Worstelende Wetenschap #11

Deze hoogleraar doet onderzoek naar tabakssmokkel. Met geld van de tabaksindustrie

Door de industrie gefinancierd onderzoek – is dat wel verantwoord? Hoogleraar economisch en Europees strafrecht John Vervaele doet onderzoek naar tabakssmokkel, met financiering van tabaksfabrikant Philip Morris.

Naar aanleiding van deze serie belandde er vorige week een opmerkelijke e-mail in mijn inbox. Die was afkomstig van een voorlichter van de Universiteit Utrecht. Hij schreef: ‘Misschien heb ik een onderwerp dat interessant kan zijn. Het gaat over financiering van onderzoek naar sigarettensmokkel, gefinancierd door de tabaksindustrie. Is dat verantwoord, en onder welke voorwaarden?’

Een paar dagen later zit ik tegenover de hoogleraar in kwestie, in zijn met boeken en artikelen bezaaide kantoortje in het centrum van Utrecht. Naast me zit de voorlichter, die ijverig meeschrijft met wat de hoogleraar me vertelt. ‘Ik heb altijd aangedrongen op volledige openheid. En dat was ook een belangrijke voorwaarde voor het college van bestuur om het onderzoek te laten doorgaan’, zegt hij.

Het is John Vervaele, hoogleraar economisch en Europees strafrecht. Sinds 1992 doet hij onderzoek naar regulering en handhaving van economisch en financieel strafrecht, tot dusverre steeds met geld van de NWO, ministeries en de EU. ‘Nog nooit gefinancierd door de industrie, dus.’

Van de twee heren oogt Vervaele het meest ontspannen. De voorlichter had vooraf nog meermalen gevraagd of ik echt kon beloven niet te publiceren vóór de toekenning van het fonds was bekendgemaakt en gevraagd of het stuk echt nog wel op feitelijke onjuistheden gecheckt kon worden. Vervaele heeft donderdag 7 september te horen gekregen dat hij de aangevraagde vier ton aan onderzoeksbudget krijgt. Terwijl de voorlichter en de bestuurders ten tijde van dit gesprek met samengeknepen billen afwachten, maakt Vervaele zich voorafgaand geen grote zorgen: ‘Ik vind dat als je zo’n besluit neemt, je er ook voor moet staan.’

Vijf jaar geleden deed Vervaele al een vergeefse poging financiering te vinden voor onderzoek naar tabakssmokkel. Hij peilde hiervoor de interesse bij douane en de antifraudedienst van de EU en bij onderzoeksfinancier NWO. ‘Ze hadden wel belangstelling, maar het was moeilijk te financieren. Omdat er allerlei experts nodig zijn is het niet goedkoop, en duurder onderzoek moet precies passen in bestaande onderzoeksprogramma’s.’ Hij pakte het onderzoeksidee weer op toen hij hoorde dat tabaksfabrikant Philip Morris onder de noemer ‘Philip Morris International Impact’ honderd miljoen euro beschikbaar stelt voor de bestrijding van illegale tabakshandel.

Dat er illegale tabakshandel plaatsvindt heeft een eenvoudige reden: overheden vrijwel overal ter wereld heffen torenhoge accijnzen en belastingen (in Europa variëren die van zeventig tot negentig procent). Een jaar of tien geleden werd het aandeel van de consumptie in de EU dat illegaal was, geschat op tien procent. Bij shag was dat zelfs veertig procent. Door die handel lopen overheden veel geld mis en wordt hun ontmoedigingsbeleid ondermijnd, vandaar dat zij erbij gebaat zijn de smokkel een halt toe te roepen.

Op het eerste gezicht lijkt ook de industrie een van de slachtoffers van deze praktijken, maar in het verleden was dat niet altijd het geval. Een groot deel van de sigaretten was afkomstig van de grote producenten, waaronder Philip Morris. Er waren zelfs aanwijzingen dat de industrie samenwerkte met de georganiseerde misdaad.

Er zijn namelijk drie soorten illegale tabak en sigaretten: sigaretten die legaal worden geproduceerd maar illegaal (en dus zonder belasting en accijns) op de markt worden gebracht; sigaretten die in het ene land legaal worden geproduceerd en illegaal – dus zonder invoerrechten te betalen – worden geëxporteerd, en tot slot sigaretten die volledig illegaal worden geproduceerd.

Onder druk van handhavingsinstanties sloot de industrie in 2004 samenwerkingsovereenkomsten met overheden om de smokkel tegen te gaan. Deze overeenkomsten werden van begin af aan door maatschappelijke organisaties bekritiseerd, omdat overheden geen geld zouden mogen aannemen van de tabaksindustrie. Voor die handhaving betaalden bedrijven contributie. Als het aantal in beslag genomen illegale sigaretten boven een vastgesteld quotum lag, betaalden zij forse boetes.

Die aanpak werkte. Het industriële aandeel op de zwarte markt liep terug naar één procent. Tot zo ver het goede nieuws, want het totale aanbod op diezelfde markt is de laatste jaren alleen maar toegenomen: inmiddels is bijna veertien procent van de Europese sigaretten illegaal. Ze worden vooral via straathandel verkocht. Opmerkelijk genoeg worden deze ‘cheap whites’ met name geproduceerd in grote staatsfabrieken in onder meer Rusland en China. Daarnaast vindt er in EU-landen, waaronder Nederland, forse productie plaats in illegale fabriekjes, vergelijkbaar met de drugslabs waarin xtc wordt vervaardigd.

