Hoe nu verder? #7: Politiek econoom Ann Pettifor

‘Deze keer hebben we een Plan B’

Na de financiële crisis van 2008 ging de Britse econoom Ann Pettifor op zoek naar een alternatief voor een rot systeem. Het werd de Green New Deal: een antwoord op zowel de economische als de ecologische crisis.

Ann Pettifor: ‘Ik wil een centrale bank waar de ambtenaren doen wat hun functie beschrijft: de burgers dienen’ © Lars Pehrson / SvD / TT / ANP

Begin 2008 was Ann Pettifor op bezoek bij een vriendin in New York. Achter de schermen was de kredietcrisis al in volle gang, maar haar vriendin, die flink had belegd in aandelen, leek zich geen enkele zorgen te maken. ‘Je weet wel dat het hele systeem op imploderen staat?’ vroeg Pettifor. ‘Welnee joh’, antwoordde ze, ‘ze hebben alles onder controle.’

In werkelijkheid begonnen de bankiers op Wall Street behoorlijk in paniek te raken en anders dan hun sussende woorden deden geloven hadden beleidsmakers geen flauw benul wat hun overkwam. Het leek wel alsof niemand deze crisis had zien aankomen. Of nou ja, bijna niemand. In 2006 had Pettifor een boek gepubliceerd met de visionaire titel The Coming First World Debt Crisis, waardoor ze in één klap bekend werd als een van de weinige economen die de crash hadden voorspeld. ‘Eigenlijk was ik helemaal niet blij met die titel’, zegt ze, ‘maar achteraf is het goed dat mijn uitgever voet bij stuk heeft gehouden.’

Pas na de val van zakenbank Lehman Brothers raakte ook het grote publiek doordrongen van de ernst van de situatie. Gelukkig had ze haar New Yorkse vriendin net op tijd weten te overtuigen om haar geld ergens anders in te investeren. ‘Sindsdien ben ik haar beste maatje’, lacht Pettifor.

Wat haar destijds vooral verbaasde was de reactie van de politiek: ‘Er was geen plan, geen alternatief. De reflex bij politici van links tot rechts was: we moeten onze vinger in het gat stoppen om te voorkomen dat de dam breekt. We moeten het systeem redden.’ Maar voor Pettifor was de grote les van de crisis nu juist dat het rotte fundament van het systeem aan vervanging toe was. Samen met een clubje geestverwanten besloot ze daarom zelf maar op zoek te gaan naar een toekomstbestendig alternatief. Hun plan moest een antwoord bieden op zowel de economische als de ecologische crisis. Ze noemden het een ‘Green New Deal’.

‘Dat plan is hier bedacht’, zegt Pettifor. We zitten in de gemeenschappelijke ruimte van het hoofdkwartier van Prime, een netwerk van macro-economen waarvan Pettifor de voorzitter is. Het kantoor, op de eerste verdieping van een monumentaal woonblok aan het Londense Regent’s Park, ademt een huiselijke sfeer. Een wasmachine in de keuken, een stereo-installatie in de salon, tapijt op de vloer en aan de muur een eclectische verzameling kleurrijke schilderrijen. In de studeerkamer van Pettifor puilen de boekenkasten uit met werken van en over haar grote intellectuele held, John Maynard Keynes. Vooral Keynes’ ideeën over monetair beleid hebben de plannen voor een Green New Deal beïnvloed, zo zal ze later uitleggen.

Het eerste rapport van de groep, uit 2008, was gericht aan dovemansoren. In plaats van groen stimuleringsbeleid te voeren, begonnen Europese overheden te bezuinigen. Toch waren de bijeenkomsten van de Green New Deal-groep een waardevolle exercitie, zegt Pettifor: ‘Het bracht twee werelden samen: die van de milieubeweging en die van de macro-economen. Dat kon af en toe behoorlijk botsen. Onze vrienden in de milieubeweging waren niet echt thuis in monetair beleid. Hun instinct was: we moeten minder consumeren en dat betekent meer werkloosheid. Wij zagen het heel anders. Inderdaad, we kunnen ons huidige consumptieniveau niet volhouden, maar een duurzame economie is een arbeidsintensieve economie. Wij pleitten juist voor volledige werkgelegenheid.

Milieuactivisten hebben het milieu te lang geïsoleerd van de economie. Ze hebben oog voor alle juiste zaken – klimaatverandering, de teruglopende biodiversiteit – maar ze besteden te weinig aandacht aan wat die ontwikkelingen drijft. Het is de toename van krediet die uiteindelijk zorgt voor een toename van CO2-uitstoot. Uit een recent rapport blijkt dat de bank JPMorgan Chase in de drie jaar na het klimaatakkoord van Parijs 196 miljard dollar had geleend aan de fossiele industrie. Ter vergelijking: ExxonMobil investeerde in diezelfde periode 9 miljard in de winning van fossiele brandstoffen. Zolang je je aandacht enkel richt op de industrie en niet op het financiële systeem daarachter los je het probleem niet op. Dat was een blinde vlek van de milieubeweging.’

