Ger Groot

Depri

Er zijn somberlingen die zichzelf elke dag opnieuw levensmoed moeten inpraten. Mij overkomt dat hoogstens een paar keer per week en ik ga dan ook door voor een opgeruimd persoon. Toch slaat de laatste tijd de neerslachtigheid toe. Het leven gaat voorspoedig, maar over alles hangt een grauwsluier van mislukking en iedere inspanning lijkt bij voorbaat vergeefs.

Misschien speelt bij mij de duivel van de middag op. Ik ben tenslotte «op het midden van mijn levenspad gekomen», zoals Dante dichtte, toen ruim veertig jaar oud. Tegenwoordig situeren we dat levensmidden iets later, in strijd met de mathematica maar conform de mode van de eeuwige jeugd. Voor iemand die net vijftig geworden is, klopt dat aardig.

Maar de illusie nog maar net in het leven te zijn begonnen, houdt ook in mij heldhaftig stand. Voor melancholie lijkt er dus geen enkele reden te zijn en misschien schuilt daarin wel het probleem. «Hoe idealer de omstandigheden om geluk te bevorderen, hoe dieper mensen in depressies wegzinken», schrijft Erik Martens in het juni nummer van het tijdschrift Streven, dat geheel aan dat onderwerp is gewijd.

Als dat klopt, is de mensheid kennelijk een masochistische diersoort, die streeft naar een constante som van uitwendig en inwendig ongeluk. Hoe minder reden tot treurnis er is, des te hardnekkiger zoekt zij naar een redeloze neerslachtigheid, die zich kan hechten aan willekeurig wat. Ondeugdelijk en misplaatst voelt ze zich, en daar zijn altijd wel argumenten voor. Mij overvalt de wanhoop wanneer mijn geslacht het weer eens moet ontgelden: kwaadaardig, bij voorbaat schuldig en dankzij de gentechnieken binnenkort ook nog eens nutteloos. Onzinnig en onbillijk is het, maar de verdachtmakingen houden al decennia aan en ondermijnen langzaam het moreel.

Is dat het soort depressie dat volgens de Wereldgezondheidsorganisatie over een jaar of vijftien volksziekte nummer één zal worden? Of gaat het daarbij om iets ingrijpenders dan de neerslachtigheid waarin het leven een optelsom van gemiste kansen wordt, zoals Martens schrijft? Rijp voor de psychiater is tenslotte niet ieder onbehagen — de inflatie van depressief tot «depri» ten spijt.

Een paar jaar geleden beschreef Andrew Solomon in zijn boek Demonen van de middag (Anthos) zijn aandoening als een totale catastrofe en in dit Streven-nummer doet Elianne Muller dat in kort bestek even lucide en aangrijpend. Ze herinnert zichzelf als een ziel waaruit de bodem was weggevallen, en dat is iets anders dan het sombere ongemak waarin de wereld zich van haar onhebbelijke kant laat zien.

Het indrukwekkendst aan Mullers artikel is de totale afwezigheid van beklag of zelfmedelijden. Ondanks de klinische ernst van haar aandoening is zij voor zichzelf uitgesproken streng. De schaamte die de echte melancholie vaak kenmerkt, is terecht — schrijft ze. Ziekelijke neerslachtigheid schiet te kort ten opzichte van het leven en daarom deugt ze niet. In de katholieke leer behoort ze — aldus Ludo Abicht elders in dit Streven-nummer — van oudsher tot de hoofdzonden, en Muller lijkt daarmee in te stemmen.

Wie aan een ziekte lijdt, heeft daar weinig aan, en ook Mullers depressie vroeg om een medische oplossing. Maar daarmee verdwijnt volgens haar de morele betekenis ervan niet, hoe graag het naturalisme dat ook zou willen. Ongelukkig is een depressief leven omdat het niet gelukt is, en daarmee staat het in het krijt bij wat het zou moeten zijn. Hoe weinig het ook aan zijn tekort kan doen, de schuld die het ervaart is wel degelijk reëel, maar laat zich in moderne termen van persoonlijke autonomie nauwelijks uitdrukken.

Dat betekent wél dat het de morele plicht heeft te streven naar genezing. De keuze daarvoor is niet willekeurig en de keuze er tegen kan op grond van de eigen, persoonlijke wil evenmin respect eisen als de zelfmoord dat op die gronden kan. Beide liggen in het verlengde van een antropologisch misverstand. Het ik schept niet zijn eigen plichten en de ziekte ontslaat het er niet van.

De milde neerslachtigheid heeft intussen helemaal geen excuus meer. De plicht maakt korte metten met mijn mokkend onbehagen en lethargie, en zet mij aan het werk. Gelukt of niet, ook dit stukje is er ten slotte weer gekomen.