Depressie

Een woord dat ik wil stukgooien. Het past niet in mijn poëtica. Het klinkt als een kapot motoronderdeel.

‘Je depressie doet het niet.’

Het dekt nooit de landing van wat ik voel.

Het is juist een onderzoek naar een gemoedstoestand.

Het is niet weten wat je voelt, want die merkwaardige aandoeningen die men ook wel eens placht aan te duiden met het weinig beeldende woord ‘emoties’ zijn losgezongen, weggedreven van de redenen om ze te bezitten. Ze lijken afgebroken van de omgeving.

Wie met een depressie rondloopt, kan met niets een verhouding aangaan; niemand wil met hem praten, geen kind wil met hem spelen omdat er geen spel voor hem bestaat. Je gevoel is eenzaam. Op zoek naar iets om te ondergaan dat begrijpelijk is en wat passend zou zijn. Depressie is geen dier dat je hebt kunnen vangen, het is geen ding, geen rotsblok, bed of vuilniszak. Ik vraag me soms wel eens af of hij mag bestaan als een zelfstandig naamwoord. De depressie. Een depressie. Het lijkt dan of het vastligt, of er geen beweging meer in te krijgen is.

En dat is het niet.

Het is een voortdurend proces. In de dubbele betekenis van het woord. Ik weet niet door wie, maar ik word verhoord en er wordt over mij geoordeeld, maar wat het verdict is, weet ik niet, en tegelijkertijd lijkt zich iets anders te voltrekken waar ik geen vat op heb.

Nog een paar metaforen. Omdat ik iets onder woorden probeer te brengen.

Het is een zinloze boom, waaraan zinloze takken als wurgende handen groeien en langs de stam kruipen gifslangen naar iets wat je niet kunt zien en als je, wat niet lukt, goed probeert te kijken, zie je de vleugels van zwarte vogels die hysterisch krijsen en vermoedelijk proberen stenen vruchten te pikken.

‘Nu weg metaforen… Nee! Stop! Weg heb ik gezegd.’

Hoe weten we eigenlijk wat we moeten voelen?

Ik heb altijd gedacht dat het in je genen lag opgeslagen. Een mens voelde domweg wat hij voelde. Je denkt er nooit over na. Alles was logisch: je huilde om een verloren liefde, of dode vrienden en vriendinnen, of je raakte juist verliefd, of jaloers. Het hebben van gevoelens was vanzelfsprekend.

Tot er niet meer gesproken werd en er een (wrange? enge?) onverklaarbare stilte viel waardoor je niet meer uit bed kon komen.

Hadden misschien mijn ouders mij geleerd te voelen? Maar hoe leerden ze dat aan? Het kost me geen moeite toe te geven dat mijn ouders emotioneel geschift waren, maar dat kwam door de oorlog. Ik voelde juist niet wat zij voelden.

Hoewel… even terugdenken… Zorgden die Pinter-dialogen niet voor een constante donderwolk in het ouderlijk huis? Kwam je bij mijn ouders gezellig op de koffie – nou ja, als kinderen waren wij er altijd – dan moest je door een woud van subteksten.

‘Wil je een boterham?’

‘Nu weg metaforen...Nee! Stop! Weg heb ik gezegd’

‘Nee, mam.’

‘Waarom niet?’

‘Ik heb al gegeten.’

‘Maar het zijn lekkere boterhammen. Het is eten.’

‘Ik heb al gegeten.’

En dan kwam het… Het ontsnapte haar… Het was vanzelfsprekend. Er zit ook geen kwade gedachte achter.

‘Nou, bij ons in het kamp…’

Stilte. Een afgebroken zin.

‘Hoe was dat dan in het kamp?’

‘Nou, ik ga naar de keuken, je vader komt zo.’

Hebben die duizenden, misschien wel honderdduizenden halve onafgemaakte dialogen en zinnen in mijn kop hersenverbindingen verstoord?

Je komt niet achter het antwoord.

Wel weet ik dat ik af en toe opnieuw moet leren voelen, alsof ik moet genezen van een blessure.

Je slikt culturele medicijnen: gedichten, proza, museumbezoek, concerten.

Iets schrijven.

Langzaam volgt herstel.

Mijn excuses als u zich nu misbruikt voelt, maar het helpt wel.