NWO-project ‘Nederlandse cultuur’

Detail én grote lijn

Het ambitieuze NWO-project «Nederlandse cultuur in Europese context» is afgerond. De gedurfde aanpak ervan heeft geleid tot een naslagwerk in verschillende delen waarin kennis van onderzoekers uit zeer diverse disciplines is verzameld. Maar er kleven ook enkele bezwaren aan, vooral in de pogingen tot synthese.

Over het vanzelfsprekende schrijf je geen boek, over het onproblematische hoef je niet na te denken. Althans, dat denken we. Want als we gaan nadenken blijken er wel degelijk problemen te zijn, en wie zich in een onderwerp verdiept, en er bijvoorbeeld een boek over schrijft, ontdekt dat het vanzelfsprekende niet bestaat. Maar als het even kan, nemen we de dingen zoals ze zijn, en stellen we liever geen vragen. Als politici zich druk maken over zaken als «de Nederlandse cultuur» of «onze nationale identiteit» moet er dus iets aan de hand zijn.

Terwijl niemand er in Europa op zat te wachten, hebben politici decennialang gestreefd naar en gewerkt aan de Europese eenwording. Sluipend spreidde het fantoom van de Europese Unie zijn tentakels verder uit, totdat tot ons doordrong dat de euro’s al werden gedrukt.

De politici hadden de slapende honden niet gewekt. Waarom zouden ze ook, de Europese eenwording leek immers niets dan zegeningen te zullen brengen?

Soms echter, als ze zwaar getafeld of lang geconfereerd hebben, willen politici nog wel eens achterover leunen en, heel eventjes maar, hardop denken. Zo ook de toenmalige premier van Nederland, Ruud Lubbers, die zich na een topontmoeting tussen Europese regerings leiders in Hannover op 27 juni 1988 afvroeg wat de gevolgen van het onomkeerbare proces van eenwording op cultureel gebied zouden zijn. Vaak zijn dit soort fundamentele vragen alweer vergeten op het moment dat de journalisten hun blocnootjes opbergen, maar nu was de vraag van Lubbers aanleiding voor de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) reden om een «prioriteitsprogramma» op te zetten met als thema «Nederlandse cultuur in Europese context». In 1991 werd gestart met dit project, waarvoor tien miljoen gulden beschikbaar was en dat zou resulteren in een reeks van 25 publicaties.

Met het door Douwe Fokkema en Frans Grijzenhout geredigeerde deel Rekenschap 1650-2000 is het ambitieuze NWO-project tot een einde gebracht. Om te weten of het project ook tot een goed einde is gebracht, moeten we eerst vragen of het begin wel goed was. Was de opzet van de NWO-stuurgroep, onder voorzitterschap van Fokkema, wel de meest wenselijke?

De opzet van het project was opmerkelijk en getuigde van durf. Er werd niet gekozen voor een aanpak die leek op die van de twee reeksen Algemene Geschiedenis der Nederlanden, zoals die in de jaren vijftig en zeventig werden geschreven, en waarbij een groot aantal auteurs in chronologische volgorde paragraafjes schreven over alle mogelijke aspecten van de samenleving. Een naslagwerk over de Nederlandse cultuurgeschiedenis heeft het NWO-project niet opgeleverd. Eigenwijs werd gekozen voor vier «ijkpunten», vier jaartallen die moesten fungeren als een historische «dwarsdoorsnede» van de Nederlandse cultuur: 1650, 1800, 1900 en 1950. Het waren «ronde» jaartallen zonder een bepaalde «symbolische» waarde zoals bijvoorbeeld 1648, 1795, 1898 of 1940 wél hebben. Bovendien werd de auteurs die zich met de diverse ijkpunten moesten bezighouden een zekere «bandbreedte» gegund, wat hen de ruimte gaf om ook één à twee decennia voor en na het bewuste jaartal bij hun onderzoek te betrekken.

Een evident nadeel was natuurlijk dat hele stukken werden overgeslagen. Als argument voor deze keuze werd echter aangevoerd dat de ijkpunten misschien geen hoge symboolwaarde hadden, maar toch wel degelijk belang rijke «scharnierpunten» waren.

Behalve het feit dat aan het project werd samengewerkt door een groot aantal onderzoekers uit zeer diverse disciplines was er nog een opmerkelijk aspect aan het project: de keuze voor een onderscheid tussen twee categorieën van publicaties, die duidelijk van elkaar verschilden in opzet en status. Om te beginnen heeft het project twintig deelstudies opgeleverd, waarin heel specifieke aspecten uit de cultuurgeschiedenis aan de orde kwamen. Deels ging het hierbij om «achterstallig onderhoud», dat wil zeggen onderwerpen die tot dan toe weinig aandacht hadden gekregen. Deels waren de detailstudies ook bedoeld om «bouw stenen» aan te dragen voor de reeks boeken die een synthese moesten bieden. Al met al maakt de lijst met deelstudies een nogal willekeurige indruk en dringt de vraag zich op of er geen onderwerpen waren die een hogere prioriteit hadden dan bijvoorbeeld «Familiebelangen en uitgeverspolitiek in de Dordtse firma A. Blussé en Zoon, 1745-1823» of «Het stichtelijk lied bij Nederlandse protestanten tussen 1866 en 1938»?

