Week 18

Deze week

Zorgen onder de Coupole

De toekomst van de Académie française

PARIJS – Als er in Frankrijk één instituut tot de verbeelding spreekt, is het de Académie française. Ze werd in 1663 opgericht door Richelieu en kreeg als missie het bewaken van de zuiverheid van de Franse taal. Haar leden komen bijeen in een koepelvormig gebouw ter hoogte van de Pont des Arts en gaan door het leven als de Onsterfelijken. Ze dragen een groen, met goud bestikt rokkostuum en zelfs een echt zwaard.

Maar de Oude Dame van de Quai Conti, zoals de Académie wordt genoemd, lijkt haar bestaan niet langer zeker. In dfgelopen twee jaar stierven de Onsterfelijken namelijk bij bosjes; negen van de veertig leden legden het loodje – niet zo vreemd met een gemiddelde leeftijd van tachtig jaar. Daarom kondigde academievoorzitter Hélène Carrère d’Encausse begin deze maand een verjonging aan. Ook zei ze te willen streven naar meer schrijvers en vrouwen. Op dit moment is één op de tien Académie-leden vrouw.

Het is een misvatting te denken dat la Coupole louter bevolkt wordt door Prix Goncourt-laureaten. Er huizen kardinaals, oud-presidenten, en zelfs de onderwaterfilmer Jacques-Yves Cousteau was lid. Cousteau permitteerde zich overigens de excentriciteit van een kristallen zwaard. Maar lid worden van de Académie doe je niet zomaar. Iedereen kan zich kandidaat stellen; de leden maken zelf uit wie zij het ‘groene habijt’ waardig achten. Victor Hugo had vier kandidaatstellingen nodig om te worden gekozen, Emile Zola gaf het na 24 keer proberen op, Honoré de Balzac meende dat hij niet notabel genoeg was en trouwde een gravin. Te laat. Hij overleed vijf maanden later.

Andere schrijvers bedankten voor de eer. De gebroeders De Goncourt richtten hun eigen academie op (die de Prix Goncourt uitreikt) en ook de schrijvers van de Nouvelle Revue Française haalden hun neus op voor de ‘reactionaire’ Académie. Schrijvers als Sartre en De Beauvoir vergaderden liever in een café aan Saint-Germain-des-Prés. De jonge schrijver Frédéric Beigbeder sprak over de Académie als een ‘vergadering van verwende en vermoeide oudjes’.

Schrijvers die voor het lidmaatschap in aanmerking komen, zoals Philippe Sollers, houden al jaren beleefd de boot af. Misschien ook omdat zij opzien tegen het werk. Behalve uit het uitdelen van een tiental literaire prijzen bestaat de kerntaak van de leden uit de vervaardiging van nieuwe woordenboeken. De negende editie werd in 1971 begonnen en is nu aangeland bij het woord piècette (muntje).

Inmiddels zijn twee nieuwe leden toegelaten onder de Coupole: twee mannen van rond de zeventig, een bisschop en een chansonschrijver. Vooral die laatste keuze werd opmerkelijk geacht. Maar geen vrouwen dus en ook niet bepaald de gedroomde verjonging. François Busnel, de hoofdredacteur van het maandblad Lire, concludeerde dat de Académie bezig was een langzame en pijnlijke dood te sterven, ‘als een dikke, blinde, suïcidale walvis die, terwijl omstanders toekijken, zich koste wat kost op het strand wil werpen’.

MARIJN KRUK

Meer gelijk dan anderen

De Libische lobby in Washington

DEN HAAG – De Libische dictator Moeammar al-Kadafi vormt het levende bewijs dat internationale betrekkingen zo onvoorspelbaar zijn als de pest. Was hij enkele jaren geleden nog een wereldwijd geboycotte paria, tegenwoordig mag hij zijn presidentiële bedoeïenentent opzetten waar hij wil, tot in de tuin van zijn Franse collega toe. En wie had tien jaar geleden durven voorspellen dat de Amerikaanse regering Libië in bescherming zou nemen tegen antiterrorismemaatregelen van het Congres?

