De megastad 2 Nairobi

‘Deze groei is niet vol te houden’

Nairobi, de op één na snelst groeiende stad van Afrika, kan de bevolkingsaanwas nauwelijks aan. Meer dan de helft van de mensen hokt samen op slechts tien procent van het stadsoppervlak. ‘Wij kijken naar onze ouders en denken: jullie gokten verkeerd.’

Aan een smalle steeg met blubber ligt het krot van Joyce Mumbua (36). Twee bij twee meter huurt Mumbua, tussen wanden van hout, golfplaat en gedroogde modder. Ze bezit een bed, twee houten krukjes en wat kleren, een bijbel, een poster van Arsenal en een oude televisie. ‘Mijn kostbaarste bezit’, aldus Mumbua.

Joyce Mumbua leeft in Kibera in de Keniaanse hoofdstad Nairobi. Kibera is een van de grootste sloppenwijken van Afrika. Een paar honderdduizend mensen – niemand weet precies hoeveel – in een aan elkaar gelapt doolhof van ellende. Veertien jaar woont Mumbua nu in Kibera. Ze kwam ooit naar Nairobi op zoek naar werk. Haar verweerde handen zijn een paar tinten lichter dan de rest van haar huid. Littekens van jarenlang wassen, schrobben en boenen. Een brandmerk van de armoede.

Per dag verdient Mumbua gemiddeld honderd Keniaanse shilling, één euro. ‘Hier in Kibera delen we met een hele buurt een wc, daar moet je voor betalen’, vertelt ze. ‘Wat zou jij doen als je tien shilling hebt verdiend, naar een smerig toilet gaan of eten kopen zodat je overleeft?’ Het antwoord: jezelf ontlasten in een plastic zak, deze dichtknopen en over de daken slingeren. ‘Make it fly’, aldus Mumbua, besmuikt over haar openhartigheid. Achter het witte wanddoek met blauwe hartjes piept een rat.

Op minder dan zeven kilometer van Joyce Mumbua’s krot liggen Karen en Langata, landerige wijken uitgedacht door de bestuurders van Brits koloniaal Afrika. Immense landhuizen, veilig verscholen achter wiegende acaciabomen en strak gesnoeide heggen. Hier wonen duur­betaalde expats, succesvolle zakenlieden en Kenia’s fabelachtig rijke politici. Zo smal als de steeg van Mumbua is, zo breed zijn de lanen in Karen en Langata.

In Karen hangt nog een zweem van The Empire. De omgeving is vernoemd naar Karen Blixen, de Deense barones en plantagehoudster die onder het pseudoniem Isak Dinesen in Out of Africa een beeld schetste van Afrika dat nog altijd de westerse perceptie van het continent beïnvloedt. Weids, ongerept en vol belofte – alles wat Joyce Mumbua’s Afrika niet is. In Karen kom je nog zwarte nannies met witte baby’s tegen. Huishouders die de hond uitlaten. Grooms die de paarden verzorgen.

‘Karen? Daar ben ik nog nooit geweest’, zegt Mumbua over de wijk in haar eigen stad. ‘Ik hoor er wel eens over, of ik zie erover op mijn tv.’ Of ze denkt dat ze zelf ooit in Karen kan belanden? Ze moet hard lachen: ‘Onmogelijk. Of de wereld moet op z’n kop worden gezet. En daar is een mirakel voor nodig.’

Afrika’s steden behoren tot de snelst groeiende steden ter wereld en in Afrika is Nairobi, na Dar es Salaam, de snelste. Ruim drie miljoen inwoners heeft Nairobi officieel, een miljoen meer dan tien jaar geleden. Nog voor 2025, voorspellen de VN, groeit Nairobi uit tot een stad van 5,5 miljoen mensen. Weinig nog altijd vergeleken met megametropolen als Jakarta of Mexico-Stad. Maar, legt onderzoeker Blessing Mberu van het African Population and Health Research Center uit, absolute cijfers vertellen niet het hele verhaal: ‘Het gaat om de balans tussen het aantal inwoners en de beschikbare bestaansmiddelen. In Nairobi wordt die balans door de razendsnelle groei extreem scheef.’

