Jacht op chemische wapens begint nu pas echt

Depot Midden-Oosten

Na Irak beschuldigt Amerika ook Syrië van het bezit van verboden wapens. Die beschuldiging klopt. Het hele Midden-Oosten bulkt ervan. Een overzicht.

«Syrië is niet het volgende doelwit», verklaren Tony Blair en zijn buitenlandminister Jack Straw de laatste dagen met nadruk. Wat Londen betreft kan dat kloppen, maar Syrië wordt door de Amerikanen momenteel zwaar onder druk gezet volgens hetzelfde recept als Irak. Terwijl Colin Powell diplomatieke en economische stappen aankondigt, laat president Bush weten dat hij een militair optreden niet uitsluit. Richard Perle, Paul Wolfowitz en andere leunstoelgeneraals dringen openlijk aan op regime change in Damascus.

Zelfs de Iraakse informatieminister Mohammed «Al-uw-vragen-zijn-bezijden-de-werkelijkheid» Al-Sahaf lijkt een waardige opvolger te krijgen in de persoon van de Syrische plaatsvervangend ambassadeur in Washington, Imad Moestafa. Deze sprak afgelopen zondag op de tv-zender NBC de Amerikaanse beschuldigingen tegen als zou Damascus over chemische en biologische wapens beschikken, terroristische organisaties steunen, een toevlucht bieden aan verdreven Iraakse leiders en busladingen met zelfmoordenaars in tegenovergestelde richting over de grens sturen. «Allemaal gelogen», zei Moestafa. «De VS voeren al jaren een desinformatiecampagne tegen Syrië.»

Helaas voor Moestafa zijn diverse hooggeplaatste figuren uit Saddams omgeving op weg naar de Syrische grens opgepakt. De overgelopen Iraakse generaal Ali al-Jajjawi heeft verklaard dat sommige Saddam-getrouwen reeds naar Syrië zijn ontkomen. En de Syrische steun aan terroristen en zelfmoordenaars is al even goed gedocumenteerd als het geheime chemische en biologische wapenprogramma van Damascus.

Maar president Assad is niet de enige met een pr-probleem. Het Midden-Oosten bulkt van de verboden wapens, illegale laboratoria en geheime samenwerkingsverbanden tussen ideologisch verwante groepen en regeringen. Soms worden de ideologische scheidslijnen om machtspolitieke redenen overschreden. Dat gebeurde bijvoorbeeld toen Israël tijdens de Iraaks-Iraanse oorlog (1980-1988) heimelijk bijdroeg aan de versterking van Saddams leger. Hoe dan ook, de regeringen in de regio beschuldigen elkaar van het bezit van illegale arsenalen en weten zelf van niets. Hun gebrekkige naleving van de voornaamste non-proliferatieverdragen, die ze vaak wel hebben ondertekend, is een bron van ergernis voor inspecteurs. Het is een illusie te denken dat de massavernietigingswapens in de regio kunnen worden uitgebannen zonder intensieve onderhandelingen, gepaard aan volledige openheid van zaken.

Hoewel Tel Aviv nimmer officiële mededelingen doet over zijn onconventionele bewapening, zijn alle experts het erover eens dat Israël beschikt over het verst gevorderde kernwapenprogramma. Voorzover bekend vindt de voornaamste activiteit plaats in de kerncentrale van Dimona in de zuidelijke Negev-woestijn. Om zijn kernwapens in te zetten beschikt het land over zijn ongeëvenaarde luchtmacht alsmede over kruisraketten en over ballistische raketten van het type Jericho met een bereik van 1500 tot bijna 5000 kilometer waarmee het zelfs Iran kan bereiken. Volgens sommige bronnen heeft Israël ook nucleaire landmijnen gelegd op de Golanhoogte. Er zijn geen bewijzen dat Israël werkt aan chemische en biologische wapens, maar het doet wel onderzoek op dit gebied, zoals blijkt uit journalistieke onthullingen, en uit incidenten als de vondst van ingrediënten voor het gifgas sarin op de plek in de Bijlmer waar in 1992 een El Al-Boeing neerstortte.