Amerikaanse media berichtten afgelopen week over een grote lobby die in Washington is gestart door twee verrassende bondgenoten: Libische diplomaten en Amerikaanse oliebaronnen. Doel: het Congres overhalen Libië een uitzonderingspositie toe te kennen binnen een nieuwe antiterrorismewet. Het Congres heeft eerder dit jaar namelijk een wet aangenomen die het slachtoffers van terrorisme gemakkelijker maakt financiële genoegdoening te krijgen. Slachtoffers en nabestaanden kunnen niet alleen eenvoudiger beslag laten leggen op buitenlandse tegoeden van staten die terrorisme steun(d)en, maar ook geld vorderen bij Amerikaanse bedrijven die er zaken mee doen.

Dat laatste punt heeft de oliebaronnen doen opspringen. Sinds ‘kolonel’ Kadafi in 2003 zijn decennialange steun aan internationale terreurorganisaties stopzette en zijn massavernietigingswapens de deur uit deed, heeft hij veel van deze zakenlieden in zijn tent mogen ontvangen. Diverse Amerikaanse oliemaatschappijen hebben inmiddels lucratieve contracten afgesloten om Libische olievelden te exploiteren. Met de nieuwe wet lopen deze bedrijven het risico dat slachtoffers van terreurdaden die in het verleden door Libië zijn gesponsord hun schadevergoeding bij hen komen claimen – bij de Libische regering zelf kloppen ze waarschijnlijk tevergeefs aan. Op basis van de huidige rechtszaken die in de VS tegen Libië lopen, wordt geschat dat de schadevergoedingen kunnen oplopen tot zes miljard dollar. De oliemaatschappijen pleiten nu voor een uitzonderingsclausule voor Libië.

Natuurlijk hebben terreurslachtoffers recht op schadevergoeding, lieten vertegenwoordigers uit de oliebranche weten. Maar waarom zou dat ten koste moeten gaan van Amerikaanse commerciële belangen? Als Amerikaanse bedrijven niet in Libië kunnen investeren, gaan andere landen er met de olie vandoor. Bovendien bevorderen de nieuwe handelsrelaties de energieveiligheid van de VS, omdat de afhankelijkheid van olie uit het instabiele Midden-Oosten erdoor afneemt.

Het eerste succes hebben de lobbyisten al behaald. Vier ministers, die van Defensie, Buitenlandse Zaken, Energie en Handel, hebben het Congres per brief opgeroepen Libië een uitzonderingspositie te geven. Eerder bepleitte de regering van George W. Bush al met succes eenzelfde uitzonderingspositie voor Irak. De kans lijkt groot dat ook Libië die wordt toegekend. Zo ontstaat de situatie dat, om George Orwell te parafraseren, alle Amerikaanse terreurslachtoffers gelijk zijn, maar sommigen meer gelijk dan anderen. Valt er een link te leggen tussen jouw zaak en Iran, Noord-Korea, Syrië, Soedan of Cuba, dan wordt het gemakkelijker om schadevergoeding te krijgen. Werd de terreurdaad mede mogelijk gemaakt door Libië of Irak, dan heb je pech.

SICO VAN DER MEER

Top-down

Fraude van Duitse topmannen

BERLIJN – November 2006. Met sirenes en zwaailichten doet een leger van politiemensen, belastingrechercheurs en officieren van justitie invallen bij zo’n beetje alle kantoren en woningen van medewerkers van Siemens in Duitsland. Siemens-medewerkers zouden vermogen van het bedrijf hebben verduisterd om dat als smeergeld voor potentiële opdrachtgevers te gebruiken. Het begin van een zaak waarvan nog altijd de onderste steen niet boven is. Deze week nog moest de invloedrijke directeur van de medicijntak van het concern het veld ruimen

Wat de gemoederen het meest bezighoudt, is de vraag of ‘Mr Siemens’ Heinrich von Pierer op de hoogte is geweest van de smeergeldaffaire. In 2007 moest hij, na vijftien jaar de scepter te hebben gezwaaid, al het veld ruimen, maar tot op heden ontkent de oud-topman elke persoonlijke betrokkenheid. Vorige week kwam echter de belastende getuigenis. ‘Gedraag je als soldaten van Siemens’, zou Pierer tegen een manager en diens collega hebben gezegd, toen deze hun vraagtekens zetten bij een zeer dubieuze betaling van tien miljoen dollar aan een Argentijns bedrijf. Deze week zal een Amerikaans advocatenkantoor verslag uitbrengen van interne onderzoeken bij Siemens. Naar verwachting zal Pierers naam veel genoemd worden.