In Karen leefden in 1999 per vierkante kilometer 360 mensen. In Kibera toen al meer dan tachtigduizend. Meer dan de helft van alle inwoners van Nairobi woont tegenwoordig in sloppen. Samengeperst op minder dan tien procent van het stadsoppervlak.

Kibera is een stad op zichzelf. Een wereld met een informele economie, vrijwel afgesloten van de ‘echte’ economie. Een wereld met gebrek aan werk, water en woningen. Een wereld vol ziektes, misdaad en ongeplande zwangerschappen. Kibera ondergraaft het twintigste-eeuwse, westerse vooruitgangsidee van de stad als poort naar een beter bestaan. In Kibera is ‘de staat’ een abstractie, hier geldt de gerechtigheid van de straat, wat neerkomt op mob justice, rap en meedogenloos. In Kibera is het ieder voor zich: Joyce Mumbua’s man is spoorloos verdwenen en haar twee kinderen heeft ze bij haar moeder op het platteland ondergebracht. Mumbua heeft al moeite genoeg om zichzelf overeind te houden.

Wordt de kloof tussen arm en rijk in Nairobi alleen maar groter? Of komen Kibera en Karen eens samen? Wordt Nairobi alsnog de poort naar een beter bestaan, of is het al te laat?

Nairobi is een imperialistische vinding. Britse kolonisten gebruikten rond 1900 arbeiders uit India om een negenhonderd kilometer lange spoorlijn aan te leggen van Mombasa aan de Indische Oceaan naar het Victoriameer in Oeganda. Toen het Lagerhuis in Londen tijdelijk weigerde om het project te financieren, sloegen de spoorbouwers noodgedwongen een kamp op. Ze deden dat op een plek die de nomadische Maasai ‘Enairobe’ noemden, ‘plek van het koude water’. Op zwart-witfoto’s van toen is Nairobi niet meer dan een handvol huizen en opslagschuren. In 1907 verhieven de Britten de centraal gelegen nederzetting tot bestuurlijk centrum van het protectoraat Oost-Afrika. Nog geen twaalfduizend inwoners telde de ‘stad’. ‘De spoorlijn is het begin van alle geschiedenis in Kenia’, stelde gouverneur Sir Edward Grigg in 1927.

De kolonisten introduceerden in Nairobi een vorm van apartheid. De Britten, bang dat het stadsleven Kenia’s stammen zou verenigen, verboden woningbezit voor Afrikanen. Ze hadden hun eigen bestuurs- en woonwijken; de Indiërs hadden hún gebied. Kenianen moesten forensen – verdeel en heers. Later werd een aparte buurt opgezet voor de Nubiërs van de King’s African Rifles, een koloniaal regiment van de beste soldaten. De naam: Kibera.

De onafhankelijkheid in 1963 luidde de start in van Nairobi’s explosieve groei. Kenianen uit alle hoeken van het land kwamen er voor werk en een woning. Nairobi werd de belangrijkste stad van Oost-Afrika. Gebrekkige planning, duizelingwekkende corruptie en een snelle bevolkingstoename verhinderden echter een ordelijke expansie. Meer en meer schoten de sloppen uit de grond. De raciale scheidslijn in Nairobi maakte plaats voor een sociaal-­economische scheidslijn. Arm versus rijk. Kibera versus Karen.

Ook al biedt Nairobi onvoldoende werkgelegenheid, de migranten van het platteland blijven komen, want Kenia’s landbouwgrond raakt op. De migratie wordt gedreven door een negatieve stimulans. Onderzoeker Mberu: ‘In Kenia zijn veel stedelingen nu slechter af dan plattelandsbewoners. Wat in Nairobi plaatsvindt, is urbanisatie van de armoede.’

Robert Ochola (30) legt de schuld voor Nairobi’s tweedeling bij Kenia’s politici. De Britten, dat was voor zijn tijd. ‘Politiek vermoordt Kenia’, zegt Ochola, ‘politiek draait enkel om tribalisme en corruptie.’ Ochola is journalist, hij werkte bij Ghetto Radio, een populaire zender door en voor bewoners van de hood. Hij is streetwise, begeeft zich met evenveel gemak in de sloppen waar hij woont als in Nairobi’s zakencentrum. Hij weet hoe rijkdom eruitziet. ‘De sloppen? Die verdwijnen nooit’, zegt hij. ‘In ieder geval zal ik het niet meer meemaken.’

