Destiekemiseren

In deze tijd van jihadistische dreiging is enige geheimhouding noodzakelijk. Maar politici slaan bij andere zaken, onder invloed van de publieke opinie, soms te ver door. ‘Er wordt onnodig veel geheim gehouden.’

Amper twaalf uur na de aanslagen in Parijs pleitten de eerste terrorisme-experts al voor meer geld, mensen en middelen voor de veiligheidsdiensten, in Frankrijk, maar ook de rest van Europa. Ze voegden eraan toe dat de Nederlandse veiligheidsdiensten in nauw contact staan met Franse collega’s, om te zien of Franse terroristen banden hebben met Nederlanders.

De terreurdaden in Parijs waren in dezelfde week dat in Nederland de geheimhoudingsplicht van de Tweede-Kamercommissie die de inlichtingen en veiligheidsdiensten controleert aan de orde werd gesteld. Valt geheimhouding wel te combineren met democratische controle? Aanleiding voor deze principiële discussie is het lekken uit die zogeheten commissie-stiekem door een of meer fractievoorzitters en het onderzoek dat de Tweede Kamer nu zelf instelt naar dat lekken. De geheimhouding doorbreken is een ambtsmisdrijf waar een straf op staat.

De roep om meer geld, mensen en middelen, en mogelijk straks ook meer bevoegdheden voor de veiligheidsdiensten, illustreert precies wat de voorzitter van de commissie die in Nederland toezicht houdt op die diensten (ctivd), voormalig hoogste man bij het Openbaar Ministerie Harm Brouwer, dit voorjaar schreef in het eerste jaarverslag waarvoor hij verantwoordelijk was. De balans tussen privacybescherming van de burger en nationale veiligheid had hij in één jaar van het eerste zien overhellen naar het tweede.

‘Politieke aandacht voor het een of het ander lijkt wel eens door incidenten bepaald, al dan niet in samenhang met media-aandacht en publieke opinies’, schrijft Brouwer. En hij voegt daaraan toe dat als gevolg van de dreiging van internationaal jihadisme bij de politiek verantwoordelijken de spanning tussen geheimhouding en openbaarheid doorschiet naar voorkeur voor het eerste. Dat schept volgens Brouwer te veel ruimte voor ontoelaatbare praktijken van de veiligheidsdiensten. Maar ook voor mythevorming en misverstanden bij de burgers.

U leest het goed, het zijn politici zelf die overhellen naar geheimhouding. Voor enige geheimhouding over de praktijken van de veiligheidsdiensten zijn overigens goede redenen aan te voeren. In het actuele geval: de Franse veiligheidsdiensten zouden wel twee keer nadenken alvorens informatie uit te wisselen met hun Nederlandse collega’s als ze weten dat die hier op straat kan komen te liggen.

Maar pvda-minister Ronald Plasterk van Binnenlandse Zaken misbruikte de commissie-stiekem om zijn verkeerde uitspraak op televisie, dat de Amerikaanse nsa belgegevens had verzameld in Nederland, recht te zetten. Die hadden de Nederlandse diensten zelf doorgespeeld. Als het verzamelen van belgegevens door buitenlandse diensten echter geen geheim is, dan is het zelf doorspelen daarvan ook geen geheimhouding waard. Dat laatste heeft alleen zin als ook het eerste geheim blijft. In Den Haag is er dan ook niemand die zegt dat het lek de staatsveiligheid in gevaar heeft gebracht. Het onderschrijft Brouwers opmerking dat er te veel geheim wordt gehouden. In het jaarverslag verwijst hij concreet naar de door Plasterk zwart gemaakte personen en organisaties die zijn afgeluisterd. Onnodig, vindt hij.

Brouwer vermeldt dat de commissie-stiekem, de fractievoorzitters dus, in het verslagjaar ‘geen aanleiding heeft gezien overleg te zoeken’ met de toezichthouder over de geheime bijlagen bij het jaarverslag. Dat kan twee dingen betekenen. Die geheime bijlagen gaven geen reden tot vragen over het doen en laten van de veiligheidsdiensten. Of de fractievoorzitters hebben die bijlagen niet gelezen. In het eerste geval zou je kunnen concluderen dat de democratische controleurs tevreden zijn, ook al blijft geheim waarover precies. In het tweede geval moeten de democratische controleurs zich schamen, ook als hun verweer is dat het moeilijk controleren en stennis schoppen is als je geheimhouding hebt beloofd.

Hoogleraar intelligence en security studies aan de Universiteit Utrecht Bob de Graaff ziet zijn eigen bevindingen terug in het jaarverslag van de toezichthouder. Ook hij denkt dat er te veel geheim wordt gehouden. Hij merkt op dat de fractievoorzitters te weinig tijd besteden aan de commissie-stiekem. In een telefoongesprek zegt hij dat de Tweede Kamer als gevolg van Plasterks oneigenlijke gebruik van de geheimhoudingsplicht nu loon naar niet werken krijgt.

De Kamer pakt namelijk al sinds de jaren zestig niet door bij het minder stiekem maken van de commissie-stiekem, ook al deed ze af en toe pogingen de parlementaire controle op de veiligheidsdiensten te wijzigen. Zo stelde de huidige vvd-staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, Klaas Dijkhoff, twee jaar geleden als Kamerlid voor om één parlementaire commissie in te stellen in plaats van de huidige ‘gewone’ commissie van Binnenlandse Zaken en de commissie-stiekem. De nieuwe commissie moest dan bestaan uit inhoudelijke specialisten en niet uit toch-geen-tijd-hebbende fractievoorzitters. Die commissie zou samen met de inlichtingendiensten moeten vaststellen wat openbaar kan worden behandeld en wat achter gesloten deuren. Het zou volgens Dijkhoff de verdeel-en-heerstactiek van de veiligheidsdiensten de pas afsnijden. Ook het misbruik door een minister, kun je daaraan toevoegen.

De Graaff denkt dat een hernieuwde discussie over de commissie-stiekem nu onontkoombaar is. Hij onderkent echter dat er af en toe operationele zaken zijn die om geheimhouding vragen. Maar heel veel zaken ook niet. Buitenlanddeskundige Ko Colijn van Instituut Clingendael pleit eveneens voor het behoud van enige geheimhouding. Maar is verder voorstander van ‘destiekemiseren’.

Heel veel zaken vragen níet om geheimhouding