INTERVIEW MET NOREENA HERTZ

‘Deze crisis is so not over’

Volgens econome Noreena Hertz luidt de kredietcrisis het einde in van het ‘Gucci-kapitalisme’. Internationale regulering blijft niet beperkt tot de financiële wereld.

Een feest van herkenning, dat is de kredietcrisis voor insiders van de schuldenproblematiek waar ontwikkelingslanden al decennia mee worstelen. In plaats van arme landen zijn het nu arme huishoudens die op zwart zaad zitten. Maar de rol van de banken is vrijwel identiek, bevestigt Noreena Hertz, prominent econome, voormalig gezicht van de andersglobaliseringsbeweging en schrijfster van een boek over het gevaar van de internationale schuldenlast, I.O.U. ‘Ik heb verhalen gehoord van Afrikaanse ministers die benaderd werden door banken met koffertjes geld, om ze om te kopen. De agressieve wijze waarop banken leningen opdrongen aan derdewereldlanden was een van de oorzaken van de schuldencrisis van de jaren zeventig. De banken wisten dat als die landen niet betaalden hun regeringen zouden bijspringen. Hetzelfde gebeurt nu met gewone Amerikanen en Britten. De afgelopen tien jaar konden gezinnen huizen kopen zonder een inkomen dat zo’n hypotheek rechtvaardigde. Huishoudens met een lage kredietwaardigheid kregen creditcards opgedrongen. De parallel met de vroegere schuldencrisis is duidelijk. Beide keren moesten overheden inderdaad de banken te hulp schieten. Beide keren draaiden wij als belastingbetalers op voor de kosten.’
De omvang van de crisis wordt volgens Hertz nog steeds onderschat. ‘Op dit moment zien we slechts het topje van de ijsberg, de hypotheekschulden. Er staat ons nóg zo’n grote ramp te wachten, in de vorm van de schulden van huishoudens. Die zijn op dezelfde wijze herverpakt en verhandeld. Ook zij zullen waardeloos blijken. De kredietcrisis is so not over. Het begint pas.’

Aan de vooravond van de top van wereldleiders, die komend weekend in Washington overleggen over wat kan uitdraaien op een nieuwe financiële wereldorde, brengt Noreena Hertz veel tijd door aan de telefoon. Vrienden die eerder haar boeken The Silent Takeover en I.O.U. lazen, bellen op om toe te geven dat ze het bij het rechte eind had. Sommige medestudenten van de business school van Wharton, die niet zoals zij wetenschapper en activiste werden maar bankier, zagen dat al voor de crisis in. En dan zijn er nog de politici, ambtenaren en CEO’s van over de hele wereld die haar vragen om advies. Aarzelend: ‘Ja, ook uit Nederland. Maar laat ik het zo zeggen: ik heb contact met verschillende Nederlandse ministeries. Meer kan ik er waarschijnlijk beter niet over vertellen.’
Haar dominante stemming omschrijft ze, in Rotterdam, waar ze verblijft vanwege een gastdocentschap aan de Eramus Universiteit, desondanks niet als ‘triomfantelijk’: ‘Het is moeilijk triomf te voelen als je weet dat zoveel mensen het zo moeilijk gaan krijgen. Ik ervaar eerder woede, omdat de bankiers ermee weg lijken te komen. Ik vind het werkelijk schandalig dat de meesten nog steeds bonussen ontvangen, honderden miljoenen euro’s, ook als ze gered zijn door de overheid. Dat maakt me boos. Het grote publiek is volgens mij ook boos. Zoals hier in Nederland, over de IJslandse banken die hun spaargeld hebben ingepikt. Maar de reële economie loopt achter op de financiële markten. Nu pas worden er banen geschrapt. Ik denk – hoop – dat de heersende woede ten aanzien van de banken zich verbreedt tot een kritiek op ieder bedrijf dat tegen het publieke belang in handelt, van geprivatiseerde energiebedrijven tot de farmaceutische industrie.’
Gesprekken met topmensen in het bedrijfsleven sterken haar in die overtuiging: ‘Enkele weken geleden praatte ik met een groep internationale CEO’s. Zij waren het niet oneens met mijn stelling. Zelfs zij voelen aan dat er iets gaat veranderen. En terecht: eindelijk praten overheden serieus over internationale financiële regulering. Ik denk dat het slechts een kwestie van tijd is tot ze de sprong maken naar scherpere wetgeving voor bijvoorbeeld junkfoodbedrijven, gezien de mate waarin zij de gezondheidszorg belasten. Hetzelfde geldt voor milieu-issues. Natuurlijk zijn niet alle ondernemingen van hetzelfde laken een pak. Maar mensen vragen zich ineens wel af waarom zij moeten opdraaien voor de kosten die grote, vervuilende bedrijven maken. Bedrijven die hun directeuren ook nog eens enorme salarissen betalen.’

