Des Duyvels Doedelsack

gemraad slasser d.d.t. heet de nieuwe dichtbundel van Robert Anker die deze week verscheen. Opvallende titel. Rare, harde, meedogenloze poëzie ook.

Die Gemraad Slasser, dat is een personage, een onaangenaam figuur waarmee Anker de tijdgeest lijkt te willen duiden. Of nou ja duiden, in zijn hemd zetten liever. En d.d.t. is een insecticide.
Niet d.d.t. maar d.d.d., dat stond met typ-ex op de rug van doorzichtig hardplastic cassettehoesjes. Afkorting van muziekformatie Des Duyvels Doedelsack. Vernoemd naar een uitspraak van Willem Drees over uitlatingen van de jeugd, en die had het weer van een kerk in Alphen aan den Rijn uit de zestiende eeuw waar orthodoxe calvinisten de aanwezigheid van het kerkorgel aldus benoemden.
Des Duyvels Doedelsack speelde jazz, of eigenlijk hoorde het niet bij een genre. Het is vrolijke, aanstekelijke, dwaze muziek. ‘Wie wil met me buiten spelen?’ vraagt zanger Hans Boogmans in het eerste nummer van De brug der zuchten. ‘Niemand is thuis./ Iedereen is op de wintersport.’ Hilarisch is zijn solo-uitvoering van de punkhit Haaj Pippi Langkous die doet haar eigen zin op het kerkorgel in Wateringen. Boogmans kwam uit een religieus gezin en zou zich ook later aansluiten bij een gereformeerd genootschap. Een ander nummer van d.d.d. heet Lieve lieve jezus. Het begint zoetgevooisd en braaf:

Lieve lieve jezus mag ik bij u wonen
Want hier zijn de lieve mensen zo stout
Lieve lieve jezus mag ik bij u wonen
Want de mensen zijn niet jong en niet oud

Maar al snel na deze rijmelarij barst de stem los onder wild beslagen drums:

Ze zijn gewoon stom ze zijn gewoon niet goed
De mensen zijn zo stom ze zijn zo dom ze zijn zo stom
Als ze uit hun ogen kijken

‘Hey joh, Jezus! Kom nou eens naar beneden! Blijf niet de hele dag op je bed liggen!’ jengelt een uitzinnige Boogmans op het eind van het nummer. Multi-instrumentalist Anthony Blokdijk houdt hem nog enigszins in het gareel.
Bij het label Pidoewa bracht het duo behalve De brug der zuchten drie geluidscassettes uit.

De getalenteerde Hans Boogmans beroofde zich in 1998 van het leven. Is er niet meer. Net als pianist Jan-Kees Haks. Bassist Menno Assis. Karlo Knijnenburg. Leden van de Haags-Hongaarse formatie Salò Mentale. Allemaal rond het millennium. Het was een ingekeerde muziekscene.

Jezus, Den Haag, kwam Yvonne Keuls daar niet vandaan?
Jawel, maar hou op.

