Buitenlandse spionnen belemmeren rechtsgang

Detective onvindbaar

De infiltratie van buitenlandse inlichtingendiensten in Nederlandse strafzaken belemmert een behoorlijke rechtsgang. Advocaten kunnen de wandel van vreemde speurders niet controleren. Justitie lijkt het best te vinden.

Advocaat Gerard Spong ziet met lede ogen toe hoe buitenlandse opsporingsambtenaren steeds vaker in Nederlandse onderzoeken opduiken. «Er zijn op dit moment zeer veel zaken waarin we te maken hebben met buitenlandse infiltranten, waarin de Nederlandse rechter accepteert dat controle niet mogelijk is doordat we ze niet als getuige mogen horen. Meestal beroepen ze zich op hun diplomatieke status. Het Openbaar Ministerie krijgt van de liaison officer een tweeregelig briefje waarop staat: ‹Don’t worry, it is all legal.› Dat wordt dan zonder blikken of blozen aan ons doorgegeven.»

«De internationale component in Nederlandse strafzaken wordt steeds groter», meent ook strafpleiter Cees Korvinus. «Veel opsporingsonderzoeken beginnen met een tip van een buitenlandse liaison officer. Zulke informatie wordt niet in het onderzoek opgenomen en is dus oncontroleerbaar. De standaardopmerking van het Openbaar Ministerie is dat zulke informatie door de beugel kan. Maar de liaison officers krijg je niet in de getuigenbank.»

Als voorbeeld van de toenemende bemoeienis van buitenlandse diensten noemt Korvinus de export van XTC-pillen naar Amerika. De VS vinden dat Nederland veel te weinig doet tegen dit nieuwe Hollandse exportproduct. «Dan onderneemt men zelf maar actie», zegt Korvinus. «De Amerikanen vinden onze wetgeving lastig. DEA-covers zijn gewend zelfstandig te opereren. Nederlanders moeten voor alles toestemming vragen.»

De Nederlandse rechtsregels worden door buitenlandse speurders regelmatig met voeten getreden. Inlichtingendiensten uit den vreemde, doorgaans vertegenwoordigd door een verbindingsofficier (liaison officer) op de ambassade, rechercheren er vrolijk op los in polderland en respecteren god noch gebod. Buitenlandse opsporingsdiensten beschikken vaak over veel verder gaande bevoegdheden dan Nederlandse, maar zijn niet verplicht openheid te betrachten. De parlementaire enquête commissie-Van Traa, die onderzoek verrichtte naar wetbrekende opsporingspraktijken, constateerde dat al in 1996. Buitenlandse speurders bleken zonder enige controle informatie te verstrekken die werd gebruikt in Nederlandse onderzoeken. Verzoeken aan verbindingsofficieren om voor de commissie te verschijnen werden afgewimpeld met verwijzing naar hun diplomatieke onschendbaarheid. Een belangrijk deel van de parlementaire enquête viel daardoor in het water.

Op aandringen van het parlement stelde het ministerie van Justitie de werkgroep Liaison Officers in, die de problemen in kaart moest brengen. De werkgroep, bestaande uit top ambtenaren van het ministerie van Justitie, de divisie Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) en het Landelijk Bureau van het OM, leverde in mei 1998 haar uiterst vertrouwelijke eindrapport af. Zelfs de Tweede Kamer kent de inhoud niet. In mei 1999 weigerde de minister van Justitie nog het rapport vertrouwelijk aan de Kamer te zenden. «Vroegtijdige openbaarmaking kan belastend zijn voor de relatie tussen Nederland en de zendstaten», verklaarde de minister in de Tweede Kamer.

De Groene Amsterdammer beschikt over het achtergehouden rapport. Het bevat vernietigende conclusies. Vooral de geheime richtlijn uit 1994 waarmee tot op de dag van vandaag buitenlandse liaisons werken, moet het ontgelden. De verbindingsofficieren worden volgens de richtlijn geacht contact te onderhouden met de divisie CRI en regelmatig opening van zaken te geven over hun werkzaamheden. De richtlijn vermeldt verder dat verbindingsofficieren geen zelfstandige onderzoeken of opsporingshandelingen mogen verrichten. Ook is het niet de bedoeling dat de verbindingsofficieren zelfstandig informanten in Nederland runnen.