Ochola is lang niet de enige die meent dat politici de sloppen opzettelijk in stand houden. Weinig Afrikaanse landen zijn zo corrupt en etnisch gepolariseerd als Kenia. Kenia’s parlementsleden behoren tot de best betaalde ter wereld, in absolute cijfers. De politici in Kenia ‘eten’, zoals het heet, terwijl hun achterban honger lijdt.

‘Politici houden ons arm en dom zodat ze voor weinig geld onze stemmen kunnen kopen en stammen tegen elkaar kunnen opzetten’, zegt Willo Mauro (28) in zijn kamertje in Mathare, na Kibera Nairobi’s grootste sloppenwijk. ‘Politici gebruiken ons als speelbal.’

Mauro is een hiphopper, muziek is zijn fort. In zijn nummers klaagt hij de politiek aan, en de al even corrupte politie. Hij zingt in het Sheng, een mix van Swahili, Engels en stammentalen. Iedere sloppenwijk in Nairobi heeft zijn eigen versie van Sheng, al naar gelang de lokale etniciteit. Nairobi’s sloppen spreken letterlijk hun eigen taal.

Een metershoge graffiti midden in Nairobi’s regeringscentrum vat de verbittering van jonge mannen als Robert Ochola en Willo Mauro samen. Op een troon zit een aasgier, grimmig en onheilspellend. Naast hem een tekst met het ritme van een rapsong:

‘Ik ben een tribaal leider/ Ze plunderen, verkrachten, verbranden en moorden voor mijn verdediging/ Ik steel hun belasting, pak hun grond af maar de gekken zullen voor me blijven stemmen.’

Joe Aketch betreurt de politieke afzijdigheid van de jongere generatie. Aketch, 65 jaar, was in 2003 en 2004 de gekozen burgemeester van Nairobi. Hij herinnert zich nog de roes rond de onafhankelijkheid in de jaren zestig, de tijd dat iedereen geloofde in de opbouw van een Keniaanse natiestaat, zonder verschillen tussen klassen en stammen. Sloppenwijken bestonden nog niet.

Aketch’s vader was persoonlijk assistent van Tom Mboya, een charismatische vakbonds­leider, politicus en pan-Afrikanist die het wellicht tot president had kunnen schoppen als hij niet in 1969 op 38-jarige leeftijd was vermoord. ‘In mijn middelbare-schooltijd ontmoette ik mensen als Julius Nyerere en Milton Obote, de eerste leiders van onafhankelijk Tanzania en Oeganda’, vertelt Aketch in de gemeenteraadszaal van Nairobi uit 1935. ‘Mijn ogen gingen open. Ik had geluk met de politieke connecties van mijn vader, maar ik kwam verder uit een arme buurt. Ik wilde dat míjn mensen in het State House zouden belanden in plaats van die wazungu (blanken – ms).’

Aketch werd politiek actief nadat hij in Ethiopië zijn school had afgerond met een beurs van keizer Haile Selassie, net als Tom Mboya een voorbeeld voor pan-Afrikanisten. Aketch werd raadslid, plaatsvervangend burgemeester en uiteindelijk burgemeester van Nairobi. ‘Mijn prioriteit was de jeugd in de sloppen. Ik ­verzorgde een nieuw thuis voor drieduizend straat­kinderen en zette links en rechts jeugdcentra op.’

Helaas, zegt Aketch, leggen zulke idealen het tegenwoordig steeds vaker af tegen onderlinge tegenstellingen en vriendjespolitiek, ‘een ziekte die dit land vernietigt’. Maar, besluit hij, Nairobi’s sloppenprobleem kan nog altijd worden opgelost. ‘Niet in één nacht, maar de regering doet haar best.’

Robert Ochola, de journalist, lacht spottend als hij de uitspraken van Aketch hoort. Ja, Aketch heeft daadwerkelijk iets gedaan voor de jeugd. ‘Maar het was allemaal minimaal. Hij was de machtigste bestuurder van Nairobi en toch groeiden de sloppen verder.’ Aketch kon – of wilde? – niet de invloed breken van de zakenlui en politici die de meeste grond en krotten bezitten en er de huur opstrijken. ‘Aketch is van dezelfde politieke partij als president Mwai Kibaki’, zegt Ochola. ‘Dat zegt genoeg.’

