Dertigerspuberteit

Een terras in Amsterdam. Nazomerzon. Uitzicht op een besnorde Multatulikop. En op een parade van onwaarschijnlijk vitale, welgevormde lijven.

Tegenwoordig lukt het me om ze te bekijken op een manier die Joseph Brodsky eens mooi verwoordde als ‘zonder bespringingsoogmerk’. Het kijken is dan een esthetische ervaring, zoals je naar dansers op toneel kijkt.

Net als ik me afvraag 1) hoe het komt dat juist in de hoofdstad die lijven zo onwaarschijnlijk vitaal en welgevormd zijn (woedt hier een fellere concurrentiestrijd? trekt de stad vanzelf zulke lijven aan en stoot ze de minder volmaakte af?) en 2) wat Multatuli daar allemaal voor ideeën over zou hebben, vang ik een zinnetje op aan de tafel naast me, waar twee jongens van eind twintig cola drinken.

‘Vroeger maakte Amsterdam me onzeker’, zegt de ene. ‘Al die knappe mensen. Nu weet ik dat het niks met mij te maken heeft.’

Vreemd, ik ben tien jaar ouder dan die jongens maar ze komen me even aandoenlijk voor als achtjarigen die spelen dat hun crossfietsen knalpijpen van Ducati’s zijn. Nee hoor, jongen, het heeft niets met jou te maken. Heus, die mensen zijn niet expres zo knap om jou onzeker te maken. Ik blik even opzij. Beide jongens zijn, voorzover ik daar kijk op heb, erg knap.

Zit ik nu dan naast vertegenwoordigers van wat nrc.next laatst de ‘Generatie Ik’ noemde? Dat was in een interview met Philip Huff (acht jaar jonger dan ik), die een roman schreef over ‘dertigers van nu’. Ze feesten en facebooken dat het een lieve lust geeft, maar zijn ze wel echt gelukkig?

Nee, die dertigers hebben het niet gemakkelijk. Als je over dertig jaar op basis van de romans van jonge schrijvers het dagelijks leven anno nu zou reconstrueren, dan zou je denken dat iedereen vertwijfeld door de hoofdstad trekt van feest tot feest, in woongroepen woont, zich afvraagt of zijn vrienden wel zijn echte vrienden zijn, en in diepe existentiële twijfel verkeert of hij nu wel of niet een gezin moet stichten, en met wie dan wel.

Zit ik nu naast ­vertegenwoordigers van de ‘Generatie Ik’?

Laatst had ik een radio-interview waar een deel wat stroef verliep, ook omdat de interviewer bleef terugkeren op de vraag hoe dat nu precies zat: die roekeloze, wilde jongen van toen in Leiden (met onophoudelijk bespringingsoogmerk de kroegen afstruinend) en nu in Den Haag wonend, met twee kinderen en een stationwagen voor het hekje van de voortuin.

Het is een thema dat mij zo weinig meer zegt, een dilemma dat zo ver achter me ligt dat ik niet meer het enthousiasme kan opbrengen erover te praten. Ik ben er niet mee bezig. Le bonheur se raconte mal. Maar blijkbaar is de reflex meteen: dertiger van nu, dus lijdt hij ook aan die dertigers-van-nu-puberteit die onze hoofdstedelijke schrijvers zo teistert.

‘Vroeger maakte Amsterdam me onzeker.’ Ja, het is uiteraard gemakkelijk en verleidelijk om badinerend te doen over die dertigersromans, maar ik doe daar niet aan mee, want zulke kritiek gaat voorbij aan het feit dat ze wel degelijk een reële wereld, met reële dilemma’s weerspiegelen. Inderdaad is er een hele generatie bovenmatig bezig met het bepalen van zijn sociale positie en zijn feestvaardigheid.

‘Al die knappe mensen. Nu weet ik dat het niets met mij te maken heeft.’

Er is een generatie die kennelijk op z’n dertigste dezelfde problemen beleeft als een puber van veertien. Die generatie vindt steun, troost, herkenning en inzichten bij boeken als die van Philip Huff, en een stuk of zeven van zijn leeftijdgenoten. Die boeken zijn mogelijk briljant of bijna-briljant geschreven, daarover kan ik geen oordeel vellen want het trekt mij niet om ze te gaan lezen. NRC gaf vier sterren, dus dan moet het wel goed zijn.

‘Er is nu al weer een hele nieuwe generatie na ons gekomen’, merkte een oud-studiegenote op die tegenwoordig bij een uitgeverij werkt. Treffend genoeg zei ze dit na de uitvaart van iemand van onze, nu al weer ‘oudere’ generatie – met geboortedata in de jaren zeventig. Ze had gelijk. En voorzover ik het werk van die generatie van een afstandje volg, zie ik er twee stromingen zich in aftekenen: degenen die het eigen, veelal Amsterdamse leven verbeelden en degenen voor wie het meer gaat om verbeeldingskracht, stijl en vormvernieuwing. Mijn sympathie ligt sterk bij die laatsten, dat is nu wel duidelijk, maar ik ben heel benieuwd wie er over een jaar of twintig werkelijk ‘doorgebroken’ zullen zijn. Of wiens hoofd er – want nu zie ik die Multatulibuste weer – over tweehonderd jaar op een brug over een terras vol onwaarschijnlijk vitale en welgevormde lijven zal uitkijken. Waarschijnlijk degenen die Multatuli’s Idee 246 ter harte nemen: ‘Hoogmoed is de moed om hoog te staan.’