Opheffer

Deugen en niet deugen

Toen Bob Dylan The Times They Are a Changin’ zong, besefte ik niet dat hij dat nummer in 1962 had geschreven. Ik kwam er pas vier jaar later, in 1966, mee in aanraking.

Medium opheffer 5 12 was

Ik dichtte Dylan profetische gaven toe. De tijden waren namelijk aan het veranderen. De ‘silent majority’ had zijn tijd gehad, het was tijd voor de jeugd - en die was geëngageerd, links, bereid tot actie en geweld. We hadden er genoeg van dat de rechters van Auschwitz weer de rechters van nu waren. De mens, zo zeiden we, was een sociaal wezen; hij kon alleen maar bestaan met en via de anderen. Dat Amerika in Vietnam streed tegen het communisme was dubbel fout. Het was moreel fout, want het communisme was moreel menslievender dan het kapitalisme, en het was fout omdat Amerika disproportioneel geweld toepaste tegen de Vietcong-boeren.
Wat me nu, na veertig jaar, het wonderlijkste voorkomt, is niet de draai die ik heb gemaakt, maar het feit dat ik nog steeds van die moralistische kunst uit met name die tijd houd.
Kunstwerken en kunstenaars deugden of deugden niet in die tijd. Deugen deed je als je links was, niet deugen als je rechts was. Links stond voor vernieuwing, anders, brutaal, provo, humor. Rechts voor burgerlijk, conservatief, kapitalistisch, asociaal. Dat ik inzag dat dit onzin was, heeft twintig jaar geduurd. Ik kwam natuurlijk wel in conflict. Mijn verlovingsreis naar Rusland met mijn aanstaande vrouw 'om haar de ogen te openen’, opende juist mijn ogen en vaak stond ik voor schilderijen en hoorde ik muziek die ik afgrijselijk vond, maar die vanuit zo'n goede inborst gemaakt waren en moreel zo'n juist standpunt innamen dat ik zei dat ik het 'heel mooi’ vond en 'zeer belangrijk’. ('Dus handen uit de mouwen/ Rijken niet vertrouwen/ Je kunt niet op ze bouwen/ Dat staat vast// Samen nu beginnen/ Luister naar die stem van binnen/ Die zegt: straks dan gaan we winnen/ Dat staat vast.’)
Toen ik Boudewijn de Groot Mijnheer de president live hoorde spelen, sprongen de tranen in mijn ogen.
Maar nu het gekke - hoewel ik dus 180 graden in mijn denken gedraaid ben, krijg ik bij sommige nummers uit die tijd nog altijd een brok in mijn keel. Zoals ik ook nog steeds in vuur kan raken van de geschriften van Marx en de scheldpartijen van Lenin. Geweldig vind ik die.
Hoe vaak heb ik niet gezegd: 'Moet je luisteren wat Marx hier zegt…’ Ik heb nooit de aanvechting om een boek van Bolkestein te pakken.
Het vervelende is evenwel dat ik niets zo erg vind als moreel juiste kunst. Cabaretiers, beeldend kunstenaars, filmers, zangers, noem maar op die 'het goede standpunt’ vertegenwoordigen, zijn niet te harden! Of kunstenaars die maar zemelen over de noodzaak van 'idealisme’ terwijl ik juist tegen het idealisme ben. Hoewel er ook kunstenaars zijn die een verschrikkelijk idealisme vertegenwoordigen die ik heel mooi werk vind maken.
Het criterium van moreel juiste kunst wordt steeds vaker aangelegd. Niet eens bewust, geloof ik, maar als je kijkt naar een serie als Lijn 32 of een film als Doodslag, dan zijn dat films die ook beoordeeld willen worden, gezien de interviews met de spelers en regisseurs, op hun morele zeggingskracht. ('Ik wil dat er een discussie komt…’)
Morele zeggingskracht is volgens mij wel een fundament onder een kunstwerk, maar niet een sterk fundament. Het is meer een versiering, een kapstok. Als je doel is om in een kunstwerk te laten zien dat Marokkanen ook gewone mensen zijn zoals jij en ik, dan beweer je iets onzinnigs, want het is al zo. Maar als je de kijker of lezer ervan zou kunnen overtuigen dat Marokkanen maanmannetjes zijn met een slechte inborst, dan ben je een verrekt goede kunstenaar als je dat lukt.