Media

Determinisme

Afgelopen herfstvakantie telde de Openbare Bibliotheek van Amsterdam niet minder dan zestigduizend bezoekers, van wie kinderen de meerderheid vormden. Dat astronomische aantal spot met wat men zou verwachten: zoveel mensen, in een tijd waarin - zeker in Nederland - vrijwel iedereen toegang heeft tot het web. Waarom zouden we nog naar een bibliotheek gaan, wanneer vrijwel alles wat je zoekt digitaal te vinden is?

Het lijkt een anomalie, maar toch is de OBA allerminst uniek. Ook universiteitsbibliotheken zien zich geconfronteerd met stijgende bezoekersaantallen, te beginnen in de studiezalen, en in Leiden, bijvoorbeeld, nam zelfs het aantal uitleningen toe.
Vanuit het perspectief van de digitale revolutie is de populariteit van de bibliotheek te beschouwen als een contra-intuïtief fenomeen. Als we wat beter kijken, wordt evenwel duidelijk dat achter de cijfers een wat complexere werkelijkheid schuil gaat. De functie van de grotere bibliotheken is in de afgelopen jaren ingrijpend veranderd. De klassieke baliemedewerker mag dan zijn vervangen door de computer, achter de schermen heeft de informatiespecialist zijn rol als bemiddelaar overgenomen. Daarbij gaat het al lang niet meer uitsluitend om de papieren collecties. Integendeel, de bibliotheken - de Koninklijke Bibliotheek en de UB’s voorop - spelen een cruciale rol in de levering, beoordeling, ontsluiting en conservering van digitale informatie. En tegelijkertijd zijn ze uitgegroeid tot sociale kenniscentra, ontmoetingsplaatsen voor studenten, scholieren en andere burgers.
Het gaat met de bibliotheken ongeveer zoals het de laatste eeuw met andere culturele instellingen en media is gegaan. De radio, zo voorspelde men rond 1920, zou de krant verdringen, terwijl - vlak na de oorlog - de televisie de bioscoop onvermijdelijk de doodsteek zou toebrengen. Een paar decennia later, toen de cd haar intrede deed, werd alom voorspeld dat deze nieuwe techniek ten koste zou gaan van live concerten, zowel in de klassieke als populaire muziek. De kwaliteit van de studio-opname was immers niet te overtreffen - en dat ook nog tegen een lagere prijs. Het omgekeerde is gebeurd: musici leven tegenwoordig van live optredens.
Nieuwe technieken betekenen zelden dat oude culturele vormen en praktijken verdwijnen. In het geval van de cd en, later, de walkman en de iPod, blijkt dat deze muziekdragers het verlangen naar authentieke beleving niet hebben weggenomen, maar eerder versterkt. Mensen willen erbij zijn, meezingen, zweet ruiken, opgaan in de voorstelling. En terwijl studenten dankzij het web minder dan ooit afhankelijk zijn van bibliotheken zoeken ze deze juist op, om er te studeren en samen aan projecten te werken, maar vooral voor de sociale contacten. Zoiets zagen we eerder gebeuren met het web en de sociale media: mensen lijken op internet toch in de eerste plaats geïnteresseerd in de versterking van de band met hun vrienden, klasgenoten, collega’s en familieleden, en minder in het opzetten van virtuele communities in cyberspace, zoals in de jaren negentig werd verwacht - en gevreesd. En waar het eerste contact wél via het web tot stand is gekomen, blijken mensen zich veel moeite te troosten deze digitale relaties om te zetten in ontmoetingen in real life.
Technologische veranderingen kunnen nog zo revolutionair zijn, de vraag hoe ze precies ingrijpen op bestaande situaties en praktijken valt vaak nauwelijks te beantwoorden. Voorspellen is riskant, zoals bovenstaande voorbeelden laten zien, omdat diepgewortelde sociale banden, culturele uitingen of instituties zelden eenvoudig verdwijnen. Ze bezitten een ‘natuurlijke hardheid’, omdat ze voorzien in maatschappelijke of zelfs antropologische behoeften. Ze zullen daarom eerder transformeren, qua functie, vorm, intensiteit en inhoud, en de technologische toepassingen die daarbij aansluiten zullen dikwijls de meest succesvolle blijken te zijn.
De idee dat de digitale snelweg het instituut bibliotheek eenvoudigweg zou doen verdwijnen of dat cyberspace vertrouwde sociale verbanden zou verdringen, is in veel gevallen te herleiden tot wat men 'technologisch determinisme’ noemt: het geloof dat technische vernieuwingen op zichzelf voldoende voorwaarde vormen voor maatschappelijke veranderingen - een val waar we telkens weer intrappen, en die vaak ook richting blijkt te geven aan het beleid van overheden en bedrijven.
De Schots-Amerikaanse socioloog Robert MacIver gebruikte lang geleden al eens een mooie vergelijking om de verhouding tussen techniek - in de brede zin van het woord - en maatschappij te duiden: technologie is de motor van de boot die beschaving heet. Afwijzing van het technologisch determinisme betekent dus niet automatisch bagatellisering van de betekenis van uitvindingen en hun toepassingen. Integendeel, de erkenning dat er geen sprake is van eenvoudige causale verbanden dwingt ons beter te kijken naar wat er nu wérkelijk verandert op het snijvlak van mens en machine.