Filosofie van de luiheid

Des ochtends jagen, des middags vissen

Ledigheid heeft vele profeten, maar geen inspirerend evangelie. De ware theoretici van de luiheid komen niet voorbij hun eigen eerste gebod: laat maar zitten.

AUTEURS DIE ZICH AAN EEN APOLOGIE van de luiheid waagden, waren meestal niet recht in de leer. Hun werken zijn utilitaristische pamfletten, soms moeizaam bevochten op hun eigen onwillige lichamen, op de geest van hun tijd of op het budget van hun uitgever. Ze bezingen nut of winst van de luiheid terwijl luiheid in het geheel geen rechtvaardiging behoeft. Het zijn juist de noeste werkers die altijd een rechtvaardiging voor hun werklust nodig hebben gehad in de vorm van winst, godsvrucht of persoonlijke groei. Zelfs Michel de Montaigne, toch geen toonbeeld van werklust, had geen goed woord over voor de luiheid: ‘Geen droom of dwaasheid wordt ons bespaard als we niet doelbewust met iets bezig zijn.’ Waar nodig ondersteunden kerk, kapitaal en hardvochtige wetgeving het devies dat werken bittere noodzaak is. ‘Wy moeten de bequaemheyt des tijdts leeren uytkoopen’, meende een zeventiende-eeuwse Hollandse predikant, ‘want onse daghen zijn kort en boos.’ De spinhuizen voeren er wel bij.

Tegenwoordig zijn onze dagen langer en minder boos, al zijn ze door toedoen van de moderne vrijetijdsindustrie saaier en tegelijkertijd gejaagder dan ooit tevoren. Het is al vaak geconstateerd: onze vrije tijd is werk geworden. Er hangt ook steevast een prijskaartje, logo of ‘sponsorboodschap’ aan. Het eerste georganiseerde protest tegen deze hysterie ontstond in Rome in de jaren tachtig toen de communistische journalist Carlo Petrini campagne voerde tegen de vestiging van een McDonald’s naast de Spaanse Trappen. De Slow Food-beweging was geboren. Eveneens in Italië ontstond in 1999 Città Slow, een beweging voor onthaaste steden waarbij zich inmiddels tientallen gemeenten in de hele westerse wereld hebben aangesloten. De Franse econome Corinne Maier bediende weer een andere niche door in Bonjour paresse (2004) uit de doeken te doen hoe je als werknemer in de baas zijn tijd geen reet kunt uitvoeren; de mogelijkheden blijken eindeloos.

Uit Slow Food ontstond Slow Living, aangevoerd door de Canadees Carl Honoré, auteur van onder meer In Praise of Slowness (2004), en het Australische echtpaar Wendy Parkins en Geoffrey Craig. Terwijl Jeff Bridges (alias The Dude) uit de briljante film The Big Lebowski (1998) van de gebroeders Coen de wereld aanschouwelijk onderricht gaf in de geneugten van het luieren, analyseerden de denkers van de beweging het verband tussen kapitalisme, technologie, structurele haast en informatiegekte. Honoré meent dat onze cultuur na een onafgebroken versnelling van het levenstempo in de laatste 150 jaar bezig is bewust te onthaasten en een levenskwaliteit terug te vinden die verloren dreigde te gaan. Daarbij kan de modernste technologie ook ondersteunend werken. Onthaasten betekent niet dat je internetsnelheid omlaag moet, het betekent enkel dat je niet als een idioot moet willen bijhouden wat er allemaal op internet ‘gebeurt’. We hebben onze ‘roadrunner-cultuur’ zelf geschapen en we kunnen haar zelf ontmantelen, aldus Honoré: ‘Bewust terugschakelen in je persoonlijk leven geeft een diepe voldoening, al betekent het dat we moeten leren afzien van de instant-bevrediging die de commercie ons voorhoudt.’