Je zou kunnen zeggen dat het omgekeerde evengoed waar is: economen hebben lange tijd geen oog gehad voor milieukwesties.
‘Absoluut. Beide disciplines zaten opgesloten in hun eigen silo – ikzelf ook. Voordat ik samen begon te werken met de milieubeweging hield ik me vooral bezig met de internationale financiële architectuur en staatsschulden. Mijn ogen moesten echt geopend worden voor de ecologische crisis.’

‘Grote banken hebben praktisch een vrijbrief gekregen om te gokken’

De grote inspiratiebron was het plan van president Franklin Delano Roosevelt, de oorspronkelijke New Deal die de Amerikaanse economie uit het slop moest trekken na de Grote Depressie in de jaren dertig. Roosevelt pompte volop geld in de economie, initieerde grootschalige banenprogramma’s, faciliteerde ambitieuze infrastructurele projecten zoals de bouw van de Hoover-dam en de Lincoln-tunnel, hervormde de bankensector en plantte drie miljard bomen. Dat laatste was een maatregel om de grote ecologische crisis van die tijd te bezweren: de genadeloze droogte en bodemuitputting die de Amerikaanse prairies transformeerden tot een onherbergzame Dust Bowl, met massale misoogsten en tienduizenden ontheemde boeren tot gevolg.

‘Het meest inspirerende voor mij’, zegt Pettifor, ‘was wat Roosevelt deed op de avond van zijn inauguratie. Hij paste de theorie van Keynes toe door de VS terug te trekken uit het internationale monetaire systeem dat gebaseerd was op de gouden standaard. Onder de vooroorlogse gouden standaard zat de financiële sector achter het stuur, omdat regeringen voor financiering afhankelijk waren van de internationale kapitaalmarkten. In feite gingen de bankiers op Wall Street over de wisselkoers. Door daarmee te breken nam de overheid het stuur weer in handen. Dat zorgde ervoor dat Roosevelt het geld kon vrijmaken voor zijn New Deal.’

Sinds de jaren zeventig heeft de internationale financiële sector nieuwe manieren gevonden om de macht naar zich toe te trekken. Met als gevolg, zegt Pettifor, dat overheden machteloos staan tegenover de krachten van het internationale kapitaal. ‘Het zijn private actoren die besluiten aan wie en tegen welke prijs er krediet wordt verstrekt. Het is de financiële sector die effectief de wisselkoers bepaalt en daarbij handelt ze niet in algemeen belang, maar in eigen belang. Voor de Amerikaanse economie als geheel is het misschien helemaal niet gunstig om een sterke dollar te hebben, maar voor de commerciële kredietverstrekkers wel.’

Om de macht op de financiële sector te heroveren, zal het grote publiek eerst moeten beseffen hoeveel macht we eigenlijk al hebben, betoogt Pettifor. Dat begint bij het inzicht dat een financiële sector enkel kan functioneren bij de gratie van de publieke sector. ‘Banken zouden bijvoorbeeld nergens zijn zonder een degelijk juridisch stelsel. Ze kunnen met een gerust hart contracten afsluiten omdat ze ervan uit kunnen gaan dat die nageleefd worden en dat er sancties op staan als dat niet gebeurt. De reden dat banken liever contracten afsluiten in Londen dan in Moskou, is dat ze meer vertrouwen hebben in het Britse rechtssysteem dan in het Russische. Maar dat rechtssysteem is een publieke dienst die wordt gefinancierd door de belastingbetaler.

Of neem de waarde van een valuta. De Britse pond is een sterke munt omdat hij leunt op dertig miljoen burgers die iedere maand netjes hun belasting betalen. Daarom zijn Britse staatsobligaties zo gewild: beleggers hebben vertrouwen dat die lening wordt terugbetaald, omdat hier een deugdelijk systeem bestaat van belastingheffing. Vergelijk dat bijvoorbeeld met Malawi, dat geen onafhankelijke centrale bank heeft, geen robuuste rechtsstaat en een gebrekkig belastingstelsel. Geen wonder dat de munt van Malawi zo weinig waard is op de internationale valutamarkt. In Groot-Brittannië, of in de Europese Unie, kunnen we gewoon tegen de financiële sector zeggen: luister, jullie maken gebruik van al die publieke diensten die gefinancierd worden door belastingbetalers. Dat is prima. We willen jullie niet vernietigen, maar we gaan wel voorwaarden stellen. Nu profiteren ze daar praktisch onvoorwaardelijk van.’