Bill Ngabo (29) is arts en een exponent van Afrika’s opkomende middenklasse, de groep stedelingen die meelift op Afrika’s stevige economische groei van de afgelopen jaren. In steden over het hele continent verspreiden zich de supermarkten, digitale televisies en fastfoodketens. In Nairobi spiegelen metershoge billboards automobilisten een onbezorgde toekomst voor met antirimpelcrème van Nivea en whisky van Johnnie Walker – ‘Keep Walking’ luidt de slogan waar ook de massa’s in Kibera op uitkijken wanneer ze ’s ochtends naar Nairobi’s industriële gebied lopen op zoek naar emplooi.

Ngabo groeide op in Pangani, een buurt vol immigranten uit Ethiopië, Eritrea en Somalië. Pangani’s straten liggen vol afval. Dankzij een beurs van de overheid schopte Ngabo het tot zijn huidige baan in een streekziekenhuis. Hij huurt met vrouw en twee kinderen een appartement in een bewaakt wooncomplex met parkeerplek. Zijn nieuwe wijk is geen Karen maar zeker ook geen Kibera. Ngabo verdient 120.000 shilling (1200 euro) per maand. Hij doet zijn boodschappen bij supermarktketen Nakumatt. Hij houdt zelfs geld over voor vakanties.

Westerse investeerders en consultancy­kantoren en de Afrikaanse Ontwikkelingsbank roemen steeds nadrukkelijker deze nieuwe klasse. Díe gaat, anders dan de doodlopende hulp, vooruitgang brengen. Mensen als Ngabo kunnen volgens theorieën uit de politicologie en de sociologie een samenleving politiek en economisch in evenwicht brengen. Een werkende, bezittende klasse die maatschappelijk klimt, politieke zeggenschap opeist en democratische waarden omarmt. Een schakel tussen arm en rijk.

Ngabo gelooft in de sociaal-economische vooruitgangstheorie: ‘Kijk naar mij, als ik arts kan worden, waarom iemand anders dan niet? In Nairobi zijn gratis studiebeurzen, iedereen kan die aanvragen.’

Onderzoeker Blessing Mberu van het African Population and Health Research Center ziet nog te weinig politieke beweging in Kenia’s stedelijke middengroep: ‘De nieuwe rijken kunnen in theorie de tribale status-quo doorbreken, maar de meesten zijn tevreden zodra ze een Toyota en een hypotheek hebben. Ze raken afgesneden van de samenleving.’ Nairobi’s middenklasse, zegt Mberu, is geen producerende klasse maar een consumentenklasse. ‘Terwijl de verandering die Kenia nodig heeft verder gaat dan de supermarkt.’

Mark Kaigwa (24) is net als Bill Ngabo een exponent van het moderne Kenia, het Kenia dat westerlingen eindelijk eens wat anders over Afrika belooft dan honger, oorlog en ziekte, of Kibera. Kaigwa is een IT-specialist, een digital native zoals hij het zelf noemt. ‘Ik leef, adem en denk online’, zegt hij.

Hij is medeoprichter van iHub, een moderne ontmoetingsplek in Nairobi waar internet- en mobiele-telefoonapplicaties worden bedacht. iHub is een broedplaats, een ‘incubatieruimte’, zoals je ze ziet in Berlijn, Londen en Amsterdam. Vlotte Afrikaanse jongeren met iPads en laptops op sofa’s, plastic beker met cappuccino bij de hand. Woeker met je creativiteit, is hier het credo.

iHub vindt navolging in tal van Afrikaanse landen. Nairobi is hét succesverhaal als het gaat om praktische toepassingen voor internet en mobiele telefoon in Afrika. Toepassingen die weinig banen scheppen maar wel het leven vergemakkelijken en soms zelfs verbeteren. Nairobi is de geboorteplaats van M-Pesa, ’s werelds grootste mobiele geldtransfersysteem. Meer dan twintig miljoen Kenianen gebruiken M-Pesa, ook in Kibera. M-Pesa wordt ook buiten Afrika gekopieerd. Verder bestaan er applicaties waarmee boeren op het platteland prijzen voor melk op de markt met elkaar kunnen vergelijken, applicaties waarmee Kenianen corruptie ­kunnen rapporteren, applicaties die stembusfraude in kaart brengen. Applicaties voor alles. Kenia dankt er zijn bijnaam Silicon Savannah aan.