Parkins en Craig verwisselden opzettelijk Oz voor Rome met de bedoeling diepgaand studie te maken van de Slow Food-beweging, die volgens hen niet typisch Italiaans was maar een algemeen menselijke reactie op de globalisering die ook in andere westerse landen en ten slotte in de hele wereld zou optreden. Hun boek Slow Living uit 2006 geldt als zakbijbel van de onthaasting omdat zij daarin niet alleen de individuele mogelijkheden tot langzamer leven op een rij zetten, maar ook een politiek perspectief schetsen waarbinnen slowness en duurzaamheid op allerlei maatschappelijke terreinen verbonden kunnen worden.

De hedendaagse apologeten van het nietsdoen bezweren dat luiheid nuttig, subversief en zelfs revolutionair is. Dat is opmerkelijk omdat ‘links’ lange tijd een problematische verhouding tot de luiheid heeft gekend. Karl Marx gaf in De Duitse ideologie (1846) de slechtst denkbare voorzet toen hij het verloop van een toekomstige communistische arbeidsdag schetste. Om de ‘vervreemding’ van de kapitalistische arbeidsdeling te doorbreken, zou die dag als volgt zijn gevuld: ‘Des ochtends jagen, des middags vissen, des avonds veeteelt bedrijven en na het eten de kritiek beoefenen.’ Een nachtmerrie voor elke flierefluiter, vooral dat laatste onderdeel. Hoe een communist des avonds de veeteelt bedrijft, is overigens een raadsel. De zinsnede doet vermoeden dat de stadse bleekneus Marx zelf danig van het plattelandsleven vervreemd was.

DE OP CUBA GEBOREN en getogen Franse creool Paul Lafargue was de eerste die de werklust van zijn medesocialisten aan de kaak stelde in het satirische pamflet Het recht op luiheid (1880). Lafargue was getrouwd met Marx’ dochter Laura. Hij was aangetrokken tot Marx’ ideeën en bewonderde uitgerekend zijn werklust, zoals hij in 1890 in een In Memoriam voor zijn schoonvader schreef: ‘Marx was een onvermoeibare werker, zijn rust bestond erin dat hij door zijn werkkamer ijsbeerde. Er liep een uitgesleten strook van het raam naar de deur, scherp omlijnd als een pad door een weiland.’

In Brussel ontmoette Lafargue echter de radicale socialist Louis Auguste Blanqui, die hem aan het verstand bracht dat na de revolutie niet alleen de arbeidsverhoudingen, maar ook de moraal en het arbeidsethos van het kapitalisme op de helling moesten. Het werd nog erger toen Lafargue belangstelling opvatte voor de utopische socialist Pierre-Joseph Proudhon, die in zijn jeugdwerk Over de zondagsviering (1839) had aanbevolen dat ‘de discussie over werk en inkomen, organisatie en industrie’ binnen de socialistische beweging moest plaatsmaken voor het onderzoek naar ‘een wet die als grondslag een theorie van de rust heeft’.

Was het ‘recht op werk’ dat de socialisten destijds in hun beginselprogramma’s eisten geen overblijfsel van kapitalistische slavernij? Lafargue concludeerde dat lichaam en ziel meer gebaat waren bij rust dan bij productiviteitsverhoging. ‘Utopisme!’ oordeelde een verbolgen Marx. En hij schreef aan zijn dochter Jenny: ‘Die verdomde lummel van Lafargue rust waarschijnlijk niet voordat ik hem eens stevig op zijn creolensmoel heb getimmerd.’ Het bleef echter bij dreigementen en ook Lafargue sloeg slechts verbaal terug. Zijn pamflet opent met een parodie op de bekende openingszin van Het Communistisch Manifest van schoonpapa: ‘Een vreemde waan houdt de werkende klasse in alle kapitalistische landen in zijn ban. Die waan is de liefde voor de arbeid, een ziekelijke werkdrift die men botviert tot de uitputting van ’s mensen levenskracht en die van zijn kroost erop volgt.’