Wat zouden die voorwaarden dan moeten zijn?
‘We hebben behoefte aan een centrale bank met instrumenten om een evenwichtige economie te garanderen. Een voorbeeld. Tot drie of vier jaar geleden stegen de huizenprijzen in Londen tot krankzinnige hoogtes. De Bank of England maakte zich zorgen en wilde die prijsstijging afremmen. Ze eiste dat huizenkopers een groter eigen vermogen moeten inleggen en maakte een einde aan belastingvoordelen voor eigenaren die kochten om te verhuren. Sindsdien is de Londense huizenmarkt afgekoeld en is de “kopen om te verhuren”-markt nagenoeg verdwenen. De maatregelen zijn nog lang niet drastisch genoeg, maar het laat wel zien hoe een centrale bank kan bijsturen. Ze heeft alleen meer van zulke macro-economische instrumenten nodig.

Tot de jaren zeventig bemoeide de Bank of England zich bijvoorbeeld met de kwaliteit van de kredietverlening. De centrale bank gaf een vergunning aan commerciële banken om krediet te verstrekken, maar wel onder de voorwaarde dat dit op een verantwoorde manier gebeurde. Wordt het krediet gebruikt om zinnige economische activiteit te stimuleren? Of om te speculeren? Het doel van kredietverstrekking moet zijn om inkomen te genereren, zodat de leningen terugbetaald kunnen worden. Met speculatie heb je die garantie niet.’

Hebben we onze kans niet gemist? Was de financiële crisis van 2007 niet het uitgelezen moment om tegen banken te zeggen: prima, we gaan jullie redden, maar dan wel op onze voorwaarden?
‘Ik heb destijds met verbijstering toegekeken. Bankiers in de City en op Wall Street dachten echt dat ze de gevangenis in zouden gaan. Ze waren bereid om concessies te doen, maar tot hun eigen verbazing kregen ze nog meer publieke garanties dan ze al hadden. Vóór de bail-out namen ze de risico’s voor eigen rekening, nu nemen de grote banken die risico’s in de wetenschap dat ze te groot zijn om te falen. Ze hebben praktisch een vrijbrief gekregen om te gokken.’

‘Een groene economie is gericht op beperkte behoeften’

U wil dat centrale banken meer sturen op het publieke belang. Maar centrale bankiers zijn als de dood om van ‘politiek’ beticht te worden. Hoe valt dat te rijmen?
‘Ik heb in Nigeria gewerkt, waar ik heb gezien wat er gebeurt als je politici de macht geeft om de geldpers aan te zetten. Dat werkt corruptie in de hand. We moeten inderdaad voorkomen dat de politiek het beleid van de centrale bank kan dicteren. Maar we moeten ook voorkomen dat de financiële sector het monetaire beleid dicteert. Dat is wat er nu feitelijk gebeurt: de bureaucraten bij centrale banken negeren het algemeen belang en dienen de belangen van de financiële sector. Ik wil een centrale bank waarbij de ambtenaren – civil servants – doen wat hun functietitel beschrijft: de burgers dienen.’

Begin 2018 stonden er opeens twee Amerikanen bij Pettifor op de stoep. Ze waren lid van de Justice Democrats en werkten voor een jonge, toen nog totaal onbekende vrouw die de politiek in wilde: Alexandria Ocasio-Cortez. Omdat hun kandidaat nog geen duidelijk economisch programma had, waren de campagnemedewerkers naar Londen gereisd, op zoek naar ideeën. Vooral het idee van een Green New Deal vonden ze wel interessant. Pettifor was niet te beroerd om mee te denken en greep de gelegenheid aan om een nieuw boek te schrijven, dat vorig jaar verscheen: The Case for the Green New Deal.

We weten hoe het afliep met de campagne van Ocasio-Cortez: ze werd het jongste vrouwelijke Congreslid ooit en schudt sindsdien het Amerikaanse politieke establishment aan de lopende band op met brutale voorstellen en snedige speeches. Het is aan haar te danken dat de Green New Deal nu, meer dan tien jaar na het eerste rapport dat in dit Londense kantoor werd ontworpen, boven aan de politieke agenda staat. Bernie Sanders, een van de koplopers in de race om de Democratische kandidatuur voor het presidentschap, heeft de Green New Deal tot een speerpunt van zijn campagne gemaakt. En ook de Europese Commissie kondigde onlangs een eigen ‘Green Deal’ aan.