Israëls beleid van «opzettelijke dubbelzinnigheid» omtrent zijn kernwapens heeft het voordeel dat het land niet wordt lastiggevallen met inspecties. Het nadeel is dat diverse buurlanden bij wijze van tegenwicht aan de ontwikkeling van eigen massavernietigingswapens werken. Omdat zij op hun beurt geheimhouding betrachten, is elke vorm van onderhandeling over ontwapening onmogelijk. Zoals de afbouw van de Amerikaanse en Russische kernarsenalen na de Koude Oorlog heeft aangetoond, werken zulke reducties alleen op basis van openlijke, vertrouwenwekkende maatregelen.

Syrië wordt beschouwd als een kandidaat-kernmacht sinds 1979, toen het een begin maakte met een eigen nucleair onderzoeksprogramma. Volgens Damascus ging het om onderzoek voor medische doeleinden, maar in de loop der jaren heeft Syrië niet alle vereiste informatie hierover aan het Internationaal Atoom Agentschap (IAEA) in Wenen verschaft. Washington heeft zich lange tijd met succes verzet tegen de leverantie van een reactor aan Syrië door landen als China en Argentinië, maar in 1999 leverde Rusland dan toch een bescheiden onderzoeksreactor, op voorwaarde dat Damascus zich voortaan hield aan de IAEA-regels. Dat laatste gebeurt inderdaad en enig bewijs voor een geheim Syrisch kernwapenprogramma ontbreekt tot nu toe.

Des te voortvarender heeft het Syrische leger zich gestort op het betaalbare alternatief in de vorm van chemische en biologische wapens: de «poor man’s bomb». De basis werd gelegd door de samenwerking met Egypte aan de vooravond van de Jom Kippoeroorlog (1973). De voornaamste leveranciers waren de Sovjet-Unie, diverse Europese landen en India. Momenteel beschikt Syrië over aanzienlijke hoeveelheden sarin, VX-gas en mosterdgas. Volgens Israëlische en Duitse bronnen beschikt het tevens over miltvuur, botuline, ricine en andere biologische strijdmiddelen. Het aanzienlijke Syrische Scud-arsenaal, ooit bedoeld als tactisch tegenwicht tegen Israëls luchtmacht en gedurig uitgebreid en verbeterd met Russische, Chinese, Iraanse en Noord-Koreaanse hulp, doet nu nog voornamelijk dienst als draagmiddel voor deze chemische en biologische wapens. Met andere woorden: Syrië houdt Israël nu ook op afstand dankzij een strategische vergeldingscapaciteit.

Egypte heeft nooit aantoonbaar gewerkt aan een eigen kernwapen. Cairo pleit voor de instelling van een kernwapenvrije zone in het Midden-Oosten en zegt bereid te zijn in ruil daarvoor zijn chemische laboratoria open te stellen voor inspectie. Dat zou tijd worden, want Egypte heeft een voorgeschiedenis op het gebied van strijdgassen die begonnen schijnt te zijn met de voorraden mosterdgas die het land in 1954 erfde van de Britse kolonisator. Onder Gamel Abdel Nasser werkte Egypte in de jaren zestig en zeventig met steun van de Sovjet-Unie op grote schaal aan de ontwikkeling van eigen zenuwgassen.

Volgens diverse bronnen gebruikten de Egyptenaren mosterdgas tijdens hun interventie in de Jemenitische burgeroorlog van 1962-67. Tegenwoordig beschikt het land over een heel scala aan strijdgassen, productiefaciliteiten en infrastructuur voor de opslag en het vervoer van chemische wapens. Voor het «afleveren» ervan staan verbeterde Scud-raketten ter beschikking, alsmede een met Iraakse en Argentijnse hulp vervaardigde korteafstandsraket. Er gaan geruchten dat Cairo een overeenkomst heeft met Pjongjang voor aankoop van de Nodong-raket met een bereik van duizend kilometer. Egypte bezit geen biologische wapens.