De hele affaire was al bijzonder pijnlijk voor het Duitse bedrijfsleven. Siemens: een oer-Duits en ijzersterk merk, qua aanzien vergelijkbaar met Daimler Benz – alleen is het nog 79 jaar ouder. En nu zou de allerhoogste baas corrupt zijn. De verontwaardiging in Duitsland is groot. Heeft dan iedereen boter op zijn hoofd? Het toonaangevende blad Der Spiegel schrijft zelfs: ‘Het is een beetje zoals na de Tweede Wereldoorlog, toen de jongeren de ouderen vertwijfeld vroegen: “Was habt ihr gewusst?”’

Het is het zoveelste geval in een reeks van Duitse captains of industry die de afgelopen jaren van hun torenhoge voetstuk zijn gevallen. Deze bestuurders van Deutschland A.G., zoals de verzameling van de grootste Duitse beursfondsen wel wordt genoemd, zijn ongekend invloedrijk. Zij bepalen, vaak in de rol van regeringsadviseur, het financiële, economische en sociale gezicht van Duitsland.

Zo is er Peter Harz, oud-personeelschef van Volkswagen. Hij kocht leden van VW’s machtige ondernemingsraad om en ontsnapte slechts door betaling van een hoge boete aan gevangenisstraf. Harz was een van de belangrijkste regeringsadviseurs op het gebied van werkgelegenheid en naamgever van de recente sociale hervormingen. Of Klaus Zumwinkel, ex-baas van Deutsche Post. Hij zag zich gedwongen al zijn functies neer te leggen, toen bekend werd dat hij op grote schaal belasting had ontdoken.

En nu dus Pierer, de man die in 2003 nog het boek Tussen winst en moraal schreef. Ook hij is al jarenlang invloedrijk in de hoogste regeringskringen. Zo was hij economisch hoofdadviseur van bondskanselier Merkel. Was, want Merkel heeft hem afgelopen week te kennen gegeven niet meer van zijn diensten gebruik te zullen maken. De succesvolle formule van een hechte samenwerking tussen regering en topmannen uit het bedrijfsleven heeft averij opgelopen. Er is eigenlijk nog maar één echte grand seigneur over: Josef Ackermann, voorzitter van Deutsche Bank. Maar hij is Zwitser.

STEPHAN SWINKELS

Bommen in de kinderwagen

De zoon van Rudi Dutschke

BERLIJN – Marek Dutschke spreekt net als zijn vader nasale staccatozinnen met een sterk dialect. Hij wil de wereld veranderen, en liever vandaag dan morgen. Daarom is hij lid van de Duitse Groenen, net als zijn grote voorbeeld, Rudi Dutschke, medeoprichter van de ecologische partij in diens sterfjaar 1979.

Voor de 28-jarige Marek is zijn achternaam zowel een deuropener als een obstakel. Hij lijdt aan het Jordi Cruijff-syndroom, omdat hij altijd wordt gezien als de zoon van de beroemde studentenleider, die in april 1968 op de West-Berlijnse Kurfürstendamm door een Beierse neonazi werd neergeschoten. ‘De naam Dutschke is een last voor me’, vertelt Marek in Berlijn. ‘Ik heb mijn vader nooit gekend, maar iedereen brengt me met hem in verband.’

Deze dagen herinnert de Bondsrepubliek zich die roerige tijd, waarin het motto was: ‘Wir müssen die Verhältnisse zum Tanzen bringen’. En juist de politieke nalatenschap van Mareks vader staat anno 2008 ter discussie. Het debat over de wortels van het Duitse terrorisme in de generatie 1968 is aangewakkerd door het boek Unser Kampf 1968 van de gerenommeerde historicus Götz Aly. Hij was zelf actief lid van de studentenbeweging en in zijn kritische terugblik vergelijkt hij zijn vroegere vrienden met ‘rode fascisten’. Ook de politicoloog Wolfgang Kraushaar schrijft al jaren over de banden tussen Dutschke en de Baader-Meinhof-bende. Rudi Dutschke, Andreas Baader und die RAF is een van zijn laatste boeken, dat nog steeds opzien baart.

