Jacqueline de Jong, Upstairs-Downstairs, 1986-1988. Olie op canvas, 160 x 130 cm © Gert-Jan van Rooij / Amsterdam Museum

De lat lag hoog toen het Stedelijk in Amsterdam in 2017 poogde Jacqueline de Jong in één keer de erkenning te geven die ze haar leven lang had gemist. De in 1939 geboren kunstenaar was naar eigen zeggen ‘geen ervaren museumexposant’, en dat was een understatement: hoewel ze sinds haar vijftiende schilderde en tekende, en sinds haar 23ste exposities had in vooraanstaande galeries, werd haar werk nooit eerder getoond in grote musea. Nu was ze volgens toenmalig Stedelijk-conservator Margriet Schavemaker een ‘sleutelfiguur in de avant-garde’, die een plek verdiende in de Nederlandse kunstcanon.

Vreemd genoeg mocht haar kunst in die Pinball Wizard-tentoonstelling niet op eigen benen staan. De Jong schildert en tekent veel associatief-autobiografische composities, vaak met erotische, gewelddadige en humoristische invloeden. Het Stedelijk toonde dat steeds naast werk uit eigen collectie van een van haar artistieke voorbeelden of invloeden – een vergelijking die zelden in haar voordeel werkte. De Jong is autodidact (haar aanmelding voor de Rijksakademie ging vanwege haar baan als assistent bij het Stedelijk ongeopend retour) en zocht lang naar een eigen stijl. Bovendien is ze iemand die graag en vaak van onderwerp en medium wisselt. De expositie begon met een presentatie over de kunstliefde van haar ouders, die hun dochter via hun connecties aan de assistentsfunctie bij het Stedelijk hielpen. Een catalogus ontbrak, er kwamen enkel een paar teksten online. Teksten die vier jaar later met moeite terug te vinden zijn op de site van het museum.

Deze zomer kreeg De Jong een herkansing. De Haagse galerie Dürst Britt & Mayhew had in het voorjaar een tentoonstelling en nu is er ook een overzichtstentoonstelling in Brussel, die daarna doorreist naar Wales en Ravensburg, en eerder al te zien was in Toulouse. Nu wél met catalogus en zonder concurrentie van bekende(re) tijdgenoten. Dat werkt beter. De Jong wordt aangekondigd als ‘een van de belangrijkste persoonlijkheden van de naoorlogse avant-garde in Europa’, en heeft in Wiels een hele verdieping voor zich alleen. Het parcours is associatief, dus niet chronologisch. Dat zet haar niet-oninteressante levensverhaal wat op een zijspoor, tegelijk geeft het ruim baan aan het kijken.

Zo begint de expositie met een zaal waarin een enorm zeildoek diagonaal is opgehangen, aan beide kanten beschilderd, bedoeld voor een filiaal van De Nederlandsche Bank in Drachten, tussen de toonbank en de geldtellers. Onduidelijk is of het er ooit heeft gehangen, de uitpuilende ogen en in elkaar kronkelende lichamen moeten de bezoekers van de bank wel verrast hebben. Eromheen hangen schilderijen uit de Upstairs-Downstairs-serie, die De Jong maakte in opdracht van de stad Amsterdam voor de inrichting van de Stopera, in 1986. Wat je noemt een andere entree dan in het Stedelijk.

Ook de overige zalen geven ruimte voor geconcentreerd kijken: naar de surrealistische persiflages op de covers van detectiveromans uit begin jaren tachtig, de biljartspel-schilderijen van 1976, haar grafische werk en recente aardappelschilderijen. De catalogus toont meer werk dan er in Wiels te zien is, en dat maakt nieuwsgierig. De Belgische pers is enthousiast, met die plaats in de canon komt het nu wel goed.

Jacqueline de Jong: The Ultimate Kiss is tot 15 augustus te zien in Wiels, Brussel; wiels.org