Dat is een historische ontwikkeling. Minder dan twee decennia nadat ze als pas afgestudeerde westerse adviseur in Rusland het failliet van het sovjetcommunisme van dichtbij zag, beleeft Hertz opnieuw het einde van een tijdperk. Politici spreken over het failliet van het Angelsaksische kapitalisme, het neoliberalisme of het Wall Street-model. Zelf noemt Hertz het liever ‘Gucci-kapitalisme’: ‘Deze vorm van kapitalisme was zo gefocust op het verkrijgen van spullen, op het plukken van de vruchten van de groei, dat het onvoldoende nadacht over hoe die groei eigenlijk gecreëerd en verdeeld wordt. Het economische model heeft een psychologisch model gecreëerd. Met name in de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk schamen mensen zich dieper om niet de laatste Gucci-tas of -zonnebril te hebben dan om zich in de schulden te steken.’
Het Gucci-kapitalisme, opgestart door Reagan en Thatcher en voortgezet door New Labour en de Democraten onder Bill Clinton, loopt op zijn laatste benen. Terecht, vindt Hertz: ‘Het was een vorm van kapitalisme waarin sociale en ecologische gerechtigheid volledig ontkoppeld waren van de economie. Tussen beide gaapte een enorme kloof.’
Een zelfde kloof ontstond tussen rechten en plichten voor bedrijven. En tussen de excessieve beloningen voor risicovol gedrag aan de top en de achterblijvende salarissen voor onderwijzers en verplegers. Voor die laatste groep organiseerde Hertz vorig jaar een actie, ‘Mayday for Nurses’. Ze kreeg topvoetballers uit de Engelse Premier League als Ryan Giggs en Gary Neville zo ver één dag salaris te schenken uit protest tegen de schamele lonen van verplegend personeel.
Ook tien jaar geleden, tijdens de hoogtijdagen van de beweging voor een andere globalisering, liet ze zich niet onbetuigd. Nu blijft het opvallend stil op straat. Dat betekent nog niet dat de onvrede dit keer passief blijft, denkt Hertz: ‘Eind jaren negentig was er echt behoefte aan protesten waarbij mensen de straat op gingen en hun kritiek lieten horen – zoals in Seattle, waar de top van de Wereldhandels-organisatie werd verhinderd. Daarvoor wíst niemand dat er überhaupt kritiek was. In 2001 was ik op het World Economic Forum. Daar merkte ik wat voor een belangrijke rol die protesten speelden. Alle CEO’s maakten zich zorgen over de kritiek.
Die kritiek is in een tweede fase van activisme vervolgens, zeg maar, gemainstreamd. Denk aan populaire documentaires als Super Size Me waarin McDonald’s gehekeld werd, en later An Inconvenient Truth van Al Gore. Ook mensen die zichzelf niet zien als activist gingen nadenken over fair trade-producten en ethisch consumeren. In Groot-Brittannië weigerden huisvrouwen genetisch gemanipuleerd voedsel te kopen in de supermarkt. Bovendien kwam het e-activisme op. Er ontstonden meer mogelijkheden om vanuit de leunstoel kritiek te leveren, met een muisklik.
Nu zijn we denk ik aanbeland bij een derde fase, een terugkeer naar de traditionele politiek. Mensen gebruiken hun macht in het stemhokje om hun woede uit te drukken. Dat zie je aan de gigantische opkomst bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Jonge mensen die voorheen niet stemden, die politiek niet zagen als vehikel voor verandering, doen dat nu wel.’
Dat protest heeft zijn uitwerking niet gemist, ook op het bedrijfsleven: ‘Tegenwoordig doet elke multinational aan verantwoord ondernemen.’ Dat betekent nog niet dat ze zo naïef is te geloven in een ethisch kapitalisme. Wél denkt ze CEO’s te kunnen overtuigen van haar standpunten door erop te wijzen dat ethisch ondernemen in hun eigen, materiële belang is: ‘Neem de voedselindustrie. De slimmen weten dat er toch wel strengere regelgeving komt. Zij proberen hun producten daarop aan te passen. Sommigen pleiten zelfs actief voor meer regelgeving. Dat klinkt paradoxaal, maar daar kunnen zij concurrentievoordelen uit halen en dus geld mee verdienen. Milieuwetgeving dwingt bedrijven tot innovatie. Door daar tijdig op in te spelen, kunnen ze een voorsprong krijgen op concurrenten uit andere landen.’
