Later, in zijn essay ‘Naoorlogs, eigentijds’ (1973) bijvoorbeeld, stelde Oë dat het symbool van het keizerschap verloren is gegaan toen na de oorlog in de Japanse grondwet werd vastgelegd dat de keizer niet méér is dan een symbool. Het keizerschap was, vond hij, daarmee een zielloze abstractie geworden, en een zielloze abstractie is geen God en geen redding, laat staan dat je ervoor wil sterven.
Maar het mythische keizerschap verdween na de oorlog natuurlijk niet meteen uit de Japanse samenleving. Daarover schrijft Oë in zijn novelle De dag dat de keizer hoffelijk mijn tranen droogt uit 1977. Bij die prachtige titel zou je een verstild, poëtisch verhaal verwachten over de tijd dat de keizer nog al zijn mysterieuze glans had. Niets is minder waar. In de novelle ligt een 35-jarige man op een ziekenhuisbed. Hij is ervan overtuigd dat hij snel zal sterven aan leverkanker; gekweld keert hij in gedachten terug naar zijn verleden. Zijn vader, in zijn relaas consequent ‘de man’ genoemd, was extreem keizersgezind; zijn moeder was de dochter van een man die wegens hoogverraad tegen de keizer ter dood is gebracht. Hijzelf wordt heen en weer geslingerd tussen keizersgezindheid en de schande van het hoogverraad.
Aan het bed zit een notuliste die zijn monologen optekent en soms tegensputtert. Door haar correcties wordt duidelijk dat de leverkanker is ingebeeld: hij is niet ziek maar gek. Hij ligt in een psychiatrische inrichting met een antieke duikbril - een erfstuk van de man - op zijn neus en identificeert zich bovenmatig met zijn vader en diens liefde voor de keizer.