Marek wil er niets van weten: ‘Dat is zeer eenzijdig. Hij was pacifist.’ Toch pleit hij zijn vader niet geheel vrij van enige sympathie voor de ‘Stadtguerilla’: ‘In 1968 bracht de Italiaanse uitgever Feltrinelli bommen mee die Rudi in de kinderwagen verstopte, direct onder mijn broer Hosea-Che. Rudi heeft het dynamiet later echter weggegooid.’ Deze versie wordt bevestigd in Ulrich Chaussy’s bevlogen biografie over Dutschke. Marek Dutschke: ‘Mijn vader was goed bevriend met Dieter Kunzelmann, een van de oprichters van de legendarische Kommune Eins in Berlijn.’ Kunzelmann had samen met ‘Kommunarden’ uit de K1 een bom bezorgd die hij op een joods gebedshuis wilde gooien. Later werd Kunzelmann wegens brandstichting in de villa van de Bild Zeitung-hoofdredacteur veroordeeld. Direct na de moordaanslag op Dutschke werd het gehate uitgeversconcern Springer, uitgever van Bild Zeitung, het mikpunt van kritiek. In april 1968 gingen diverse auto’s van Bild in vlammen op. Redacteuren verhinderden een bestorming van het gebouw. Sinds een week ligt het Springer-gebouw pal naast de onlangs hernoemde Rudi-Dutschke-Straße.

ROB SAVELBERG

Literair landgoed

Erfenis van Evelyn Waugh

LONDEN – De Britse klassenstrijd is beslecht met een gasrekening. Na ruim een halve eeuw verlaten de nazaten van Evelyn Waugh, de schrijver wiens dédain voor de lagere klassen legendarisch was, het veertien slaapkamers tellende landgoed Combe Florey in het graafschap Somerset. Waughs schoondochter wil ergens gaan wonen waar ze het zich kan veroorloven om de verwarming aan te steken. Uitgerekend op 1 mei, Dag van de arbeid, gaat de uit 1665 stammende villa onder de hamer.

Van oudsher heeft het landgoed een band gehad met het literaire leven. Aan het einde van de achttiende eeuw woonde dominee Sidney Smith er, medeoprichter van het tijdschrift Edinburgh Review. Smith streed onvermoeibaar voor betere leefomstandigheden in de achterbuurten. Dat soort idealisme kon niet worden aangetroffen bij Waugh, die halverwege de jaren vijftig zijn domicilie koos in Combe Florey. De auteur van Brideshead Revisited stond bekend als een paapse plattelandsreactionair, gezegend met een barokke schrijfstijl. Grenzeloos was zijn haat tegen alles wat eigentijds was, meer in het bijzonder zonnebaden, tuindorpen en Picasso.

Hoewel hij behoorde tot het slag Engelsen dat stoïcijns kon zwelgen in spartaanse omstandigheden was het wennen voor Waugh. Korte tijd na de verhuizing schreef hij aan de hertogin van Devonshire dat het optrekje niet veel kleiner is dan haar Chatsworth, maar ‘potverdorie, wat is het oncomfortabel, met tientallen handwerkslieden die in elke kamer met hun hamers tekeer gaan. Geen plee en het is erg koud in de laurierstruiken.’ Een fatsoenlijke plee zou snel worden aangelegd. Het was de plek waar de toen 62 jaar oude schrijver een fatale hartaanval kreeg.

Zijn weduwe moest een deel van de erfenis verkopen, omdat haar man bepaald niet zuinig had geleefd. Een Texaanse universiteit kocht Waughs bibliotheek. Een paar jaar later besloot mevrouw Waugh het landgoed te verkopen. Ze bedacht zich echter, maar weigerde het van de markt te halen, omdat ze dan de makelaar financieel moest compenseren. Ze ontmoedigde potentiële kopers door emmers neer te zetten om de indruk te wekken dat het dak lekte.

Uiteindelijk werd het landgoed in 1971 gekocht door een van Evelyn Waughs zonen, Auberon. Deze satiricus had het snobisme van zijn vader geërfd. Ondanks zijn succesvolle loopbaan in de schone letteren moest Auberon een deel van z’n landgoed verhuren om de energierekening te kunnen betalen en soms verkocht hij gotische meubelen, onder meer aan Led Zeppelin-gitarist Jimmy Page. Hij stierf zeven jaar geleden op 61-jarige leeftijd. Tot zijn culturele erfenis behoren niet alleen de Literary Review en de Bad Sex Award, maar ook de ruiten van Combe Florey. Zijn grote project was immers het vervangen van de moderne ramen door de originele sash-ruitjes van getrokken glas.

PATRICK VAN IJZENDOORN