Het kapitalisme dwong volgens Lafargue de arbeiders tot onmenselijke werktijden en -methoden met ‘intellectuele degeneratie’ en ‘lichamelijke misvorming’ tot gevolg. ‘Vergelijk de raspaarden in de stallen van Rothschild, bediend als zij worden door een hele schare tweevoetigen, eens met de lompe bruut van de Normandische boerderij die de aarde omwoelt, stront uitrijdt, de oogst binnenhaalt.’ In een verwijzing naar Aristoteles (die Carl Honoré beslist zou onderschrijven) stelde Lafargue dat instrumenten het gemak van de mens moeten dienen, in de eerste plaats het dolce far niente dat ieders geboorterecht was. Het proletariaat moest zich in de socialistische maatschappij beperken tot drie uur werk per dag en de rest van de dag en de nacht besteden aan rusten en feesten.

Dat was niet aan dovemansoren gezegd. Dankzij Lafargue herontdekte de Duitse arbeidersbeweging Lessings ode aan de luiheid: ‘Laß uns faul in allen Sachen/ Nur nicht faul zu Lieb und Wein/ Nur nicht faul zur Faulheit sein.’ Zijn pamflet behoorde samen met Het Communistisch Manifest tot de meest verkochte en vertaalde teksten van de Tweede Socialistische Internationale. Het verscheen zelfs eerder in Russische vertaling dan het manifest. En het inspireerde de Russische schilder Malevitsj tot het schrijven van zijn boek Luiheid als levensdoel uit 1921, waarin hij vaststelde dat luiheid creatief is en een bron van nieuwe ideeën en initiatieven.

En ten slotte blijkt luiheid ook nog gezond te zijn. Je leeft er althans langer door omdat je minder levensenergie verbruikt, zoals de Duitse fysioloog Max Rubner in 1908 betoogde: ‘Wie de snelheid van zijn stofwisseling omlaag brengt, veroudert langzamer.’ Rubner had het niet uit zijn duim gezogen, zo bleek in de tweede helft van de twintigste eeuw toen de bioloog Roland Prinzinger zijn Metabolische Theorie ontvouwde. De theorie stelt dat elk levend wezen ter wereld komt met een gegeven hoeveelheid vitale energie die afhankelijk is van zijn lichaamsgewicht; om precies te zijn 2500 kilojoule per gram. Die hoeveelheid energie verbruikt een mens in de loop van zijn leven sneller of langzamer al naar gelang zijn levenshouding en gedrag. Roy Walfort, de Amerikaanse arts die twee jaar lang de medische begeleiding deed van Biosphere 2, het experimentele biosfeergebouw in Arizona, bevestigde Prinzingers bevindingen uit eigen onderzoek.

DE GENOEMDE AUTEURS hebben ongetwijfeld allemaal gelijk. En als luiheid een exacte grondslag heeft zoals Rubner en Prinzinger meenden, kunnen we zelfs uitrekenen hoeveel kilojoules we kwijt zijn aan het lezen van al die verstandige teksten. Ons lichaam en ons ik, ons gezin, ja onze hele wereld gedijt bij nietsdoen. In klassiek-utilitaire termen uitgedrukt kun je zeggen dat werken de grootst mogelijke ellende voor het grootst mogelijke aantal mensen veroorzaakt. ‘De aarde heeft baat bij minder vlijt’, schrijft de professioneel onthaaste kookjournalist Michiel Bussink op zijn blog: ‘Nog meer werken betekent nog meer produceren en consumeren, betekenen een nog groter beslag op de hulpbronnen. In verwoede pogingen om vooral méér te blijven produceren en consumeren dan de Chinezen, die ons in het opeten en bevuilen van de aarde naar de loef proberen te steken. Een doodlopende weg.’ Wie in deze overwegingen het morele aspect mist, kan terecht bij het bon mot van Blaise Pascal die eens zei dat ‘de meeste kwaden in dit leven voortkomen uit het onvermogen van een mens om rustig in een kamer te zitten’.