De praktijk blijkt anders, zo constateert de werkgroep. De richtlijn is een papieren tijger, omdat hij te vrijblijvend is geformuleerd. Men gaat uit van «wenselijkheid», er zijn geen sancties op overtreding en verbindingsofficieren genieten een diplomatieke status. Dat een verbindingsofficier niet kan worden verplicht te getuigen in een strafzaak, maakt de zaak nog hachelijker, vindt de werkgroep. Een goed gesprek is het enige wat rest als er problemen rijzen. Uit het rapport: «In het verleden hebben een enkele keer, bij herhaaldelijke schending van de richtlijn, gesprekken plaatsgevonden met de betrokken liaison officer en met de verantwoordelijke ambassadeur. Dit is echter niet als een sanctie op overtreding van een in de richtlijn opgenomen maatregel te beschouwen.» Het gebrek aan sancties «versterkt het gevoel zelfstandig en onafhankelijk van de Nederlandse autoriteiten te kunnen opereren».

De werkgroep steekt ook de hand in eigen boezem. Een verbindingsofficier komt naar Nederland zonder dat er vooraf voorwaarden zijn geformuleerd voor zijn optreden. Pas bij aankomst krijgt hij op zijn ambassade de richtlijn uit 1994 uitgereikt, en dat gebeurt bij het kennismakingsgesprek met de divisie CRI. «Dit betekent dat voorafgaand aan de stationering de zendstaat niet op de hoogte is van de door Nederland opgestelde kaders, laat staan dat de zendstaat daarmee bewust instemt», constateert de werkgroep.

De liaison officers worden geacht al hun contacten centraal via de CRI te laten lopen. De CRI blijkt echter geen flauw idee te hebben wat zich in Nederland afspeelt aan buitenlandse activiteiten. «De toezichthoudende rol van de CRI wordt nergens met zoveel woorden bepaald», aldus de werkgroep. Verbindings officieren doen regelmatig rechtstreeks zaken met de regionale politiekorpsen, zonder de CRI hiervan in kennis te stellen. Rechtstreeks contact is sneller, of de samenwerking is zo intensief dat direct overleg nodig is, menen ze. «In beide gevallen wordt de tussenkomst van de CRI als een feitelijke belemmering ervaren», stelt de werkgroep. «Dit probleem beperkt zich niet tot het contact met het regiokorps en de kernteams, maar geldt ook voor contacten met de bijzondere opsporingsdiensten.» Tot overmaat van ramp constateert de werkgroep dat de regio’s hun contacten met buitenlandse agenten zelden aan de CRI melden. Laat staan dat ze de liaison erop wijzen dat hij de koninklijke weg via de CRI dient te volgen.

«De ontwikkeling van een geïntegreerd beleid rond het toezicht op de buitenlandse liaison officers wordt door de werkgroep onontbeerlijk geacht. Dit brengt een fundamentele wijziging van het huidige beleid met zich mee», concludeert de werkgroep. Een harde conclusie. Je zou verwachten dat het ministerie van Justitie alles op alles zou zetten om aan de wensen van de werkgroep tegemoet te komen. Maar de werkelijkheid is anders. In mei 1999 schreef minister Korthals de Kamer nog dat de (geheime) conclusies en de aanbevelingen van de werkgroep worden onderschreven en dat er nieuwe richtlijnen komen. De minister dacht daar een jaar voor nodig te hebben. Maar sindsdien is het muisstil gebleven. Een woordvoerder van het ministerie meldt dat er een nieuwe conceptrichtlijn klaar ligt, maar dat die nog ministeriële goedkeuring behoeft. Of en wanneer minister Korthals zijn handtekening onder de nieuwe richtlijn zet, kan de woordvoerder niet zeggen.

