Depressie

Voor ik het wist stond ze voor mijn neus. Uit het grote niets weggesprongen. Ze had op me gemikt, zeker weten. Op haar hoofd een krans van dode herfstbladeren en haar ogen gevuld met het loodgrijs van een novemberhemel. Ze rook naar regen en wind, en droeg een jas van verse modder gemengd met tranen. Zoutloze. In haar hand een koffertje vol achterstallige rekeningen en vergeelde liefdesbrieven, onscherpe foto’s en vage herinneringen. Ik deed of ik haar niet zag maar ze sloeg hard terug. Ze kroop in mijn hypothalamus, kneep in mijn hypofyse met twee van haar magere vingers, dronk mijn laatste druppel serotonine, schopte tegen mijn pijnappelklier om vervolgens al mijn hypofyseachterkwabhormonen op te slurpen. Toen alleen de ledigheid overbleef daalde ze in mijn borstkas. Ik begon te hoesten. Om plaats te maken perste ze mijn hart tegen mijn ribben en werd almaar zwaarder.

De winterdepressie.
Nu dat ze volgevreten is
krijg ik haar niet meer weg. Iedere keer dat ik de tv aanzet, wordt in Hilversum Sombre, de film van Grandrieux opgestart. En zodra ik de deur uitga, beginnen rouwstoeten te rijden, junks te spuiten en voorbijgangers in gleufjes te bonuskaarten.
Het kon zo niet doorgaan. Ik begon mijn omgeving goed te observeren en kwam tot een revolutionaire ontdekking: de winterdepressie zit niet alleen in mij, ook het hele gebeuren om me heen is een grote deprimerende kermis. Je kunt geen krant openslaan zonder met het larmoyante portret van H.M. van den Brink te worden geconfronteerd. Ik kan die kop niet meer uitstaan. Zijn boek Hart van glas is bijna unaniem neergesabeld maar dat weerhoudt de redacties er niet van zijn foto telkens weer door onze strot te duwen. En van die foto word ik suïcidaal. Die verpletterende melancholie, die wazige blik, die treurig hangende zakjes onder de ogen en dat zuinige Hollandse mondje! En wat zegt de baas van de VPRO die geacht wordt onze zondagavond enigszins op te vrolijken? ‘Ik vind Nederland onderhand verstikkend.’ Hans Maarten is in zijn eentje een grote winterdepressie.
Maar bij wie zou ik in godsnaam wat troost moeten zoeken. Bij Lulu Wang soms en haar hysterische lachje? Maar Lulu is voor mij een groot mysterie. Is ze echt gek of speelt ze een rol? Gisteren heb ik op RTL4 bij Catherine bijna een uurlang na haar geluisterd en gekeken. Nog nooit heb ik in zo weinig tijd zo veel onzin gehoord. Ik hoopte vurig dat er bij mevrouw Keyl iets van haar oude journalistieke instinct boven zou komen drijven, dat zij zou ingrijpen en mevrouw Wang rustig bij de arm zou nemen en haar buiten de studio zou uitleggen dat Nederland niet een land is dat door randdebielen wordt bevolkt die het warme water nog moeten uitvinden. Maar net als Van Dis deze zomer met Kader Abdolah durfde Catherine het feestje niet te verpesten. Lulu prietpraatte maar voort. Niet zoals Abdolah over ondoorgrondelijke slangen, maar over incestueuze tijgers die onze huizen willen binnendringen en vogeltjes met maar één vleugel die graag mee willen erotiseren. Ze vertelde hoe ze alles van incest te weten was gekomen door te kruipen in de huid van een personage dat ze zelf had verzonnen. Want Lulu is, zoals ze zo mooi zegt, een auteur en dus een beetje god. En er zijn in dit land voldoende goedgelovige mensen die bereid zijn nieuwe idolen van bordkarton te adoreren.
Ik deed de tv uit om niet meer te hoeven horen hoe het in het hoofd van Lulu zaagselde en liep naar de badkamer. Daar verzamelde ik alle mogelijke farmaceutische giffen die ik in het medicijnkastje kon vinden, plus een flinke voorraad scheermesjes voor de zekerheid. Ik trok mijn beste Adriaan Venema-gezicht om op gepaste manier er een einde aan te maken maar net op het moment suprème aangekomen herinnerde ik me dat ik de volgende dag jarig zou worden.