‘Hoe moeten we onze naaste liefhebben, die misschien niet bestaat en slechts een menigte schimmen is, terwijl God ons heeft gemaakt, ons alleen, en ons hier heeft neergezet op een schim van een aarde, alleen met onze duizelingwekkendegedachten?’

Natalia Ginzburg, De kleine deugden

De barmhartigheid die me kan overvallen, zomaar door de week, ik wist nog van niets toen ik opstond. ‘Kan ik u misschien helpen?’ vraag ik de vrouw die ik op haar scootmobiel zie manoeuvreren naast de papierbak. Of is het de glasbak? Maakt niet uit, mijn barmhartige ik heeft de leiding al genomen.

Een gezicht dat het leven drie keer heeft geleefd kijkt me aan. ‘M’n benen doen het niet meer’, zegt ze. ‘Ik heb gezegd kunnen jullie ze dan niet doorspuiten, maar ze doen het niet. Nou ik heb gezegd, ik klaag jullie aan.’

‘Ja’, zeg ik, ‘ik snap het.’

Ik snap alles vandaag, afschuwelijk. Ik zeg, iets aarzelender – ik wil mijn goede wil tonen, maar niet die brief aan de instanties schrijven – dat ik dacht haar misschien ergens mee te kunnen helpen.

‘Nee lieverd’, zegt ze. ‘Ik zuchtte alleen even.’

Ze zwaait me na. ‘Dag schat!’

Gesterkt in mijn schatzijn vervolg ik mijn pad. De eerste keer dat iemand het in mij zag was ik zes, ik had een geruit rokje aan en ging lichter lopen. Hier loopt ze, dacht ik.

Ik zwaai naar de verkoper van de daklozenkrant, lach naar de dronkaard op het bankje, laat een stukje met me oplopen, wimpel hem ook weer zachtjes af, zachtjes, overweeg om oliebollen mee te nemen en dan te zeggen dat hij de beste oliebollen heeft. Het is beangstigend, het is aanmatigend, hier loopt ze, lange jas, bruine sjaal, bah.

Het geeft niet, app ik de vriendin die zich vergist heeft in de tijd. Wat erg voor je, naar een andere vriendin, ik stuur een knuffelemoticon naar allebei, een hartje naar mijn zus. Weet je wat, ik bel mijn zus, gisteren zou ik zeggen: ik haat bellen, maar nu bel ik, gewoon monter, even praten, het kan alles uitmaken, het máákt alles uit.

‘Je hebt geworpen!’ roep ik naar de overbuurvrouw die knipperend tegen het licht de eerste schreden op straat zet, baby strak in draagdoek. Ik aai het nieuwe hondje van de makelaar even verderop. ‘Nou zeg, wat een schatje.’ Ik vraag of hij ook op puppytraining gaat, alsof ik zoiets zou willen weten. ‘Hé leuk je haar’, tegen de fietsenmaker, ik kan mezelf niet meer uit zetten. Straks breng ik nog een paar overhemden naar de man van de Gouden Schaar, heeft hij ook wat te doen, en wie weet wat ik dan weer te zeggen heb, iets over dat de straat is opgebroken, hoe rot dat moet zijn vooral voor hem.

Ik ken m’n Rochefoucauld: de deugd zou het niet zo lang volhouden als ijdelheid haar geen gezelschap hield. Maar ach, alsof die het allemaal zo goed wist, alsof het nooit eens iets voor niets kan zijn, nooit eens quid pro nullus. Ik denk het steeds vaker, zeker vandaag, al die vastgeroeste ideeën over voor wat hoort wat, het is zo klein, zo miezerig.

Natuurlijk word ik donateur, hier heb je m’n geld, m’n sleutel, m’n baan, kom maar op schoot, ik aai je vacht, ik kneed je schouders. Ik pak je hand, ik neem je mee, ik ondersteun je, ook als ik denk dat je uit je nek lult, je stinkt. Als je goed om je heen kijkt, is iedereen behoeftig, ik heb ook m’n gevoelens, m’n dingen, ik ken jullie.

Ik zie je, app ik een vriend, I see you, ook nog eens in het Engels, nu moet hij het toch wel begrijpen dat ik hem zie in al zijn onvolkomenheid en dat het niet geeft, het geeft niet zeg ik tegen de jongen die tegen me op botst, ben je gek.

Ik denk dat het mijn nieuwe schoenen zijn. Ze doen me veren, bijna huppelen, barmhartigheid klopte aan mijn deur en mocht binnenkomen. Er komt iemand naast me lopen, ik ken haar ergens van. Ze zegt: ‘Ik zag je lopen, je sloft, wist je dat.’ Ik plooi mijn gezicht in de grootste glimlach die ik in huis heb, denk waar bemoei je je mee kutwijf.