‘Ik ben trots dat ik help het imago van Kenia en Afrika positief bij te stellen’, zegt Kaigwa, die studeerde in Amerika en Zuid-Afrika. ‘Het is een privilege, ik voel de verantwoordelijkheid. Ons grootste probleem is slecht politiek leiderschap. Internet en mobiele telefonie maken Kenianen mondiger. Ook de armen.’

Minder dan een kilometer van iHub, in Kibera, bevestigt Joyce Mumbua dat M-Pesa fantastisch is. Verder merkt ze niet veel van applicaties die het leven moeten verbeteren. Ze heeft nog nooit internet gebruikt. Nairobi als plaats waar ‘het gebeurt’ vindt ze een onterecht imago. ‘Dat staat niet voor mijn Nairobi. Net zoals mijn politici niet mijn belang vertegenwoordigen.’

De discussie over de politieke en economische toekomst van Nairobi speelt zich af tegen een achtergrond die nog altijd weinig aandacht krijgt: bevolkingsgroei. Afrika is het snelst groeiende continent. Voor 2050, zo voorspellen de VN, verdubbelt bij ongewijzigd beleid het aantal Afrikanen tot twee miljard en het aantal Kenianen tot 85 miljoen. Onderzoeker Blessing Mberu wil meer aandacht voor gezinsplanning: ‘Nairobi’s groei is met de huidige verdeling van bestaansmiddelen niet vol te houden.’

Zoals veel andere Afrikaanse hoofdsteden levert ook Nairobi ieder jaar tienduizenden geslaagde scholieren en studenten af die op zoek gaan naar werk dat er niet is. Afrikaanse jongeren geloven vaak heilig in diploma’s, certificaten en getuigschriften. Onderwijs beschouwen ze als een voorrecht dat hun ouders niet hadden, een ticket naar succes waar ze hard voor willen werken. President Kibaki van Kenia maakte onderwijs tot een van zijn speerpunten. Helaas worden veel geschoolde jongeren alsnog teleurgesteld, zeker vergeleken met hun verwachtingen die door het onderwijs juist groter groeien. Mberu: ‘Jeugdwerkloosheid in Nairobi is een tikkende tijdbom.’

Mberu verwacht wel wat van de satelliet­steden die gepland zijn even buiten Nairobi. Konza en Tatu City, zoals de futuristische ­tekentafelsteden heten, moeten ­tienduizenden bewoners gaan huisvesten. Royale huizen met een tuintje en een carport, een suburbia in Afrika. ‘De nieuwe steden ontlasten Nairobi en kunnen banen creëren voor zowel ­afgestudeerden als mindervermogenden’, zegt Mberu. De keerzijde is dat het gaat om private projecten die de ­maatschappelijke kloof kunnen ­vergroten. Nu leven Kibera en Karen sociaal en mentaal gescheiden van elkaar maar nog wel fysiek in dezelfde stad. Straks, met Konza en Tatu City, wordt de scheiding misschien ook fysiek.

Toch, vindt Mberu, zou Kenia ook een nieuwe hoofdstad moeten creëren. ‘Zodat de inwoners van Nairobi meer ruimte krijgen om te ­ademen.’ Hij noemt als voorbeeld Nigeria, Afrika’s ­inwonerrijkste land, dat zijn overheidsapparaat verplaatste van het commerciële knooppunt Lagos naar het toegankelijkere Abuja.

In Nairobi tekent zich intussen wel een mentaliteitsverandering af als het gaat om het krijgen van kinderen. Robert Ochola en Bill Ngabo, de journalist uit de hood en de arts in het bewaakte appartementencomplex, willen er maximaal twee. Beiden komen uit een gezin van zeven. Hun ouders kwamen na Kenia’s onafhankelijkheid naar Nairobi en namen Afrika’s rurale gezinsopvatting met zich mee: kinderen zijn een oudedagsvoorziening dus je kunt er maar beter veel hebben.

