Edgar Cairo 1948-2000

Des Hemels Schrijver is dood

Onlangs overleed de schrijver Edgar Cairo, op 52-jarige leeftijd. Hij werd gevonden in zijn woning, waar hij vermoedelijk was gestorven aan een maagbloeding. De laatste twaalf jaar was er weinig meer van Cairo vernomen.

In zijn werk zocht de Surinaamse Nederlander voortdurend naar de wrijving in de verhouding tussen blank en zwart. Het tropenkind Cairo zag overal racisme in de Nederlandse samenleving, en was niet te beroerd dat bij tijd en wijle vurig te laten weten. Achter de lauwe ontvangst van zijn vele romans, dichtbundels, novelles, toneelstukken en columns zag hij de vooroordelen die hoorden bij de (koloniale) blanke mentaliteit in de Nederlandse cultuur. Ooit reageerde hij op een negatieve recensie van een van zijn toneelstukken door per ingezonden brief het volgende over de criticus in kwestie uit te storten: «Adelheid, intelligentie en bloeiend meesterschap gebieden mij één ding te zeggen: n.l. dat ik jullie, vuile racistische blanken, als mens niet haten mag. Maar voor de rest heb ik niets anders als MINACHTING voor julle soort van recensenten, witte Bwana’s in de Hollandse bushbush! Het enige waar jullie in mijn ogen goed voor zijn is om met woorden te worden bespuugd en daarna mogen ze van mij de vuile, zwartstinkende grachten met jullie dempen!»

Had Edgar Cairo in deze tijd gepubliceerd, dan was hij zonder twijfel door de culturele voorhoede in de armen gesloten, ondanks of juist dankzij de felheid waarmee hij opkwam voor zijn «zwarte broeders» en streed tegen de onrechtvaardigheid in de blanke samenleving.

Zijn oeuvre is indrukwekkend groot, zo'n veertig titels, vooral gepubliceerd door In de Knipscheer. Zijn meest bekende romans zijn Dat vuur der grote drama’s (1982) en Jaje Disis/Karakter’s krachten (1980). Zijn laatste publicatie stamt uit 1988: een nieuwe bewerking van het oude Temekoe/Kopzorg.

Geobsedeerd door taal als hij was ontwikkelde Edgar Cairo een eigen variant van het Surinaams-Nederlands, die hij voor de zekerheid maar Cairoiaans noemde. Niet iedereen begreep dat even goed, maar Cairo’s proza had een zeer eigen lyriek, en een verbluffende zangerigheid. Over taal zei hij in een interview eens: «Je ziet tegenwoordig veel mensen die een verwaterd Surinaams praten, met Nederlands als passe-partout. Ik kan daar niet goed tegen. Als je Surinaams praat, moet je het goed doen met de gedachte in je hoofd dat je vroeger je moedertaal niet mócht praten. Taal is niet zomaar taal.»

Na zijn laatste publicatie veranderde er iets in Edgar Cairo, onomkeerbaar. Hij plaatste een advertentie in de krant: «Jezus terug op aarde. Edgar Cairo, Gods Zoon, spreekt alle talen met Jaweh’s (Allah’s) stem en doet grote wonderen.» De schrijver Cairo was doodgegaan, en na een paar dagen herboren als Jezus Christus. Cairo was gek geworden, psychotisch. Hier en daar schreef men: «mogelijke oorzaak: gebrek aan erkenning».

Sinds die dag leefde Edgar Cairo door als Jezus. Hij was op het eerste gezicht niet gevaarlijk. Hij wilde slechts aanbeden worden, en serieus genomen als een charismatische leider.

En Edgar Cairo schreef sinds die dag ook door, ook als Jezus. Er zijn geen officiële publicaties meer geweest, maar hij hield niet op met schrijven. Misschien is het werk van na zijn geestelijke verduistering op te vatten als een monument voor de gevallen, verdwenen en gestorven schrijver Edgar Cairo.

Hij kwam af en toe langs bij uitgeverij In de Knipscheer, die hem jarenlang op alle mogelijke en onmogelijke manieren had gesteund. De broers Jos en Frank Knipscheer zagen hem dan binnenkomen: groot en imposant, met een raar hoedje op en met een nog vreemder verhaal. Plus een nog veel merkwaardiger manuscript onder zijn arm: het vervolg, een van de vervolgen op de Openbaringsgeschriften die hij in november en december 1988 schreef en die zeven boeken besloegen. Het beste wat hij ooit had gemaakt, zei Cairo zelf.

Die manuscripten, want er waren er meer, zijn nooit uitgegeven. Wellicht om de auteur tegen zichzelf te beschermen. De broers Knipscheer zullen er lang over hebben nagedacht en gepraat voor ze besloten Cairo’s werk van na de Verandering op de plank te laten liggen. Waarschijnlijk met moeite, want het was, los van alle schrijnende omstandigheden, verbijsterend proza: honderden pagina’s getourmenteerd, lyrisch, euforisch, wanhopig, gestoord en verstoord proza. Koortsig, verhit, hoogmoedig, waanzinnig. Trots, groot, en waar. Het was de waarheid volgens «Edgar Jezus Cairo, Des Hemels Schrijver» — een waarheid die onnavolgbaar was voor gewone stervelingen. Alsof het, inderdaad, recht uit de hemel kwam. Uit de donkerste, vergeten krochten van de hemel.

Degenen die een blik hebben kunnen werpen op die pagina’s van Cairo’s openbaringen, weten, misschien met tranen in hun ogen, dat zulk proza alleen kon worden geschreven omdat de schrijver ervan Jezus Christus was geworden. In zijn hoofd, dan.