Interview met Marc Bijl

‘Design, dát snappen Nederlanders nog’

Kunstenaar Marc Bijl beschiet reclameborden met verfkogels en speelt voor security guard op metrostations. Toch is zijn werk niet politiek: ‘De wereld verandert echt niet door kunst.’

BERLIJN – Marc Bijl (37) houdt van klare taal en schreeuwende symboliek. Zo spoot hij illegaal in koeienletters ‘TERROR’ op de pilaren van het gebouw waar Dokumenta 11 plaatsvond, veranderde hij ’s nachts een basketbalveldje van Nike in een veldje van Adidas en rende hij met een brandende witte vlag door de straten van Graz (Oostenrijk). Binnen de museummuren hing hij een brandend vrijheidsteken op en vulde een witte wand achter een joekel van een geluidsinstallatie met een opzwepend fragment uit Hermann Hesse’s Steppenwolf. Uit de installatie schalden toespraken en teksten van figuren als Hitler, Castro en Naomi Klein.

Het lijkt allemaal verdacht veel op het werk van een rebel die zijn kunst gebruikt om zijn anarchistische ideeën te verspreiden. Wie beter kijkt, zal echter merken dat al die bombastische symboliek juist een spel is met logo’s en iconen. Voor Bijl dient zijn werk geen enkel politiek doel; het is juist een zoektocht naar de structuren achter al die uitingen.

Marc Bijl: ‘Ik ben geïnteresseerd in de uithoeken waar de mensen zich tot bepaalde sociale groepen verklaren met de leefstijl en de symbolen die daarbij horen. Ze staren zich helemaal blind op één gezichtspunt en ontkennen alle andere. Ze weten al hoe alles in elkaar steekt en proberen vervolgens op die manier het leven te controleren. Ik kijk daar dwars doorheen en zie meteen de mechanismen. Door al die slogans, iconen en logo’s te overdrijven, hoop ik de achterliggende structuren bloot te leggen.’

Het is heel menselijk om de wereld in vaste patronen tot je te nemen, meent Bijl. Maar het wordt gevaarlijk als een aantal mensen fatalistisch overtuigd is van het eigen gelijk en dat aan anderen wil opleggen. Bijl: ‘Ik vind het een vreemd verschijnsel dat mensen zich laten leiden door één vaste ideologie. Het maakt me niet uit of dat religieuze fanatici, graffitispuiters of vrijemarktdenkers zijn. Als er heftig op wordt gehamerd dat iets zus of zo moet, dan blijf ik nog andere mogelijkheden zien. Als kunstenaar zweef je toch meer als een beschouwer boven al die verschillende standpunten.’

Zíjn mening doet er in feite weinig toe: ‘Ik bied gewoon een standpunt aan en daar mag je zelf je conclusies uit trekken. Op de afgelopen Biënnale in Athene heb ik bijvoorbeeld een negen meter hoog pentagram van beton gemaakt dat iets wegheeft van een fundament voor een nog te bouwen constructie. Dat verwijst naar de gulden snede van Pythagoras en zijn geheime wiskundige genootschap. Ik gok dat er niet veel mensen meer zijn die zich daarmee vereenzelvigen. Omdat het werk niet over subculturen ging, vonden ze het anders dan ze van mij gewend waren. Ik heb de curator toen nog een dik uur uitgelegd dat de insteek op hetzelfde neerkomt. Dit werk gaat ook over symbolen en ideologie. Helaas is het werk uiteindelijk toch weer terechtgekomen in de hoek met punkkunst en antiglobalistenvideo’s.’

Het werk van Marc Bijl doet op het eerste gezicht denken aan dat van de situationisten – een groep kunstenaars die in 1957 door Guy Debord werd opgericht om verzet te bieden tegen de ‘spektakelmaatschappij’, die alles in een eenvormige beeldenstroom verpakte waardoor er geen ruimte meer zou zijn voor authenticiteit. Met spontane acties en manipulaties (‘détournement’) van reclames, posters en kunstwerken probeerden ze ‘situaties’ te vormen waarin de schijn van die spektakelmaatschappij even werd opgelicht.

Zelf scheurt Bijl rond in een Cadillac om abstracte beelden met verfkogels te beschieten, speelt hij voor security guard in een metrostation en verandert hij de heroïsch juichende voetballer op een reclamebord met een paar rode verfspetters in een met kogels doorzeefd slachtoffer. Toch is het hem niet te doen om het creëren van ‘situaties’ en het bedrijven van politiek. Bijl: ‘De wereld verandert echt niet door grafisch ontwerp, kunst of circusartiesten die grappige trucs doen. De enige manier om de wereld te veranderen is met wapens. Soms heb je groepen die die wapens gebruiken en dan is er stront aan de knikker. Helaas. Zolang iedereen werk en eten heeft, blijft alles netjes zoals het is.’