Toch gaan al deze teksten voorbij aan de essentie van de luiheid. Die behoeft hooguit een goed voorbeeld – liefst in levenden lijve, maar het mag ook in boekvorm zijn. De meest inspirerende teksten voor een lui leven zijn dan ook de terloopse berichten uit andermans luie leven. Een juweeltje op dit gebied is De moeilijke kunst van het bijna-nietsdoen (2010) van de gewezen Franse proftennisser en schrijver Denis Grozdanovitch. Denis wie? Inderdaad, de auteur is van alles bijna geweest, inclusief beroemd. Hij is in de wieg gelegd voor diverse boeiende roepingen en hij probeerde ze allemaal uit, maar kon zich er telkens niet toe zetten om er iets van te maken. Zelfs zijn boek weerspiegelt zijn levenshouding. Het springt van de hak op de tak, bevat tal van onafgemaakte gedachten en eindigt in een nostalgisch niemandsland waarin de principieel-luie schrijver John Cowper Powys het voornaamste intellectuele baken voor de mensheid blijkt te zijn. Het is bovendien buitengewoon leerzaam, geestig en goed geschreven, een verbijsterende combinatie voor wie denkt dat luie schrijvers vanzelfsprekend slechte schrijvers zijn.

Grozdanovitch werd in 1946 te Parijs geboren ‘op een regenachtige dag’ zoals zijn officiële schrijversbiografie vermeldt, als om te benadrukken dat zijn moeder zich te pletter verveelde en niets beters wist te verzinnen dan hem ter wereld brengen. De kleine Denis was zoals gezegd niet gespeend van talent. Hij zette herhaaldelijk de vereiste stappen op de weg naar succes – jeugdkampioen tennis, publicatie van veelbelovende korte verhalen – en werd dan fataal afgeleid door zaken die er ogenschijnlijk niets toe deden. Hij volgde bijvoorbeeld in de jaren zestig een filmopleiding aan het Institut des Hautes Études Cinématographiques. Het Idhec was de bakermat van de Franse film die onder anderen Alain Resnais, Louis Malle en Jean-Jacques Annaud afscheidde. Grozdanovitch bleef steken in het filmen van zijn trappenhuis en een naburig stadspark. Wegens ‘gebrekkige casting’ werd hij van de opleiding gegooid. Honderden meters footage van de buren, de bakker op de hoek en de eendjes in het park konden de vuilnisbak in.

De biografie gaat in deze trant verder tot het jaar 2006, waarna Grozdanovitch waarschijnlijk werd afgeleid en het er maar bij liet zitten. Net als zijn korte verhalen die handelen over tijd, eilanden, melancholie en de vraag of eekhoorntjes zich schuldig kunnen voelen, munten zijn biografische notities uit door hun beknopte, heldere nietszeggendheid. ‘1964. Ik ontdek Blaise Cendrars en denk lang na over de vraag of ik actief of juist contemplatief wil zijn, overigens zonder een besluit te kunnen vatten.’ Waarvoor hij vervolgens zes jaar de tijd neemt.

In 1970 is hij er uit. Of liever, hij sluit een compromis: ‘Ik word een “actieve tijddoder” – schaken, flaneren, boeken lezen, tennis, woordgrapjes en late discussies in cafés.’ Met genoegen boekstaaft hij de ontbrekende gebeurtenissen die verwijzen naar de vele niet-geleefde levens die hij aan zich voorbij zag trekken. Zoals deze: ‘1976. Nog steeds geen boek van Marguerite Duras gelezen.’ Grozdanovitch wil geen revolutie maken, geen programma verdedigen, geen fans om zich heen verzamelen. Hij hoeft niemand te overtuigen, niet eens zichzelf. Hij voert een ‘ontgoocheld en utopisch achterhoedegevecht tegen de toestand van de wereld’ door niets te doen. Hij hoeft dat gevecht niet te winnen. Zijn luiheid is zichzelf genoeg. Hij leeft ongetwijfeld nog lang en gelukkig.