Ochola: ‘Jongeren die geboren en getogen zijn in Nairobi kunnen niet voor hun ouders zorgen want ze hebben geen werk. Wij kijken naar onze ouders en denken: jullie gokten verkeerd. Jongeren in Nairobi weten dat hún kinderen later toch niet voor ze kunnen zorgen, dus waarom zeven kinderen nemen?’ Ngabo deelt deze zienswijze.

Het golfplaten dak van Joyce Mumbua in Kibera is zwartgeblakerd, een getuigenis van het hevige geweld in Kenia na de presidents­verkiezingen van eind 2007. Meer dan elf­honderd Kenianen werden gedood tijdens wekenlange confrontaties langs tribale lijnen. Het land balanceerde op de rand van de afgrond. In Nairobi stonden Kibera en Mathare in brand, de bevolkingsgroepen de Luo’s en Kikuyu’s ­hakten op elkaar in. Een verstandscoalitie ­tussen president Kibaki – Kikuyu – en oppositieleider Raila Odinga – Luo – stopte uiteindelijk de geest van het etnisch geweld terug in de fles.

Begin volgend jaar gaat Kenia weer naar de stembus. In Nairobi heerst al nervositeit. Een herhaling van 2007 kan het einde betekenen van Kenia en van de droom van een herenigd Nairobi. Bill Ngabo de arts en Mark Kaigwa de IT-specialist zeggen dat zij gaan stemmen. ‘Ik geloof dat mijn stem een verschil kan maken’, zegt Kaigwa. ‘Keniaanse politici lossen onze problemen misschien niet op, maar door niet te stemmen geef je je recht om hen te bekritiseren op’, vindt Ngabo.

Willo Mauro uit de sloppen gaat niet meer stemmen. Voor hem heeft ‘het systeem’ afgedaan: ‘Ik voorzie nieuw geweld. Laat de rijken maar rijk blijven als dat betekent dat de politici ons armen met rust laten. Ik concentreer me liever op mijn muziek, die geeft me een stem die ik via politiek nooit zal krijgen.’ Robert Ochola heeft nog niet besloten of hij zijn stem uitbrengt. Optimistisch is hij niet.

Kenia is dynamisch. Het land is een tribaal kruitvat, maar kent tegelijkertijd een vrije pers en een meerpartijensysteem dat meer is dan een dode letter zoals in omliggende landen. De politieke competitie maakt omkoping en verkiezingsgeweld waarschijnlijker, want in Kenia valt daadwerkelijk wat te winnen. Tegelijkertijd houdt het systeem de mogelijkheid van verandering levend. In Kibera besluit Joyce Mumbua: ‘Hopelijk hebben Kenianen geleerd van de vorige verkiezingen. Misschien kunnen ze nu goed van slecht onderscheiden en de juiste keuze maken. Waarom ik nog zou stemmen? Omdat hoop het enige is wat ik heb. Hoop dat er ooit een mirakel gebeurt waardoor ik hier weg kom.’


Megasteden

Deze zomer besteedt De Groene Amsterdammer aandacht aan de nieuwe supermetropolen, die regionale centra van macht, armoede, drukte en ontwikkeling. Vorige week kwam Bogota aan bod, en deze week Nairobi. Daarna volgen Jakarta, São Paolo, Delhi en Istanbul.

Meer dan de helft van de wereldbevolking woont in een stad. Volgens de VN zal in 2025 zelfs zo’n 70 procent van de wereldpopulatie in steden leven; in 1950 was dit nog geen 30 procent. Er ontstaan ook steeds meer megasteden met meer dan vijftien miljoen inwoners. Werk is een van de belangrijkste redenen waarom mensen naar de stad trekken. Verder spelen status, macht, internationalisme, sociale tolerantie en controle allemaal een rol in ’s werelds grootste steden.


Snelgroeier

Afrika, zo wordt vaak gezegd, urbaniseert snel. Strikt genomen klopt dit niet. Afrika’s steden behoren weliswaar tot de snelst groeiende ter wereld, maar het aantal stedelingen als percentage van de totale bevolking – de urbanisatiegraad – neemt in veel landen maar mondjesmaat toe. Oorzaak: de nog altijd hoge vruchtbaarheidscijfers op het Afrikaanse platteland. Zo leeft driekwart van de 42 miljoen Kenianen op het platteland, terwijl tegelijkertijd Nairobi de op één na snelst groeiende stad in Afrika is.