Des keizers val

Toen Kenzaburo Oë een jongetje van tien was, gebeurde er iets dat diepe indruk op hem maakte: in augustus 1945 verklaarde de Japanse keizer over de radio dat Japan capituleerde. Oë had de toespraak niet verstaan, maar hij had gebiologeerd geluisterd. Het verheven wezen sprak tot zijn onderdanen met een stem die in niets verschilde van die van doodgewone volwassenen. Als jongetje had Oë geleerd dat de keizer heilig, genadig en almachtig was. Op de lagere school werd de kinderen gevraagd: ‘Wil je graag sterven voor de keizer?’ ‘Ja, ik wil graag sterven voor de keizer!’ antwoordden de kinderen dan in koor. Als Oë ziek was, droomde hij dat de keizer bedekt was met witte veren en als een vogel langs de hemel vloog. Nu de keizer bleek te spreken als zijn buurman, kon hij dat moeilijk nog geloven. De keizer viel van zijn goddelijke troon.

Later, in zijn essay ‘Naoorlogs, eigentijds’ (1973) bijvoorbeeld, stelde Oë dat het symbool van het keizerschap verloren is gegaan toen na de oorlog in de Japanse grondwet werd vastgelegd dat de keizer niet méér is dan een symbool. Het keizerschap was, vond hij, daarmee een zielloze abstractie geworden, en een zielloze abstractie is geen God en geen redding, laat staan dat je ervoor wil sterven.
Maar het mythische keizerschap verdween na de oorlog natuurlijk niet meteen uit de Japanse samenleving. Daarover schrijft Oë in zijn novelle De dag dat de keizer hoffelijk mijn tranen droogt uit 1977. Bij die prachtige titel zou je een verstild, poëtisch verhaal verwachten over de tijd dat de keizer nog al zijn mysterieuze glans had. Niets is minder waar. In de novelle ligt een 35-jarige man op een ziekenhuisbed. Hij is ervan overtuigd dat hij snel zal sterven aan leverkanker; gekweld keert hij in gedachten terug naar zijn verleden. Zijn vader, in zijn relaas consequent 'de man’ genoemd, was extreem keizersgezind; zijn moeder was de dochter van een man die wegens hoogverraad tegen de keizer ter dood is gebracht. Hijzelf wordt heen en weer geslingerd tussen keizersgezindheid en de schande van het hoogverraad.
Aan het bed zit een notuliste die zijn monologen optekent en soms tegensputtert. Door haar correcties wordt duidelijk dat de leverkanker is ingebeeld: hij is niet ziek maar gek. Hij ligt in een psychiatrische inrichting met een antieke duikbril - een erfstuk van de man - op zijn neus en identificeert zich bovenmatig met zijn vader en diens liefde voor de keizer.