Waarom duurt het zo lang? Het is aannemelijk dat de Nederlandse plannen om ook de bezem door ongeoorloofde buitenlandse opsporingspraktijken te halen, op grote bezwaren in het buitenland stuiten. Uit het rapport van de werkgroep Liaison Officers blijkt dat de zendstaten een flinke vinger in de pap hadden bij de totstandkoming van de richtlijn uit 1994. «Bij de totstandkoming van de huidige richtlijn zijn destijds enkele ambassades van zendstaten geconsulteerd. Dit heeft tot gevolg gehad dat de oorspronkelijke, meer stringente versie van de richtlijn in zijn uiteindelijke vorm aanzienlijk is afgezwakt, met name daar waar het gaat om de mogelijkheid controle uit te oefenen op de werkzaamheden van de liaison officers».

De werkgroep wil dat de regels strenger worden en dat er sanctiemogelijkheden komen. Ze begeeft zich nog verder in het internationale mijnenveld door aan te bevelen de diplomatieke status van liaison officers opnieuw te bekijken. «Daarbij dient met name aan de orde te komen de opheffing in het geval er sprake is van strafbare feiten die zijn gepleegd tijdens de uitoefening van de functie van liaison officer, of de oproeping als getuige ter rechtzitting», aldus de werkgroep.

Intussen werken de ruim 37 verbindings officieren in Nederland nog steeds op basis van een richtlijn die eigenlijk in de prullenbak thuishoort. De verwachting is dat het aantal liaisons alleen maar zal stijgen met de verdergaande Europese en internationale politiesamenwerking.

Advocaten lopen steeds vaker tegen de muur van geheimhouding op die buitenlandse opsporingsambtenaren optrekken. Volgens Korvinus staan Nederlandse rechters bij gebrek aan duidelijke regels veel toe als het gaat om het optreden van buitenlandse opsporingsambtenaren. Hij wijst op een recente zaak waarin de Amsterdamse rechter de inzet van een buitenlandse burgerinfiltrant goedkeurde. Een criminele burgerinfiltrant van de DEA werd door het OM tweemaal ingezet om de al jarenlang voortvluchtige Anthony H. te achterhalen, die Justitie ziet als een van de grootste Nederlandse hasjbaronnen. H. werd in 1995 bij verstek tot drie jaar veroordeeld wegens smokkel van zeventienduizend kilo hasj naar Canada en tot vier jaar voor de smokkel van veertigduizend kilo hasj naar de VS. De rechter billijkte dat het rechtshulpverzoek van Nederland aan de Amerikaanse autoriteiten geheim bleef. Aangezien de Amerikanen weigeren het verzoek openbaar te maken, concludeerde de rechter dat er wel sprake moest zijn van «hogere opsporingsbelangen dan die van de onderhavige strafzaak». Maar welke, dat blijft bij het huidige non-beleid geheim.

Voor Korvinus is het uitblijven van nieuwe regels voor de buitenlandse liaison officers een teken dat het ministerie van Justitie de zaak niet ernstig neemt. «Soms is de buitenlandconstructie best handig voor het Openbaar Ministerie. Het is altijd prettig voor het OM als advocaten niet verder komen bij hun controle.»

Ook advocaat Spong wijst op de geringe bereidheid van Nederlandse rechters om de buitenlandse component van een zaak serieus te onderzoeken. «We hebben inmiddels een behoorlijk aantal zaken waarin we noch de buitenlandse infiltranten, noch hun runners kunnen horen. De controle op de rechtmatigheid van opsporingsonderzoeken wordt volkomen onmogelijk gemaakt door het werk uit te besteden aan buitenlandse collega’s.»

Volgens Spong neemt het aantal zaken waar een buitenlands luchtje aan zit hand over hand toe. Hij wijst op de York-zaak van het IRT Zuid-Nederland, waar Israëlische en Tsjechische infiltranten zijn ingezet om een XTC- bende te ontmaskeren.

Spong verdedigt op dit moment Murat C., een medeverdachte van Thea Moear, de zelfverklaarde godmother van het Nederlandse drugsmilieu die vorig jaar in Panama-Stad werd opgepakt. Het Nederlandse OM heeft in deze zaak toestemming gegeven voor de infiltratie van een DEA-agent. «Het is buitengewoon alarmerend wat er zich nu voltrekt. Buitenlandse agenten worden gebruikt om nieuwe U-bochten te creëren. In wezen zijn we nog verder van huis dan vóór de IRT-affaire.»