Ger Groot

Deventer koek

Blundertje in NRC Handelsblad. Op 20 maart drukt de krant een spotprent uit Le Monde af, waarop presidentskandidaten Chirac en Jospin — twee oude mannen in een rolstoel — door een agent worden voorgeleid aan een klein meisje: het Franse volk. «Alors, c’est lequel que t’a abordée?» vraagt de agent. Zij antwoordt: «Ah, J’sais plus!… Ils se ressemblent tellement!»

Met het antwoord had de NRC-vertaler weinig moeite («Ik weet het niet meer, ze lijken zoveel op elkaar»), maar met de vraag des te meer. «Wie spreekt je het meeste aan?» Een onnozele vergissing, zo bekende de krant. «Wie heeft je aangesproken?» had het moeten zijn. Presidentskandidaten als vieze oude mannetjes: ook Frankrijk heeft zijn pedofilieproblemen.

Het verschil zit in een klein woordje, of zelfs alleen maar in het onderscheid tussen voltooid en onvoltooid tegenwoordig: van «spreekt je aan» naar «heeft je aangesproken». Die dubbelzinnigheid heeft alleen het Nederlands, en je kunt een aardig detectivespel opzetten om te achterhalen hoe het er in het hoofd van de vertaler precies aan toegegaan moet zijn. Op hun aardigste momenten doen vertaalwetenschappers dat. Ze laten de theorie voor wat ze is, en gaan als speurders achter de lotgevallen van de woorden aan.

Leesbaar schrijven over vertaalperikelen is niet makkelijk, maar soms levert het een mooi verhaal op. Ton Naaijkens kan het. In De slag om Shelley vertelt hij hoe een foute vertaling van «dessous» in een van Baudelaires Fleurs du mal toch perfect passend «lorrige ondergoed» kan opleveren. Zo’n vergissing is een kwade bloem op zich; je leest het bij Naaijkens met rode oortjes.

Maar waarom niets gezegd over de meest bizarre titel die een Nederlandse vertaling sinds jaren heeft meegekregen: De Canterbury verhalen? Niet alleen omdat de oude titel, De pelgrims naar Kantelberg, zoveel mooier is, zoals Naaijkens terecht opmerkt. Maar vooral omdat de nieuwe geen Nederlands is, maar behoort tot het soort Nengelands dat het NOS Journaal, en in toenemende mate ook de rest van de journalistiek, dagelijks over ons uitstort.

De Canterbury verhalen is even idioot als Den Haag hopjes of ’s Gravenhage bluf. In de hofstad weten ze dat nog; in de hoofdstad al niet meer. Daar zijn ze een paar jaar geleden ongegeneerd gaan praten over «de Amsterdam Arena». Daar is geen woord Amsterdams meer bij. Je kunt in onze taal geen plaatsnaam als een los bijvoeglijk naamwoord gebruiken (vastgeschreven kan het wel: de Vietnam oorlog). Er is maar één stad waarbij dat lukt, maar dat is om een andere reden: die van de Deventer koek.

Talen verschillen: dat is de onthutsende conclusie die elke vertaling opnieuw illustreert. Er is niks simpelers dan dat, maar het dreigt steeds weer vergeten te worden. Zelfs flauwe gymnasiastengrapjes als go your gang en allez votre corridor houden de misvatting niet tegen dat vertalen voornamelijk zou bestaan uit het vervangen van het ene woord door het andere.

Misschien gaan Nederlanders juist daarom zo prat op hun talenkennis en slaan ze op dat vlak tegelijk zo’n modderfiguur. Hoe zwakker iemands gevoel voor wat een taal eigenlijk is, des te nonchalanter zijn trots dat hij «zijn talen» (meestal wordt bedoeld: zijn Engels) perfect beheerst. Als een native speaker! Meestal is dat het moment om was in je oren te stoppen.

Taalgevoel is altijd gevoel voor meerdere talen. Wie monolinguaal is, weet net zo weinig wat een taal is als een vis afweet van water. Pas op het droge merk je hoe vreemd dat vanzelfsprekende eigenlijk is. Een andere taal maakt de moedertaal zichtbaar. Plotseling is die niet meer het transparante medium dat de werkelijkheid perfect weergeeft. Ze is slechts één van de vele manieren die de wereld vormt naar haar eigen beeld, woordenschat en grammatica. Pas dan blijkt dat ze een grammatica heeft.

Het is niet vreemd dat Nederlanders minder gevoel hebben voor hun eigen taal dan Vlamingen. Ze hebben haar nooit werkelijk moeten confronteren met een andere taal en hoeven haar dus ook niet te zien. Hoe groter het taalgebied, des te dreigender dat gevaar. Engelssprekenden zijn er vast van overtuigd dat hun taal de wereld het best reflecteert. Steeds meer Nederlanders geven ze daarin gelijk.