Deze illegaal geproduceerde sigaretten bevatten vaak tabak van een matige kwaliteit, soms aangevuld met goedkopere ingrediënten en geproduceerd onder minder hygiënische omstandigheden, waardoor er soms zelfs poepresten in zijn aangetroffen. Tel daarbij op dat overheden met de hoge heffingen de consumptie juist met succes hebben weten terug te dringen. The Guardian schreef niet voor niets in 2010 al dat de soms vijf keer goedkopere sigaretten vooral de tabaksconsumptie onder armen stimuleren, waardoor ook zij het slachtoffer zijn van de smokkel.

Hoe die illegale handel – vooral die van de cheap whites – in de EU verder kan worden teruggedrongen met wetgeving en handhaving wil Vervaele met een internationaal team gaan bestuderen. ‘Dat dit onderzoek maatschappelijk en wetenschappelijk relevant is, staat voor mij als een paal boven water’, zegt Vervaele, ‘los van de financiering.’

Dat die financiering omstreden is, begreep Vervaele van begin af aan. Hij bestudeerde de inhoudelijke criteria voor aanvragen en de randvoorwaarden voor het uitvoeren van het onderzoek. ‘Ik ben een academicus, dus ik wil onafhankelijk onderzoek doen. Daar waak ik bij onderzoek in opdracht van nationale overheden ook voor. Die willen ook meeschrijven, hoor! Ik heb wel eens meegemaakt dat ambtenaren halverwege een onderzoek de conclusie wilden gaan schrijven. Dan moet je terugblaffen.’

De bij Philip Morris ingediende voorstellen zouden worden beoordeeld en geselecteerd door een onafhankelijke raad, met onder meer Amerikaanse hoogleraren, voormalig aanklagers en mensen van Europol. ‘Dat gaf vertrouwen.’

Het is de vraag of dat gevoel van vertrouwen gerechtvaardigd is. De tabaksindustrie heeft op z'n zachtst gezegd een discutabele geschiedenis als het aankomt op wetenschap. Decennialang voerde de industrie een strategische campagne om twijfel te zaaien over de relatie tussen roken en onder meer longkanker. Ze huurde daarvoor wetenschappers in, zette het zogeheten Center for Indoor Air Research op en intimideerde andere onderzoekers – zoals onder andere uitgebreid werd beschreven in het in 2010 verschenen boek Merchants of Doubt.

Begin deze eeuw zette Philip Morris een nieuw wetenschapsprogramma op om geloofwaardigheid te herwinnen, waarover critici oordeelden dat ‘de programmatische inhoud kan worden gezien als ontlastende bewijsvoering over roken en blootstelling aan rook’. Daarnaast verzet de industrie zich tegen verdergaande maatregelen om de smokkel tegen te gaan, door invoering van een strenger track & trace-systeem, wat in de sector bekend staat als ‘from leaf to light’. Vanwege al deze verhalen en de reputatie van de tabaksindustrie in het algemeen beëindigde de EU onder druk van het Europees Parlement vorig jaar ook het samenwerkingsverband met Philip Morris in de strijd tegen smokkel.

Nog voordat Vervaele een letter op papier had gezet, legde hij het plan om een voorstel in te dienen voor aan de onderzoeksdirecteur en het hoofd van het departement. Die waren akkoord, maar wilden nog wel overleg op een hoger niveau. Het college van bestuur liet hem een dossier aanleveren waarin hij de inhoud schetste. Het college wilde een gedegen afweging maken, waarbij het nog het meest bezig was met de reputatieschade die er zou kunnen ontstaan. ‘De vraag die opkomt is: ben je niet immoreel bezig als je hun belang dient, hoe dan ook?’

Volgens Vervaele is het een principieel punt dat zijn onderzoek gaat over criminaliteit en niet over gezondheid. Hij snapt dat kankeronderzoekers heel anders tegen het dilemma zullen aankijken. ‘Als het over de relatie tussen kanker en gezondheid zou gaan, zou het onderzoek echt niet door de industrie mogen worden betaald.’

Vervaele zegt te hebben afgedwongen dat hij zijn onderzoek in openheid kan uitvoeren en zijn onderzoeksresultaten hoe dan ook openbaar kan maken. ‘En ik werk samen met de douane, die zit door de voorgeschiedenis echt niet met de industrie op één bankje.’

Wat de verschillende partijen na publicatie met de resultaten willen doen, is hun verantwoordelijkheid. ‘Zij zeggen dat de accijnzen te hoog zijn. Of ze dit onderzoek gaan gebruiken om te betogen dat die accijnzen illegale handel in de hand werken weet ik niet. Als ze in het openbaar oneigenlijk omgaan met de resultaten, dan kan ik daar in elk geval op reageren.’


Tips en reacties via devrieze@groene.nl. Hier vind je de Facebook-pagina. En discussieer mee via de Facebook-groep Worstelende Wetenschap.