Bij zoveel hoopvolle verwachtingen past op z’n minst één kanttekening. Als activiste zag Noreena Hertz de afgelopen maanden een doodgewaande tegenstander uit zijn as herrijzen. Was het Internationaal Monetair Fonds (IMF) tijdens de Azië-crisis nog kop-van-jut, nu loopt de organisatie zich warm om een centrale rol te spelen op het gebied van internationale financiële ordehandhaving. Zuur? ‘Ik zie best de noodzaak in van een internationaal financieel instituut waartoe landen die in de problemen verkeren zich kunnen wenden. Het probleem met het IMF is dat het zo ideologisch gedreven was; vergiftigd door een Gucci-kapitalistische manier van denken. Het IMF moet in ieder geval de maatregelen die het voorschrijft aan landen die geld lenen veranderen. Of zo’n koerswijziging van het IMF genoeg zal zijn? Instituties zijn berucht om hun weerstand tegen veranderingen. Alan Greenspan, jarenlang de baas bij de Amerikaanse Federal Reserve, biechtte onlangs op in het verleden zo ideologisch gedreven te zijn geweest dat hij blind was voor wat er werkelijk gebeurde. Kan de leiding van het IMF dat ook?’
Doorgaan op de oude weg is in elk geval geen optie, stelt Hertz: ‘Op dit moment heerst er een zelfde behoefte aan financiële stabiliteit als direct na de Tweede Wereldoorlog toen het IMF werd opgezet. Maar de spelers op het wereldtoneel zijn niet de spelers van 1945. Het zijn landen als China en de Golfstaten die op dit moment bulken van de cash. Er gaat waarschijnlijk een belangrijke verschuiving plaatsvinden in de stemverhoudingen en vetorechten binnen het IMF en de Wereldbank.’
Wat verwacht zij verder van het topoverleg tussen de geïndustrialiseerde landen, komend weekend? Welke contouren van een nieuwe internationale financiële architectuur ziet zij? ‘Ik denk dat protectionisme acceptabeler wordt. Kijk naar Obama’s campagne. Natuurlijk, vrijhandel was altijd al een mythe. Europa betaalt per koe tot meer dan twee euro per dag subsidie. Nu verdwijnt ook de pretentie van vrijhandel. Hetzelfde geldt voor globalisering. Die internationale verwevenheid was een mooi verhaal voor de rijke landen zolang het hun uitkwam. Nu realiseren ze zich dat in deze onderling verbonden wereld hebzucht op Wall Street de banken op IJsland kan infecteren, wat weer tot problemen leidt in Nederlandse gemeenten. En ineens zeggen de rijke landen wat de Derde Wereld al jaren het liefst zou willen doen: laten we de eigen markt beschermen.’
Dat is wat Hertz verwacht dat er gaat gebeuren. Waarover de discussie werkelijk zou moeten gaan, is een ander verhaal: ‘Overheden moeten nu niet alleen verbanden aanleggen en pleisters plakken. Er zijn veranderingen in het systeem nodig. Ik heb geen probleem met private ondernemingen. Maar in sectoren als de financiële wereld waar ze grote schade kunnen veroorzaken, moet je kiezen tussen nationaliseren of heel streng reguleren. Het eerste lijkt mij persoonlijk de minst goede optie, omdat je daarmee ook alle voordelen van concurrentie tenietdoet. Wat nodig is, zijn sterke regulerende instanties met echte tanden. Tot nu toe hadden we wel toezichthouders, maar die hadden zelf vaak nauwe banden met het bankwezen. Eén groot old boys network van mensen die allemaal vriendjes zijn en met elkaar uitgaan buiten werktijd. In plaats daarvan moet de bescherming van het spaargeld en pensioenen van burgers voorop komen te staan.’
Zo zijn er nog legio maatregelen waarbij Hertz zich wel iets kan voorstellen: ingrijpen bij de falende private rating agencies; een toeslag op speculatieve transacties; wellicht op nationaal niveau via de belastingen de topsalarissen aan banden leggen met een toptarief. Maar, benadrukt ze, wat zij vindt van punt a of voorstel b is niet het belangrijkste: ‘Waar het vooral om gaat, is dat geen enkele vernieuwing onbespreekbaar zou moeten zijn. Nu hebben we de kans om echt na te denken over economische politiek, zo weids mogelijk. Dit is het moment om verandering te omarmen, niet om overhaast maatregelen in steen te gieten. Joseph Schumpeter, de beroemde econoom en politieke wetenschapper, sprak altijd over kapitalisme als creatieve vernietiging. Tot nu toe hebben we veel vernietiging gezien. Nu is het tijd om creatief te zijn.’