Die gemraad slasser, want daar hádden we het over, zoals Robert Anker dat met nadruk kan zeggen, is een abjecte figuur. In de eerste serie van de bundel, de titelserie, wordt hij orakelend voorgesteld. ‘de bedoeling is de vrijheid van de mooie/ mens af te stemmen op een betere ontvangst’. Anker houdt van spreektaligheid. Hij houdt ervan uitdrukkingen te ontkoppelen en het bos in te sturen, zoals ‘ten halve/ nooit gedwaald’.
Anker publiceerde romans, verhalen en acht dichtbundels. Hij vormde met Tomas Lieske en Willem Jan Otten de redactie in een belangrijke periode van het tijdschrift Tirade. Een van zijn romans is Hajar en Daan, over leerling en leraar op een zwarte school. Tot de sterkste van zijn gedichten horen die waarin de sprekende stem wordt opgebeld door een dochter die vanuit punkcafé de Diepte om geld bietst. Zelden is onmacht zo aangrijpend en rauw verwoord als in die gedichten.
Vorig jaar verschenen Ankers voorlopige Verzamelde gedichten onder de titel Nieuwe veters, schitterend ontworpen door Maarten Evenhuis. Het lijkt of de dichter op die verzameling meteen een hak wil zetten, én op de dichtkunst in het algemeen. gemraad slasser d.d.t. is uitgesproken lelijke poëzie. Zo lelijk dat je niet meer weet of de auteur er nu in zwelgt of er juist tegen ageert. Af en toe heb je het idee dat je naar de wat al te bewust provocatieve film Kids aan het kijken bent. Als docent is Anker gewend aan de taal van jongeren. De bundel staat bol van woorden als ‘afterparty’, ‘breezersletje’, ‘navelpiercing’ en raar genoeg daarbij de wat dubbelzinnige term ‘vrede’. De tweede reeks uit de bundel is getiteld ‘meisjeskutjestijd’ en leest als een soort onduidelijke porno, met boven de gedichten nogal cru wat chique Italiaanse termen. Ook gemraad komt terug in de serie, doet het met ‘kindje twaalf’ en zegt dan: ‘ik ga mijn pad belopen tot ik jou weer wil/ als belofte voor mijn zeurende afwezigheid’.
Is dat erg? Het is altijd in gedichten de vraag wie aan het woord is. Je kunt dingen niet laten spreken, je kunt wel ‘Namens de dingen’ spreken, om op Francis Ponge te alluderen. Geef je simpelweg een eend een stem, dan krijg je Donald Duck. Het perspectief van de slechterik is niet ongebruikelijk in meer recente poëzie, zoals de reeks ‘Blessures’ van Jan Baeke en de ‘Vandalisme’-gedichten van Jan-Willem Anker, die een keerzijde vormen van zijn liefdesgedichten. Beide reeksen zijn geschreven vanuit het perspectief van tuig, rapalje, schorrie of wat daar ook voor doorgaat. In het debuut De karpersmulator van Erik Menkveld is een ongebruikelijke perspectiefwisseling gangbaar, soms lijkt het telkens een raadsel wie nu weer aan het woord is. Ook de Britse poet laureate Carol Ann Duffy laat graag in een gedicht iemand aan het woord. Een biograaf die in het bed slaapt van een overleden schrijver en dan terugsniffelt naar zijn vrouw thuis, waar hij haar gedichten moet aanhoren en haar jam eten. Of een naaktmodel dat tegen de schilder snibbelt: ‘Little man, you don’t have the money for the goods I sell.’
Maar Robert Anker gaat verder, biedt geen ontsnapping, lijkt een bundel lang binnen dezelfde beklemming te willen blijven. Hij slaat even op hol in een soort rap-imitatie, in de derde serie ‘het volle pond’: ‘ik kom ’s ochtends niet meer thuis/ ik heb no nono huis, ik hoef geen buis/ ik huur mezellef van het leven voor een snuif.’ In de serie ‘Jack’: ‘het is de vrijheid die de geile vrede in haar kruis grijpt’. En ‘op zaterdagen slaat hij eerst een autoruitje in’. De serie ‘Niet zeuren’ bestaat alleen uit opmerkingen over oma’s en scooters. En dan toch is er even variatie. Je zou af en toe haast denken dat Robert Anker met graagte discrimineert met zijn Mohammeds en andere personages die niet een al te rooskleurig leven leiden. Maar dat is het niet. Sommige allochtonen noemen dingen simpelweg veel gemakkelijker bij de naam, en het is die taal waartegen de dichter aankruipt. Maar dan, in de zesde reeks, ‘Vredes moker’, is er even ruimte voor iets anders: compassie.

Seka en Mbuti lopen door het land.
Seka zucht, haar broertje blijft maar huilen.
Het gras loopt golvend voor ze uit, de wolken
tuimelen over de randen in het blauw, hand
zegt Seka, rode en gele strikjes in het haar.
Mbuti’s witte overhemd is stijf gestreken.
Ngeera, zuster van liefde, had een droge hand
Toen ze gingen. God zal jullie hoeden.

Lopen broer en zus onschuldig nog de gruwelijke wereld van Slasser tegemoet? Je zou het bijna denken. In de zevende serie ‘Normaal toch’ is een lid van een bende aan het woord: ‘Miesten van ons met kale kopp'n stoer man.’
Pas in de slotserie ‘In de blubber’ lijkt het duidelijker te worden waar het Robert Anker om gaat. Hij noemt eerst een aantal hedendaagse kunstenaars die allen macaber werk maken, Erik van Lieshout onder anderen en Paul McCarthy. Hun grimmige wereld is die van Anker: ‘zeg maar dahaag tegen de ordnung bitte’. Opnieuw staat de serie bol van woorden als ‘tyfus’, ‘kinderkutjes’ en ‘ettertjes’. Anker wil de lelijkheid laten zien, de trash, zonder het gezicht af te wenden.
‘Lélek’ is niet alleen fonetisch plat Haags voor lelijk, het is ook Hongaars voor ziel, rijmend op ‘Élek’ dat zoveel betekent als ‘ik leef’. En toch staat Robert Anker er altijd tussen met zijn taal. Het is een krachtige auteur, met soms iets mechanisch, alsof hij doordendert op een eerdere vondst. gemraad slasser d.d.t. is een product van de tijd van Geert Wilders, waarin duivels doedelzak speken. Zo'n bundel heb ik nog niet gezien.

Robert Anker, gemraad slasser d.d.t. Querido, 72 blz., € 17,95