Hij vervolgt, ter toelichting: ‘Als ik een basketbalveldje van Nike omschilder tot een veldje van Adidas wil ik geen aandacht vragen voor de arbeidsomstandigheden waaronder die kleren worden gemaakt, maar voor het feit dat de marketing van die twee bedrijven volkomen inwisselbaar is. En als ik met een gitaar voor een terrasje in het Sony Centre in Berlijn ga zingen, doe ik dat uit verbazing over de huisregels die bijvoorbeeld optreden verbieden. Het gebouw is zo ontworpen dat het de indruk wekt dat je buiten bent. Er is een doorschijnend dak, er zijn terrasjes en er is gras, maar tegelijk gelden er gewoon huisregels zoals in elk winkelcentrum. Ik vind het interessant om te kijken met welke insteek zulke ruimtes worden ingericht. Dat wil ik bevragen, niet kritiseren.’

Door in zijn werk belachelijk stellige standpunten te verkondigen, kan hij omgaan met zijn eigen twijfel. Die twijfel is evenwel een stap voorbij de banale strijdkreten en symbolen: ‘Op een tentoonstelling in de Nederlandse ambassade in Berlijn hangt een heel braaf werkje van mij. Het is een abstract plakbandschilderij waarin een spiegel is verwerkt. De titel is Good order is the foundation of all things, een soort waarheid als een koe, die echter afkomstig is van de invloedrijke conservatieve denker Edmund Burke. Het woord “structure” staat in spiegelbeeld op een tegenoverliggende muur. Het is een graffiti, waardoor het een soort vandalistische daad lijkt. Dit soort tegenstellingen vind ik nu interessant.’

Volgens Bijl is de ruimte om meningen te laten botsen in Nederland grotendeels verdwenen: tegenstellingen worden meteen gepolariseerd of juist ontkend, een fatsoenlijk debat is onmogelijk. Daarom verruilt hij over een jaar zijn huidige woonplaats Rotterdam weer voor Berlijn. Marc Bijl: ‘Omdat Nederland zo’n klein landje is, kun je er niets meer laten groeien of laten ontstaan, maar moet alles vooraf worden gestuurd en gereguleerd uit angst voor “radicalisering” en “discriminatie”. Hierdoor wordt iedere eigenzinnigheid en ambitie die niet politiek correct is, gezien als een daad van verzet tegen de Nederlandse maatschappij anno 2007. Links en rechts, allochtoon en Lonsdale-jochies liggen op ramkoers als je de media moet geloven, terwijl er feitelijk niets aan de hand is. Gevoelsmatig heb ik het ook wel gehad met het zeurderige cultuurrelativisme en de infantiele benadering van de Nederlandse burger in het algemeen en de sociaal zwakkeren in het bijzonder.

Toen ik in Gorinchem opgroeide, werden daar ongevraagd allerlei abstracte beelden in de grond gepleurd. Er werd veel over gepraat en de buurt was tegen. Ik vond het toen ook niets. Toch heeft het me altijd gefascineerd dat er een kunstenaar was met zo’n groot ego dat hij iets maakte waar niemand op zat te wachten, waar niemand wat aan had, maar dat er toch gewoon was. Dat was een goede confrontatie met kunst. Tegenwoordig zouden ze eerst met de buurt overleggen of het wel gewenst is. Uiteindelijk wordt er van dat geld een gezellig buurtfeest georganiseerd en komt er niets terecht van die kunst. Door de hele tijd de burger naar zijn mening te vragen en te betrekken in allerlei besluiten, proberen ze alles te controleren. Dan is er weinig spannends meer aan. Het is ook helemaal niet gek dat design in Nederland zo groot is. Dat snappen Nederlanders tenminste nog, omdat het uiteindelijk gewoon een stoel of een vaas is. Dan weet je wat je kunt verwachten.’

Vanaf volgend jaar gaat Marc Bijl alleen nog maar solotentoonstellingen doen: ‘Mijn werk is zo symbolisch en herkenbaar dat het vaak als introductie wordt gebruikt. Voordat je je jas hebt opgehangen, heb je al een werk van mij gezien. Daarna ga je de deur door en begint de echte tentoonstelling met al die bekende namen. Ik ben een soort vlag, een herkenningspunt bij de ingang, zodat het volk weet waar het moet zijn. Dat wil ik niet meer. Mijn ideaalbeeld is om over een jaar of tien een abstract schilder te zijn, met grote lappen waar ik dan een pot verf overheen kieper. Dan heb je kunst volgens mij helemaal door.

De laatste tijd ben ik al bezig met abstracter werk. Vorige week nog heb ik een schilderij van een Heras-hekwerk naar een tentoonstelling in Londen gestuurd. Dat doek staat wel op echte palen en betonnen voetjes, zodat het meteen herkenbaar is als hek. Zelf vind ik het een geniale vondst waarin abstract denken vertaald wordt naar herkenbaar straatmeubilair en kunst, maar tegelijk is het te absurd voor woorden om daar een verband tussen te zien.’

Marc Bijl zal deelnemen aan de paneldiscussie over kunstkritiek tijdens De Avond van De Groene Amsterdammer, 27 oktober in de Stadschouwburg Amsterdam