film eindelijk af had, arriveerde nog een vriend, regisseur Alejandro Jodorowsky, die tegen Hopper zei dat The Last Movie nog het meest op een Hollywoodfilm leek. Had hij niet moeten doen; Hopper vernietigde prompt de finale versie en begon opnieuw te monteren. De film kwam nooit af.
Maar met de dood van Dennis Hopper vallen vraagtekens te zetten bij Biskinds theorie. Als acteur leverde Hopper zijn beste werk juist in de jaren tachtig en negentig, namelijk als fotograaf in Francis Ford Coppola’s Apocalypse Now (1979), in Coppola’s Rumblefish (1983) en, briljant, als de alcoholistische sportfanaticus in Hoosiers (1986, David Anspaugh), waarvoor hij een Oscarnominatie kreeg. Er is nog veel meer: zijn magistrale vertolking als broze vader in Tony Scotts True Romance (1993) en als gangster in de neo-noir Red Rock West (1993, John Dahl). Als regisseur maakte Hopper nog twee bescheiden films die alleen maar beter worden elke keer als je ze weer ziet: Colors (1988), over rassenspanning in Los Angeles, en de broeierige hard-boiled thriller The Hot Spot (1990).
Easy Rider blijft zijn meesterwerk, een dichterlijke, filmische bespiegeling over de werking van tijd en de plaats van de mens in een veranderend fysiek en psychologisch landschap. De centrale metafoor, de reis per motor, verbeeldt een beweging weg van het traditionele in de richting van een nieuwe wereld waarin niet cowboys te paard de helden zijn, maar hippies op Harleys. Verzoening is evenwel mogelijk. Dat laat Hopper zien in die verbijsterende scène tussen de paardenboer en Billy en Captain America, een enorme prestatie van een waarlijk wilde man die zijn leven lang hunkerde naar rum-cola.