Hiermee is natuurlijk niets gezegd over de wetenschappelijke waarde van dergelijke boeken, maar of ze nu echt thuishoren in een dergelijke reeks is de vraag. Hiertegenover stonden echter ook zeer belangrijke boeken, zoals Ingrid Weekhouts studie over boekcensuur in de zeventiende eeuw, Siebe Thissens onderzoek naar de enorme populariteit van de filosofie van Spinoza in de tweede helft van de negentiende eeuw, en het boek van Angelie Sens over de debatten die rond 1800 werden gevoerd over de vraag of zwarten nu tot de mensen of tot de mensapen gerekend moesten worden, en of slavernij eigenlijk wel aanvaardbaar was.

Maar the jewel in the crown van het NWO-project moesten de vijf synthesedelen worden, die geschreven dan wel geredigeerd zouden worden door steeds twee gerenommeerde wetenschappers. Naast boeken over de vier ijkpunten zou er een afsluitend deel komen, waarin rekenschap zou worden afgelegd over het hele project en getracht zou worden conclusies te trekken.

De bijzondere opzet waarvoor werd gekozen, past goed bij ons post-postmoderne tijdsgewricht: versnippering en synthese, detail en grote lijn, kool en geit. Op zich is hier natuurlijk niets op tegen, alleen zit het probleem meestal niet in de beschrijving van details maar juist in de pogingen tot synthese. Zo beperkt zich de kritiek op de deelstudies, zoals gezegd, vooral tot de tamelijk willekeurige lijst onderwerpen. Wat betreft de synthesedelen zijn meer bezwaren aan te voeren.

Het grootste bezwaar tegen het hele project is dat de «Europese context» uit de titel zo goed als onzichtbaar blijft. De auteurs van het grote boek over 1650, Willem Frijhoff en Marijke Spies, hebben zich in een interview flauw verdedigd tegen deze kritiek door erop te wijzen dat de onderzoekstradities in het buitenland heel anders zijn, zodat materiaal uit die landen niet bruikbaar zou zijn. Het is blijkbaar niet meer mogelijk een grote greep te doen. Maar waarom is dat Jonathan Israel, in zijn recente meesterwerk Radical Enlightenment over het intellectuele klimaat in Europa tussen 1650 en 1750, dan wel gelukt?

Andere punten van kritiek op de synthese delen zijn onder meer de overmatige aandacht voor «Holland» en de stedelijke cultuur, de grote nadruk op de specialismen van de auteurs, de soms willekeurige wijze waarop aan bepaalde cultuurdragers of fenomenen aandacht wordt besteed terwijl andere ontbreken, de vaak sterk verschillende opzet van de vier delen, en het feit dat van nogal wat detailstudies niets is terug te vinden. Desalniettemin bieden de vier indrukwekkende banden veel kennis over uiteenlopende en interessante zaken en zullen ze zeker nog lang dienst doen als belangrijke, zij het helaas niet volledige, naslagwerken.

Na de boeken over 1650, 1800, 1900 en 1950 is er nu ook het deel Rekenschap 1650-2000, dat als onmogelijke taak had de twee lijnen van het project, detail en synthese, bij elkaar te brengen. Voor een deel worden in dit deel enkele «losse eindjes» opgeruimd; zo schreef Reinier Salverda een fraai essay over «beeld en tegenbeeld van het koloniale verleden», een onderwerp dat in de andere delen merkwaardig genoeg ontbrak, en heeft Auke van der Woud in zijn bijdrage over de ruimtelijke ordening ook de nodige aandacht aan het platteland besteed. Over de cultuur van het platteland komen we echter nog steeds weinig te weten, terwijl Fokkema in de inleiding er toch nog eens op heeft gewezen dat het project is uitgegaan van een breed cultuurbegrip.

Andere opstellen in deze bundel zijn daarentegen wél uitdrukkelijk bedoeld om op een bepaald gebied lijnen door te trekken van 1650 naar 2000. Niet iedere auteur is daarin even goed geslaagd, al heeft niet iedereen zich er zo met een Jantje-van-Leiden vanaf gemaakt als Henri Beunders in zijn stukje over de media. Daarin verkondigt hij niet alleen grote onzin over het cultuursocialisme binnen de sociaal-democratie, maar beschouwt hij tevens elk pleidooi voor kwaliteit als een vorm van elitaire scherpslijperij.

Gelukkig wordt dit ruim gecompenseerd door fraaie artikelen van bijvoorbeeld Niek van Sas over Nederland als historisch fenomeen, en Kees Schuyt over tolerantie en democratie. Boeiend is ook het afsluitende artikel van Wout Ultee, dat een soort synthese der syntheses moet bieden. Hoewel het niet erg soepel is geschreven, worden overtuigend de overeenkomsten en verschillen tussen de ijkpunten en de boeken daarover aangeduid, terwijl ook de continuïteit en de breuken in de Nederlandse cultuur aan bod komen. Het is een waardig slot van een project dat gekenmerkt werd door moed en zelfopgelegde beperkingen, maar dat toch veel waardevols heeft opgeleverd.

1650: Bevochten eendracht door Willem Frijhoff en Marijke Spies, 704 blz.

1800: Blauwdrukken voor een samenleving door Joost Kloek en Wijnand Mijnhard, 619 blz.

1900: Hoogtij van burgerlijke cultuur door Jan Bank en Maarten van Buuren, 624 blz.

1950: Welvaart in zwart-wit door Kees Schuyt en Ad Taverne, 580 blz.

Rekenschap: 1650-1900 door Douwe Fokkema en Frans Grijzenhout, 404 blz.

Sdu Uitgevers, ƒ99,17 per deel