Iran heeft een intensief nucleair programma. Het had al een begin gemaakt met de productie van een eigen kernbom onder het bewind van de sjah. Vanaf 1984 zette Teheran, onder druk van de vele verloren veldslagen tegen Irak, dat programma voort. Het beschikt nu over vijf onderzoeksreactoren en twee onvoltooide kernenergiecentrales bij de stad Basjier, die het met Russische hulp probeert af te bouwen. In 1984 heeft Iran, als reactie op Iraks gebruik van strijdgassen, een begin gemaakt met de productie van grote chemische wapenvoorraden. Volgens het Amerikaanse ministerie van Defensie beschikt Teheran over honderden tonnen zenuwgas en kan het land desgewenst duizend ton op jaarbasis produceren. Voor de inzet ervan heeft het een groot arsenaal korteafstandsraketten dat voornamelijk werd opgebouwd om Irak het hoofd te bieden. Afgezien van de zelfontworpen Scuds en Shahabs beschikt Iran over de Nodong (Noord-Korea) en de Silkworm (China). Naar verluidt kan de verbeterde versie van Irans Shahab-3-raket inmiddels ook Israël bereiken.

De Amerikanen hebben Syrië ervan beschuldigd dat het, naast zijn eigen strijdgassen, Iraakse chemische wapens verbergt. Als het hun te doen is om te bewijzen dat Saddams massavernietigingswapens nog altijd bestaan, zouden ze beter eens een kijkje kunnen gaan nemen in Soedan. Volgens al jaren circulerende, maar onbevestigde berichten is dat het land waar Saddam Hoessein, na bemiddeling door zijn minister van Buitenlandse Zaken Tariq Aziz, chemische wapens en uraniumstaven heeft ondergebracht toen vanaf maart 1991 VN-wapeninspecties onvermijdelijk werden. Ook Jemen zou als opslagplaats hebben gediend.

In 1993 zouden de geheime contacten met Soedan een nieuw transport van Iraakse chemische wapens naar dat land hebben opgeleverd, via Iran. Dit keer verlangde de Soedanese president Umar al-Bashir in ruil voor de opslag technologie om zelf chemische wapens te kunnen produceren. Die kon hij best gebruiken in de niet geheel naar wens verlopende strijd tegen het Zuid-Soedanese rebellenleger SPLA. Zowel Irak als Iran, dat eerder te maken had gekregen met Iraakse gasaanvallen, maar dat zijn eigen spul nog nooit op het slagveld had kunnen testen, zag wel wat in deze deal.

Volgens de Federation of American Scientists in Washington, die de proliferatie van massavernietigingswapens onderzoekt, zou in de zomer van 1995 een «Iraaks-Iraans-Soedanese as» zijn gesmeed, die de Soedanese burgeroorlog gebruikte als «chemische proeftuin». Iraakse technici verstrekten Soedan de gevraagde productiemiddelen. In 1995 kwamen voor het eerst berichten van het slagveld over de inzet van mosterdgas, bij Nimule en Kuya. In 1997 berichtten verschillende bronnen opnieuw over mosterdgasaanvallen, ditmaal in Oost-Soedan, in de Tulushi/Tulus-bergstreek. In april 1997 beschuldigde een Soedanese oppositiegroep Iran ervan wapens en chemicaliën naar Khartoum te hebben overgevlogen voor gebruik in de strijd. De oppositiegroep beschuldigde Iran er bovendien van dat het militaire experts ter plaatse had om toe te zien op het gebruik van Soedans chemische wapens.

Eind 1997 vertrouwde Soedan inmiddels zozeer op de effectiviteit van zijn met behulp van Irak en Iran verkregen gifgasarsenaal, dat het Oeganda dreigde met een chemische aanval als het doorging met het steunen van de SPLA. Een jaar later waren de Amerikanen het zat en bombardeerden ze een farmaceutische fabriek in Al Shifa, waar Soedan strijdgassen zou fabriceren.

Wat Bush voorheeft met Syrië is vooralsnog niet geheel duidelijk, maar de ontwikkeling van het Soedanese chemische programma toont dat wapeninspecties en oorlogen bedoeld om de verspreiding van massavernietigingswapens tegen te gaan, een averechts effect kunnen hebben. Zeker in een regio waar het bezit ervan wordt gezien als een militaire noodzaak.