Des te harder

Gabeba Baderoon
A Hundred Silences (2006)
The Dream in the Next Body (2005)
Kwela Books/Snailpress, Kaapstad (www.gabeba.com)

Gabeba Baderoon (Kaapstad, 1969) kijkt naar de wereld alsof deze elke dag speciaal voor haar te voorschijn wordt gehaald. Met een verraderlijke naïviteit geeft ze weer wat ze ziet en schrijft ze zoals een geoefende tekenaar met een paar lijnen een stad neer kan zetten. Wat wordt neergezet is opvallend universeel. Of: de dichteres doet weinig tot niets met haar islamitische afkomst en negeert de politieke situatie van haar land.
Er wordt een maal verwezen naar apartheid, wanneer Gaberoon in het gedicht I Forget to Look beschrijft dat op de universiteit waar haar moeder studeerde zwarte studenten niet in een blank lijk mochten snijden. Welke huidskleur haar moeder had, wordt niet vermeld. Op dit gedicht na had deze bundel net zo goed geschreven kunnen zijn door iemand die in Engeland is opgegroeid. Zuid-Afrika speelt amper een rol. De gelaten toon van Baderoon waarmee ze het leven van een moderne jonge vrouw beschrijft, doet denken aan de nonchalant gezongen, treurige liedjes van de Engelse zangeres Dido met onderwerpen die zijn gevonden in en om het huis.

Baderoon raakt veel kwijt in haar gedichten. Haar vader, een geliefde, een bril. Verlies was ook in haar vorige bundel The Dream in the Next Body – waarmee ze de Daimler Chrysler Award for South-African Poetry 2005 won – een belangrijk onderwerp. In het gedicht How to Find Something Lost legt ze uit dat je wat verloren ging, of het verlies zelf, moet laten roepen. Ze beweert dat verloren zaken een wederkerigheid in zich dragen die maakt dat ze je graag terugvinden.

There is a reciprocity in vanished objects

that makes them want to rejoin you.

Long after you stop searching,

lost chances, lost causes, lost loves circle back.

Verlies laat je opnieuw kijken, schrijft de dichter, en is dus eigenlijk iets wat je wint. Ze beschrijft de reis, terug in de tijd, aan de hand van waar ze is geweest en wat ze er deed met het verloren object. Ze ruimde op, zocht takken om een haardvuur mee aan te steken, en in de tuin is waar de herinnering strandt:

And all the while, the leaves fell,

and then the rain.

In those wet and perfect

disguises you look

for what is lost.

En pas wanneer de dichteres het opgeeft en de zaklamp die ze gebruikte bij het zoeken opbergt, komt er als een herinnering iets terug:

The lid on the box where you’d packed

away the earphones looks askew.

You nudge it aside and there,

tangled in the cords, catching two circles of light,

something comes back: your spectacles.

Het is geen toeval dat de dichteres een bril moet terugvinden, het instrument dat haar beter doet zien. Het kijken is een doel op zich voor Gaberoon, die als literatuur- en mediawetenschapper haar proefschrift wijdde aan de representatie van de islam in Zuid-Afrikaanse kunst en media. Het opsporen en interpreteren van beelden ligt steeds vlak onder de oppervlakte van de gedichten, maar Gaberoon heeft nergens de behoefte haar wetenschappelijke vakkennis te etaleren.

In haar laatste bundel is het alsof Gaberoon de lezer de achterkant van film laat zien, in het gedicht The Thing You Were Facing. Ze stelt zich voor wat de cameraman gezien moet hebben.

Watching the film, I see

your heartbeat while you held

the camera, the way it moved

the body, the hand,

the thing you were facing.

Waar de cameraman mee werd geconfronteerd wordt niet duidelijk, wat het des te onheilspellender maakt. Eenzelfde effectief soort weglaten gebruikt de dichteres in het drieregelige gedicht Traffic Accident:

Under my fingers

rustle of disturbed bone

where there should be silence.

Verlies wordt hier als middel ingezet om verschrikking op te roepen. Het is niet alleen een thema, maar ook een methode van de dichteres: wat verloren en kapot gaat wordt zowel in de vertelling als in de vorm benadrukt.

In The Pen, het slotgedicht van A Hundred Silences, beschrijft Gaberoon het verlies van haar vader aan de hand van een verloren pen. Ze raakte de pen kwijt tijdens het laatste bezoek aan haar vader.

When I went home late that day,

I negotiated with loss as I always do,

not going back to the garage to look for the pen

in case it wasn’t there,

to keep its absence incomplete

so it could come back one day.

In three days

the impossible sequences of death.

I went back

over everything we said that day

and the years when we didn’t speak.

De dichteres past de zoekmethode toe uit haar vorige bundel, door een reis terug in de tijd te maken. Ze krijgt haar vader er niet mee terug, maar als een verloren voorwerp dat elk moment, op de meest onverwachte plek kan opduiken, blijft er iets bewegen tussen wat verloren ging en de verlatene:

The night he died

I felt the complete loss,

of absence without negotiation,

and yet what was still there,

that moving towards each other,

without looking.

En wanneer je je realiseert dat Gaberoon zich op de pen richt om niet aan de dood van haar vader te denken, komt het witte lijk uit I Forget to Look in een nieuw daglicht te staan. De dichteres bepleit het bewust niet-kijken om verloren zaken terug te vinden, en ook het maar eenmaal verwijzen naar apartheid zou een vorm van niet-kijken kunnen zijn. Het leed dat niet wordt getoond wordt des te harder opgeroepen.