Toen jullie de Green New Deal formuleerden, moest dat een antwoord bieden op een economische crisis, maar inmiddels hebben we die crisis toch achter ons gelaten?
‘Helemaal niet! De financiële crisis is niet ten einde, maar veranderd in een politieke crisis. Wat we nu meemaken is de backlash tegen het beleid dat de één procent te hulp schoot en de 99 procent opzadelde met bezuinigingen. Mensen zijn daar ontzettend boos over. Dat is de oorzaak van het oprukkende nationalisme, protectionisme en autoritarisme. De geschiedenis herhaalt zich, want dit is precies wat er in de jaren twintig en dertig gebeurde. Als je de markten vrij spel geeft, zonder dat burgers daarvan profiteren, zal een groot deel van de bevolking bescherming zoeken bij een sterke leider. Dat is wat er gebeurt met Trump: hij zegt de Amerikanen te beschermen tegen de Mexicanen en de Chinezen. Dat is wat er gebeurt met de Brexit: het is een poging om de controle te herwinnen. We zagen in de jaren dertig waartoe zo’n reflex kan leiden: fascisme. Het is tragisch om te zien dat het nu opnieuw dreigt te gebeuren. We zijn gewaarschuwd, maar we negeren die waarschuwingen.’

Hoe kan een Green New Deal voorkomen dat we afglijden richting het fascisme?
‘Het is interessant om te constateren dat Amerika in de jaren dertig, onder Roosevelt, een andere route koos dan Europa. Hij brak met de vooroorlogse gouden standaard, hervormde het monetaire systeem en herwon de publieke regie over de financiële sector. Nu was Roosevelt niet zonder gebreken, maar hij was wel een democratisch gekozen president, die uiteindelijk verantwoording moest afleggen aan de Amerikaanse burgers. Met een overwinning van Bernie Sanders zou de VS opnieuw een andere weg in kunnen slaan, weg van het nationalisme.’

Hoe zou een samenleving na zo’n Green New Deal er dan uitzien?
‘Er zou veel werkgelegenheid zijn in sectoren die weinig broeikasgassen produceren, zoals de zorg, het onderwijs of in de culturele sector. En we zouden ervoor zorgen dat zulk werk gewaardeerd en beloond wordt. Ik denk dat zo’n samenleving in sommige opzichten lijkt op de periode tussen 1945 en 1970. Voor economen van links tot rechts geldt dat nog steeds als het “gouden tijdperk” van de economie. Het was niet perfect, er ging een hoop fout, maar er was wel bijna volledige werkgelegenheid en de middenklasse ging erop vooruit. Let wel, dit was een tijdperk van sterke economische groei en toenemende consumptie en dat zijn zaken die onverenigbaar zijn met de huidige ecologische crisis.

Een duurzame economie zou veel meer zelfvoorzienend zijn. We moeten af van het idee dat we iedere dag van het jaar avocado’s kunnen eten. Of dat we met een muisklik een drone kunnen bestellen die we dan de volgende dag in huis hebben. Een groene economie is gericht op beperkte behoeften, niet op onbeperkte wensen. In dat opzicht kunnen we wellicht leren van het leven in Groot-Brittannië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat was een tijd waarin de thuisblijvers gedwongen werden om op een andere manier te leven. Ze rantsoeneerden, werden meer zelfvoorzienend en tegelijkertijd waren ze gezonder en was er een sterker gevoel van gemeenschap. Als we binnen de beperkte ecologische grenzen willen leven, zullen we eenvoudiger moeten leven. Dat hoeft niet ten koste te gaan van ons fysieke en psychologische welzijn. Integendeel.’

Dit verhaal ontbreekt in de politieke campagne voor een Green New Deal. Hoe verkoop je dit verhaal als politicus?
‘Dat is inderdaad een uitdaging. Maar ik denk dat de dreiging zo groot is dat we eerlijk moeten zijn. In de jaren dertig waarschuwde Winston Churchill voor de dreiging van Hitler. Hij werd belachelijk gemaakt en uit de Conservatieve Partij geschopt. Nadat nazi-Duitsland inderdaad een oorlog ontketende werd hij ineens als held gezien, maar aanvankelijk wilden veel mensen zijn verhaal niet horen. Ze wilden niet nadenken over oorlog en wilden doorgaan met feesten. Nu ook: mensen willen blijven feesten en niet nadenken over de ontwrichting van het klimaat, maar vroeg of laat worden we met de neus op de feiten gedrukt.’

Als ik u zo hoor, stevenen we af op een volgende crisis. Maar om toch een beetje hoopvol te eindigen: misschien hebben we deze keer op z’n minst alternatieven klaarliggen.
‘Zeker. Nu hebben we een Plan B. Het is nog een grof plan, het is verre van perfect, maar we zijn in ieder geval klaar voor een kentering. Dat is inderdaad hoopvol.’


Hoe nu verder?

Diagnoses zijn er volop van de crises waar de wereld mee worstelt. Van de klimaatcrisis tot de crisis in de westerse democratie, van de technologische ontheemding tot het doorgeschoten kapitalisme met zijn groeiende kloof tussen superrijk en kansloos arm – er zijn inmiddels stapels boeken en rapporten over verschenen. Langzaam gaan we nu van diagnose naar voorstellen voor verandering. In deze interviewserie laten we prominente denkers aan het woord over de oplossingen voor de grote problemen van deze tijd.